Gewichtig
Onlangs wees iemand mij erop dat maandag bij uitstek de dag is dat volkomen onbekende kamerleden naar buiten treden met belangwekkende vaststellingen en compleet onrealistische plannen, in de hoop daar 15 minutes of fame mee te pakken en aan hun electoraat te laten weten dat zij nog leven. Dat komt omdat er op maandag traditioneel weinig politiek nieuws is (geen kamervergaderingen of debatten in het weekend), dus de kans op publiciteit is dan het grootst. Ook in Belgie lijkt deze trend zich nu veelbelovend te onwikkelen, zo bleek vanochtend op de Nederlandse Radio1.
Verslaggever: `Het Belgische leger is te dik. Mevrouw Inge Meeuws van de VLD-kamerfractie, wat is er aan de hand?`
Mevr. Meeuws: `Welja, wij hebben vastgesteld dat 14% van de militairen een BMI, body mass index, van meer dan 30 heeft. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een soldaat van 1m85, 105 kilo weegt.`
Verslaggever: `Dat is wat te mollig voor een militair en daarom hebt u aan de alarmbel getrokken en daar een kamervraag over gesteld. Want men mag toch verwachten dat een militair goed afgetraind is.`
Mevr. Meeuws: `Welja, maar het is natuurlijk wel zo dat wij in het Belgische leger met een omgekeerde pyramide zitten qua leeftijdsstructuur. Er zijn veel militairen ouder dan 40. Dat zijn dan voornamelijk de administratieve krachten. De jongeren zitten veeleer in de operationele krachten en die zijn wel goed in conditie, hoor. Maar bij het vaststellen van het BMI hebben wij de administratieve en operationele krachten samengeteld.`
Verslaggever, met lichte verbazing edoch ijzeren logica: `En wat zeggen de cijfers dan wanneer u de operationele en administratieve krachten apart meet?`
Mevr. Meeuws, niet zo snel uit haar lood te slaan: `Welja, ik pleit er zelf ook voor om een apart statuut te creeren voor administratieve en operationele krachten en als alles volgens plan verloopt dan zal dat nieuwe statuut in 2007 door de Kamer worden goedgekeurd en dan zullen wij tot een betere analyse van deze probleemstelling kunnen komen.`
Verslaggever, zinsverbijstering slaat toe maar wil kost wat kost toch wat van het onderwerp maken: `Want ook administratieve krachten zouden toch in goede conditie moeten zijn.`
Mevr. Meeuws: `Welja.`
Verslaggever: `Zijn dit nu alarmerende cijfers, die 14%, als je ze vergelijkt met de Belgische bevolking in het algemeen?`
Mevr. Meeuws: `Welja, wij hebben inderdaad die vergelijking gemaakt en wij stellen vast dat deze cijfers geheel gelijk lopen met de cijfers voor de totale bevolking. 14% van de Belgische bevolking heeft een body mass index van meer dan 30.`
Verslaggever, in zichzelf dure eden zwerend dat de redacteur die dit onderwerp voorbereid heeft straks hele onprettige dingen gaat meemaken: `En is dat eigenlijk veel, 14%?`
Mevr. Meeuws: `Welja, eigenlijk niet, dat zijn normale cijfers maar goed gezond eten is natuurlijk belangrijk.`
Verslaggever: `...'
Mevr. Meeuws: `Welja en eigenlijk moet ik toch zeggen dat mijn kamervraag veel heeft losgemaakt want wij treden nu in overleg met de Commissie voor Welzijn om te gaan kijken wat wij hieraan kunnen doen naar de jeugd toe want ik denk toch dat het belangrijk is dat hieraan ook aandacht wordt besteed bij de opvoeding van de kinderen.`
Verslaggever, gooit het ten einde raad over de ludieke boeg: `Ja, want Belgen eten graag he, en dunne mensen zijn niet gezellig he, dus straks zijn de Belgen niet meer gezellig?`
Mevr. Meeuws, licht verbaasd over zichzelf dat ze deze invalshoek heeft laten liggen bij het stellen van haar kamervraag: `Welja. Dunne mensen zijn gezellig, dikke mensen zijn niet niet gezellig, dus ja, euh, welja.`
Verslaggever, maakt van de verwarring gebruik: `Mevrouw Meeuws, van de VLD-kamerfractie, wij danken u voor dit gewichtig gesprek.`
We moeten wel reeel blijven.
