Opwinding.
‘Je windt je veel vaker op dan vroeger,' zei Liefje. Daar moest ik even over nadenken.
In de afgelopen maand heb ik me twee keer opgewonden. Eén keer omdat een werver van VSO Nederland mij met leugens (‘De hele straat heeft besloten samen deze actie te steunen. U weet van niets? Oh, wat gek!') tot een donatie probeerde te verleiden. Eén keer omdat het amateurisme van de Belgische overheid mij verhindert op 13 juni te kunnen stemmen.
Dus ja. Dat was twee keer meer dan gewoonlijk. Is het omdat ik plots geëngageerd in het leven sta? Of omdat het kan? Sinds Twitter, Facebook en blogs is een mening hebben en jezelf opwinden erg makkelijk geworden, voor iedereen. Vroeger gebeurde er iets, als het je interesseerde vormde je er een mening over, die mening werd soms een overtuiging en als de overtuiging sterk genoeg was, ging je middelen zoeken om haar te uiten. Vandaag heb je middelen in overvloed, de hele tijd. Dus je gaat al gauw op zoek naar een mening om te kunnen communiceren. De cyclus heeft zich omgekeerd.
Ja, dat moest het zijn. Het was een teken des tijds. Het lag niet aan mij. Ik was slechts een mens.
Aan de andere kant van de kamer stond Lola bij het bed van haar poppen. Ze wond zich op, priemde met haar vinger in hun richting en zei op een toon die mij bekend voorkwam: ‘En nu wil ik niks meer horen!'
Verslagen zakte ik weg in mijn zelfbeeld.

Als kinderen dan onze spiegels zijn, kan ik op basis van twee meisjes van 3 en 5 dit concluderen: opwinding is niets meer of minder dan onmacht die een uitweg zoekt. Je wilt iets, of je vindt iets, maar je vindt geen gehoor. Dat borrelt en dat gist. Dat frustreert. Tot de opwinding volgt.
RalphP (E-mail) (URL) - 02-06-’10 09:20Gisteren, toen ik me opwond, over die al dagenlang onwillige vijfjarige, was het de driejarige die kalmpjes en op een toon die me bekend voor kwam, tegen me zei: ‘rustig maar papa.’
Dat hielp.