Neem nu de files. Dat je dan zegt: `Hoe is het toch mogelijk dat zo`n bevattelijk, berekenbaar probleem niet wordt opgelost. Er zijn zoveel auto`s, er is zoveel vierkante meter weg, de drukste routes gaan zo en zo, dus in die en die stad is carpoolen verplicht en die en die snelweg wordt een tolweg en hupakee probleem opgelost. `t Is gewoon een kwestie van rekenen.`
En dat er dan iemand anders zegt: `Ja, je hebt gelijk. Nagel op de kop. Klopt als een bus. Maar we moeten natuurlijk wel reeel blijven.`. En dat je die persoon dan keihard op zijn bek slaat. Maar echt gruwelijk hard. Met een attribuut naar keuze maar sta mij toe in deze een hartstochtelijk pleidooi te houden voor de honkbalknuppel.
Ook toepasbaar op mensen die reeel wensen te blijven bij het bewerkstelligen van wereldvrede (we schaffen legers af), het oplossen van de honger in de wereld (we geven alle eten dat we teveel hebben, aan mensen die te weinig hebben) of het redden van het milieu (we kappen geen bossen meer, we gaan eindelijk die auto-op-water die we al lang kunnen bouwen ook effectief produceren, we doen alle milieuwetgeving die bestaat x 2 en - let op, want dit is een echte eye-opener - we passen die ook echt toe, met boetes enzo en sluitingsbevelen en dat je dan ook echt de gevangenis in kan enzo, jazeker, waarom niet, doe `ns gek. Of leer de Joe Dimaggio in mij kennen.).
Parijs en Amsterdam (Let op: deze post bevat wellicht historisch en geheel gratis neer te halen muziekmateriaal.)
En zo geschiedde het dat ik op een goede of kwade dag - time will tell - op het weblog van ene Marlous Hamburger terecht kwam. Marlous Hamburger. Een naam (of pseudoniem?) om `Godverdomme wat een coole naam! Of is het een pseudoniem? Damn, wat een pseudoniem dan!` tegen te zeggen. (Ik heb slechts eenmaal in mijn leven een meisje ontmoet met een betere naam dan Marlous Hamburger en dat was een goddelijk creatuur genaamd Sylvia Samson. De vrouwen die tot op heden mijn hart braken, heb ik achteraf zonder uitzondering allemaal rancuneus, laf, gemeen en onvatbaar voor rede behandeld; wraak boven alles. Behalve Sylvia Samson, over haar schreef ik een lied - te mooie naam.)
Marlous schrijft verhalen waar ik van oudsher eigenlijk niet zo van hou. Ik moet daar gewoon kei-eerlijk in zijn, maar bare with me, het komt allemaal goed net als in een Amerikaanse film. Marlous schrijft romantische, zachte, zoete anekdotes die een hoog autobiografisch gehalte doen vermoeden. Ze heeft, kortom, een lijflog. En ik hou niet van lijflogs. Waarom dacht u dat ik hier altijd zo zit te liegen, het moet wel interessant blijven. Evenwel, Marlous Hamburger heeft - naast een ge-wel-di-ge naam, of is het een pseudoniem, ach ik wil het niet weten! - iets. Om te beginnen is ze verschrikkelijk verliefd. En daar doet ze niet moeilijk over, nee, ze schreeuwt het van de daken, volledig vrij van cynisme en relativering. Ze dartelt door haar log met een onweerstaanbare, haast ouderwetse vrolijkheid waar ik euh... vrolijk van word en ik denk wel `Hey Ivo Victoria, jij houdt helemaal niet van dit soort charmantigheid!` maar er helpen geen lieve moederen aan, ik check dagelijks de rss-feed en ik moet het dus nu maar gewoon, zij het stiekem en met de onaantastbare cool die mij eigen is, toegeven: ik vind Marlous de shit.
Toen schreef Marlous een gedicht, getiteld Parijs en Amsterdam. Voor ik het wist, had ik in de comments geschreven dat het geen gedicht was. Maar een liedjestekst. En dat ik wel even de muziek zou gaan schrijven. Welnu, dat heb ik tot haar en mijn niet geringe verbazing ook gedaan. Twintig jaar lang heb ik in allerlei bandjes gespeeld die allen zonder uitzondering de ambitie hadden de grenzen van de hedendaagse popmuziek te verleggen en de tijdsgeest onherstelbaar te beinvloeden middels revolutionaire songstructuren, driedimensionele teksten en opwindende performances met een street credibility van heb-je-me-daar. Maar afgelopen zaterdag zat ik met een melancholisch gedichtje van een meisje met een fan-tas-tische naam dat ik niet ken op de schoot gitaar te spelen en was ik in `t diepst van mijn gedachten de Boudewijn de Groot van wie ik als 13-jarige jongen alle liedjes van buiten kende en luidkeels door de huiselijke garage liet weergalmen terwijl ik tegen mezelf ping-pongde. Niets vreemds is mij vreemd, maar ping-pongen en Boudewijn de Groot hoorden bij elkaar in die tijd, dat was gewoon zo.
Afin. Voor ik hier al te zachte, zoete anekdotes met autobiografische inslag ga zitten schrijven, zal ik ter zake komen: bij deze een gratis download voor zij die er zin in hebben: Parijs en Amsterdam (Tekst: Marlous Hamburger/ Muziek: Ivo Victoria - vreselijk copyright control, dus Marco Borsato: don`t even think about it) in mp3-formaat. Right click om te saven, ordinaire click om te luisteren.
Marlous vond het mooi. Dus welbeschouwd zal wat u ervan van vindt me feestelijk aan mijn reet roesten. Maar als u er op enigerlei wijze plezier aan beleeft, zou ik zeggen: spread the word, straks scoren Marlous en ik nog de eerste weblog-hit aller tijden. Dat zou ik op zijn minst lachen vinden. Enjoy!
Touche
Ik woon nu al bijna 4 jaar in Nederland, maar toch heb ik pas sinds exact 2 dagen het gevoel dat het vrouwelijke deel van de autochtone bevolking mij als een sexueel wezen ziet. Ja dat hakt er misschien wat al te fel in qua openingszin op een maandag, maar u zult het er mee moeten doen. Vier jaar lang werd ik straal genegeerd. Geen onverwachte emailtjes, geen smsjes van meisjes die mijn mobiele nummer nooit gevraagd hadden, geen steelse blikken, geen hand die net te lang op mijn heup bleef liggen. Nu wil ik mijn Belgische liefdesleven geen al te mythische proporties aanmeten, maar dit was toch gewoon te karig? Bestond het uberhaupt wel, flirten in Nederland? Of waren Nederlanders zo politically correct dat ze niet flirten met mensen die een vaste relatie hebben? Het idee!
Wanhopig vroeg ik me af wanneer ik nog `ns touche zou hebben.
(Touche: spreek uit `toesj`. Komt van het Franse werkwoord toucher (aanraken) - zoals u weet is het Frans een afgeleid dialect van het Antwerps, zie ook: trottoir, ambeteren, soigneren enz... we komen er later nog op terug. Wanneer een Antwerpenaar zegt `ik `em touche`, bedoelt hij daarmee te zeggen dat hij door heeft dat hij bij een bepaalde persoon in die mate in de smaak valt dat er mogelijk sexuele handelingen van zouden kunnen komen als hij daartoe bereid zou zijn. Toen ik nog als een jonge blonde vrijgezelle oppergod door het leven ging in Antwerpen-Zuid, trokken vriend M. en ik zowat elk weekend naar de Kaaiman, een club die toen op de Waalse Kaai gevestigd was. Dat had twee redenen. Ten eerste was de Kaaiman zo dichtbij dat we zonder problemen op handen en voeten naar huis konden terugkeren. Ten tweede hadden vriend M. en ik om onverklaarbare redenen vaak touche in de Kaaiman in zoverre dat wij De Kaaiman tot op de dag van vandaag `Den Alta Touche` noemen. Omdat we er altijd touche hadden. Dus.)
Maar goed. Afgelopen zaterdag was ik in wat misschien ooit nog `ns de Amsterdamse Alta Touche zou kunnen worden als dat zo doorgaat, het Wilhelmina Pakhuis, toen het wonder geschiedde. Vriendin I. stelde me voor aan wie wij nu Flirtster F. zullen noemen. Flirtster F. zag er bijlange na niet slecht uit, bleek voor TV te werken, betaalde mij het ene na het andere biertje, begon te blozen toen ik zei dat haar leren laarzen er goed uit zagen, wierp me meerdere steelse blikken toe en lachte zelfs wanneer ik geen grap maakte. Afin, een vogel voor de kat.
Toen het moment van afscheid gekomen was - ze moest terug naar Utrecht - zoende ze me netjes edoch langzaam en uitdrukkelijk driemaal op de wang. Daarbij nam ze mijn hand vast en die bleef ze zo lang vast houden terwijl ze me veel te diep in de ogen keek dat ik dacht dat ze ter plekke een hersenbloeding kreeg. `Nou.`, grinikte Vriendin I. nadat ze Flirtster F even naar buiten begeleid had (want dat doen vrouwen, vrouwen begeleiden elkaar - overal), `Ik geloof dat je indruk gemaakt hebt.`
`Yesssssss, I still got it!`, kon ik een Lee Towers-move niet onderdrukken.
De volgende ochtend belde Liefje (Liefje verblijft deze week namelijk hierrrr).
`En? Hoe was de Bossa Boogie party in Wilhelmina?`, vroeg ze.
`Geweldig!`, juichte ik. `Ik had touche!`
`Echt waar?`
`Zeker weten!`
`Wat goed! Ik ben trots op je. Lekker ding van me.`
`Dat ben ik! Rrrrrrrrrrrrrrr.`
Bretoense Dromen (4): Mark van Bommel en de stem van mijn vader
In Camp Nou wordt vanavond de topper Sparta - AZ`67 gespeeld. Harry H. en ik wandelen naar het stadion. We zijn laat, dus het is lekker rustig op de Ramblas, de stemmige volksbuurt rond de voetbaltempel. `Kom, we zetten ons nog even op een bankje`, zegt Harry, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wrijft en daarbij in een beweging zijn brilletje in de goede stand duwt. Samen zitten we op het bankje en we kijken naar Camp Nou. `Hugo Hovenkamp.`, zegt Harry mijmerend. `Juan Lozano.`, antwoord ik tevreden. `Rene Van der Gijp.`, zegt Harry bedachtzaam.` `Ludo Coeck.`, zucht ik. Enkele Barcelonese hangjongeren vervoegen ons en houden, om hun uitzichtloze bestaan aan de rand van de maatschappij wat op te vrolijken, onder elkaar een leeg blikje bier hoog.
`Hoi mannen. Alles goed?`, vraagt Mark van Bommel terwijl hij Harry op de rug tikt. Van Bommel is in PSV-tenue, wedstrijdklaar, en kijkt ons lachend aan. `Van Bommel!`, roept Harry ten overvloede. `Jij moet toch niet spelen vanavond?` `Och`, glimlacht van Bommel. `Je weet nooit of ze me nodig hebben. Je kan er maar beter klaar voor zijn.` Harry knikt bewonderend terwijl hij zijn brilletje in positie duwt en daarbij in een beweging zijn druppende voorhoofd dept. `Oh wacht`, zeg ik. `Wil je niet met mij op de foto. Daar kan ik zoveel indruk mee maken op Solo Loe, dat wil je niet weten.` Van Bommel vindt het prima. Maar ik verveel me plotseling en besluit Harry en Bommel te laten voor wat ze zijn en toch maar naar Sparta - AZ`67 te gaan. Wanneer ik de bovenste ring van Camp Nou betreed zie ik nog net hoe Danny Landzaat (AZ`67) en Edgar Davids (Sparta) gehuldigd worden als beste voetballers van het komende seizoen. Na 10 minuten wedstrijd, realiseer ik me dat ik glad vergeten ben dat ik eigenlijk naar het huwelijk van Wesley Sprieten en zijn Marokkaanse vriendin moet. Ik loop het stadion uit en zie Harry en van Bommel nog steeds bij het bankje staan. Harry heeft een vintage PSV trainingspak aan van het legendarische elftal dat in `78 de Uefacup won. Op een krijtbord met rode en zwarte magneten, legt hij uit hoe er omgeschakeld moet worden bij balverlies. Er hangt een fototoestel rond zijn nek en hij houdt een plakboek in de hand. `Even langs huis geweest.`, beantwoordt hij mijn vragende blik. Van Bommel oogt vermoeid.
Wanneer ik aankom op het trouwfeest van Wesley Sprieten, blijken de bruidegom en bruid nergens te bespeuren. Ik gooi twee glazen champagne en wat borrelhapjes naar binnen en loop onder een haag van groene klimop door terug naar de auto. Het is donker. Aan de overkant van de straat ontwaar ik Wesley en zijn Marokkaanse vriendin. Wesley probeert iets uit te leggen, maar zijn Marokkaanse vriendin - gekleed in een prachtige, lange witte bruidsjurk waar haar lichtbruine huid heerlijk mee zou contrasteren als het niet zo donker was - kijkt boos en teleurgesteld en begint te wenen. Ik probeer zo onopvallend mogelijk naar mijn auto te lopen. Dan gaat mijn mobieltje. Ik herken het nummer van mijn moeder. Ik heb twee Eurosonic-goodiebags in mijn handen dus ik klem de telefoon tussen kin en schouder en wil beantwoorden. Maar ik kan niets zeggen want ik heb een oprisping en al snel komen er twee schijven salami naar boven en ik probeer ze onder mijn tong te klemmen en de telefoon te beantwoorden maar de opwaartse druk van de salami is te groot en ik spuw de schijven een voor een uit. `Hallo? Hallo?`, roept mijn moeder. Maar ik voel alweer wat opkomen, en ik laat een tas vallen en duw mijn hand tegen mijn mond maar het is niet tegen te houden en terwijl ik de koffer van mijn auto open maak om de tassen op te bergen, kots ik zijwaarts de goot vol. Een dikke, grijze smurrie stroomt het rioolputje in. Ik zet de tassen in de koffer, vis mijn mobieltje uit de goot en zeg `Ja, mama, hier ben ik, sorry hoor. Wat is er?`. Maar ik hoor mijn stem niet. Ten minste, ik hoor wel wat ik zeg maar mijn stem is niet mijn stem. Het is de stem van mijn vader.
Ik word wakker met de smaak van lood in mijn mond.
Ik zie mijn neus
Wat mij de laatste tijd echt mateloos stoort tot op het punt dat it`s freaking me out, is hetvolgende: ik zie mijn neus. En niet alleen wanneer ik scheel kijk. Nee. Altijd, overal, op elk moment van de dag dat ik mijn ogen open doe. Ik heb de stellige indruk dat dit nieuw is. Ik kan mij niet herinneren dat ik voor pakweg oktober 2005 ooit in mijn leven mijn neus gezien heb (behalve dan in de spiegel). Maar nu is hij overal. Ik kijk naar links. Ik kijk naar rechts. Ik schud mijn hoofd op en neer. Ik rij door een weids landschap, verbaas mij over de pracht van de horizon en de wolken die zich tegen haar aanschurken. Ik zie een schilderij van Monet. Een lekker wijf. Steeds pal in het midden, onverzettelijk: mijn neus. Waanzin. Ik wil vrij zicht. Ik wil weten: wat gebeurt er voor mijn neus? Wat is hier aan de hand?
1. Iedereen ziet zijn neus, het was me gewoon nooit eerder opgevallen.
2. Niet iedereen ziet zijn neus, enkel mensen met een grote.
3. Toch te veel gepulkt.
4. Een tumor drukt op het deel van mijn hersenen dat het zicht bepaalt, waardoor ik stilaan tunnelvisie krijg en ongewild steeds meer gefocused raak op mijn neus.
En alleen voor optie 4. ben ik verzekerd. Dat zal je altijd zien.
Volgende keer een essay over mijn andere grote frustratie en een taboe van wereldklasse waar - sorry gasten, maar het wordt tijd dat het gezegd wordt - alle mannen mee worstelen, namelijk het feit dat wij onszelf niet kunnen pijpen. Op enkele Chinezen na dan die hun jeugd in een kleine houten kist hebben moeten doorbrengen. Of zoals de grote Bill Hicks zaliger zei: `Ladies, if men could do it themselves, you would be sitting here all alone. Watching an empty stage.`
De code in Groningen (slot): Dat gaan we nooit meer doen.
Dag drie op de grote driedaagse nieuwjaarsreceptie van de verzamelde Nederlandse muziekindustrie. Een conclusie.
Een bejaard koppel gaat naast ons zitten. Af en toe zeggen ze wat tegen elkaar. Dan steekt de man een sigaret op. De vrouw volgt tevreden zijn voorbeeld. Samen roken ze gezellig. Het leven is mooi geweest. Op de bar staat een grote kom vol appelsienen. Een vader neemt zijn dochters uit eten. Ze willen bij het raam zitten. Twee vriendinnen loensen naar niemand in het bijzonder. Het tikken van hun vingernagels op de tafel overstemt hun gedempte bespreking. Een blonde vrouw zit aan de leestafel, maar ze kijkt niet naar de kranten. Ze wacht. Obers draven op en neer, hun oksels zijn nat.
Liefje prikt zonder overtuiging in een stuk ei. In mijn glas bruist een tablet; je moet altijd blijven hopen. Liefje zucht. Liefje geeuwt. Liefje kijkt langs me heen.
`Waar zit je naar te kijken?`, vraag ik.
`Naar een omaatje.`, zucht ze.
`Wat is er dan met dat omaatje?`
`Niks. Het is een gewoon omaatje.`
Dat soort werk. Het is een zondag op zaterdag. We lopen de trap af, naar buiten. Groningen winkelt. Mensen kopen hun plastic tassen vol en maken plannen voor de avond.
`Liefje?`
`Ja, Liefje.`
`Waarom doen wij dit eigenlijk?`
`...`
`We zijn gek.`
`We zijn niet goed bij ons hoofd.`
`Het is niet te doen.`
`We moeten dit niet willen doen.`
`We gaan dit nooit meer doen.`
`Nooit meer.`
`Afgesproken.`
Met een krachteloze high five vervolgen wij onze weg.
De code in Groningen (2): Eindelijk ben ik de lul.
Dag twee op de grote driedaagse nieuwjaarsreceptie van de verzamelde Nederlandse muziekindustrie. Een momentopname.
Ik ben nog nooit de lul geweest wiens mobieltje afging in de zaal net op het moment dat de spreker een betekenisvolle stilte laat vallen. Vooraan spreekt een new business manager over de toekomst. Met gratis valt wel te concurreren, vertelt hij. En het leven begint na de iPod. En als we een artiest nu `ns meer als een brand gaan bekijken, dan kunnen we als platenmaatschappijen met zijn allen toch nog geweldig veel geld verdienen want er zijn zoveel facetten aan zo`n artiest die je kan exploiteren, dat wil je niet weten.
Dat is het mooie aan de platenmaatschappijen. Dat hoopvolle. Jarenlang overprijsden zij hun waar ter financiering van bedrijfsuitjes naar New York en auto`s van de zaak voor iedereen. Totdat de consument het eindelijk zat was en zijn eigen handeltje begon (trouwens, wanneer gaat dat eindelijk `ns gebeuren in de banksector, maar dit terzijde). Vervolgens gingen ze wat zitten klagen dat de markt kapot was. U en ik zouden al snel zeggen: laat ons nadenken over hoe we `m kunnen herstellen. Maar zo naief zijn ze niet. Dat is hun kracht. Dus is er nu besloten dat de markt de markt niet meer is en dat er een nieuwe markt moet gecreeerd worden. Je bouwt een mooi, luxe huis. Je houdt er spectaculaire feesten met veel blote wijven. Uit gouden kranen vloeit champagne, hostessen gaan rond met zilveren schalen vol geluk. Daarna, wanneer je verbaasd vaststelt dat de zaak getrasht is, geef je de schuld aan je gasten, je laat het huis staan waar het staat, je koopt een nieuwe lap grond en begint van voorafaan. Dat toekomstgerichte. Ik krijg tranen in de ogen. Maar laat ons verder gaan voor ik negatief word.
De new business manager vertelt dat het allemaal draait om content. Hij laat een betekenisvolle stilte vallen. Op dat moment besluit een stukje van de content die mijn mobieltje rijk is dat de akoestiek van de Grijze Zaal van de Oosterpoort maar `ns getest moet worden. `A.M. 180, Grandaddy`, beantwoord ik 100 vragende blikken. Terwijl ik de zaal verlaat, vraag ik me af of ik de of een lul ben.
De code in Groningen (1): Joe Paailer en de collega die altijd werkt
De eerste avond op de grote driedaagse nieuwjaarsreceptie van de verzamelde muziekindustrie. Een analyse.
1. Wanneer ik Huize Maas binnenloop, zie ik dat er Jupiler getapt wordt. Net als in Humphrey`s daarstraks. En De Beurs daarna. Tot zover mijn voornemen om het op de eerste avond rustig aan te doen. Twee jaar geleden was Jupiler in Nederland enkel te verkrijgen via een ondergronds netwerk van Oezbeken met donkere ogen en fijne, dunne snorretjes die het risico wel wilden nemen omdat ze toch niks meer te verliezen hadden. Het was, kortom, niet in de reguliere handel verkrijgbaar en er werd in kringen waar Belgische ex-pats vertoeven over gesproken als betrof het de Heilige Graal. We hoorden de verhalen van zij die teruggekeerd waren en `s nachts konden we de slaap niet vatten van opwinding en heimwee. Maar nu is Jupiler overal. Als een goedaardig virus dat zich de efficientie en meedogenloosheid van haar terminale collega`s heeft eigen gemaakt, verspreidt het klaterende goud van Luik zich langzaam over dit weifelende land. Eerst hun tolerantie, dan hun vrijheid van meningsuiting, en nu moet ook hun bier eraan geloven. Het is een stille revolutie, zonder propaganda. Plotseling is daar Jupiler. Kinderen springen blij op uit de schoot van hun moeder. De mannen kopen een nieuwe jurk voor hun vrouwen en zingen vrolijk een lied.
2. Er is een meisje en ze heeft een nieuw hip tijdschrift. Ze heeft wit haar dat links korter is dan rechts en ze draagt rode laarzen en vuurrode lippen en ik probeer niet aan haar navel te denken. Kortom, ik ben een beetje bang voor haar. Ik sms je als ik in Huize Maas ben, had ze gemaild. Dan zouden we een biertje drinken. Maar voor zaken wou ze graag een aparte afspraak achteraf. Ik huiver bij de gedachte en loop naar de bar achteraan in de zaal. Sms. `Ik sta bij de boxen links vooraan.` Mooi, voorlopig gaat alles naar wens. Zouden er eigenlijk nog mensen zijn die een ontvangstbevestiging opvragen voor verstuurde sms-jes? Vroeger, toen smsen nog dat exotische je ne sais quoi had, kon je je mobiel zo instellen dat je na het versturen van een sms, een berichtje ontving wanneer de ontvanger jouw sms geopend had. Zoals dat ook met email kan. Nee, dat is vast nog niet lang genoeg geleden om alweer in te zijn, stel ik mezelf gerust. Of zou het? Mijn mobiel trilt in mijn broekzak. Zij is het. Ik bedenk dat het wel erg lawaaierig is hier en dat ik vast mijn trilfunctie vergeten aan te zetten was. Ja, dat kan. Voorlopig gaat alles volgens plan. Maar hoe lang nog voordat je via gps op je mobiel kan zien waar iemand is? Wil ik nog zo lang leven?
3. Kijk, daar is de collega die altijd werkt. U kent hem vast wel. Hij heeft een biertje in de hand, zijn streepjeshemd hangt uit zijn broek en hij bedenkt een marketingplan. Kijk, daar is de collega die altijd werkt. Zijn ogen hangen onder zijn wallen, hij wiebelt van het ene been op het andere en vraagt zich af of wij de content generating consumer niet uit het oog verliezen. Kijk, daar is de collega die altijd werkt. Hij staat op het podium, zingt `Every Breath You Take` en knipoogt naar de receptioniste. Kijk, daar is de collega die altijd werkt. Slierten bier hangen in zijn haar, hij bietst je laatste peuk en oppert een theorie of drie rond contentawarenessbrandingconceptstrategiefunentertaiment.
Ik sms het meisje van het nieuw, hip tijdschrift: `Bij de bar. Nu.`
De Code On Tour
Vanaf morgen vertoeft Ivo Victoria op de officiele, drie dagen en drie nachten durende nieuwjaarsreceptie van de verzamelde Nederlandse muziekindustrie. Voor deze fijne webstek kan dat twee dingen betekenen. Ofwel krijgt u de komende dagen meerdere nieuwe afleveringen van De Code te lezen, vol spectaculair fotomateriaal van dronken popsterren en coke snuivende platenfirmabobo`s. Ofwel krijgt u de komende dagen helemaal niks te lezen wegens het feit dat Ivo Victoria keihard geconfronteerd wordt met zijn leeftijd en de fysieke beperkingen die daaruit schijnen voort te vloeien wanneer u zoals hij heel erg goed bent in `nee` zeggen behalve wanneer er drank of sigaretten in het spel zijn. Wat het ook wordt: als u mij nodig hebt, ik hou elke nacht om 00.30 spreekuur en wel hier.
Lees ook: De Code (1) en De Code (2)
Twee keer modaal
`Ik ben net boodschappen gaan doen voor de hele maand: 500 euro!`, lacht de buurvrouw ons hartelijk welkom. `Willen jullie wat drinken? Deze Chardonnay stond 5+1 in de C1000 deze week.` Wij grijnzen bewonderend. Ik probeer me te herinneren wanneer ik voor het laatst een maand van tevoren bedacht heb wat ik wil eten.
`Heeeeeerrrrrrlijke kerst gehad in Denemarken.`, mijmert de buurman. `Onderweg een hotel gevonden voor 50 euro per nacht! Voor ons drieen! Jaha te gek hoor. Vorige keer betaalden we 80 euro voor het eten alleen!` Wij knikken zonder overtuiging maar onze buurman is bereid in alles een aanmoediging te zien. Het is de blinde trots van een harde werker.
Liefje en ik nippen zuur van ons glas. `Lekker`, lieg ik. `Maar spreken jullie nu Deens of Nederlands met haar?` De buurman kijkt naar zijn dochter zoals je kijkt naar een debieltje met een hazelip. Een verwilderde mix van afgrijzen en opwinding in zijn ogen. `1100 euro per maand. Elf-hon-derd euro per maand. Als je er zo twee hebt.` Dat komt lekker binnen, denk ik. Maar dat bedoelt hij niet. `En ik heb het nochtans niet slecht hoor. Nee. Twee keer modaal. Minimaal.`
Ik schrijf een note-to-self in mijn hoofd: straks aan Liefje vragen wat modaal is; daarna afspreken dat wij het nooit worden.
Voor een schijn van een beter begrip, lees ook: De huurhuizen maken alles kapot
Bretoense Dromen (3): Dr. Drieskens en de weg naar mijn jeugd
Ik moet harder fietsen. Wat er ook gebeurt, ik moet vooral blijven trappen. Je kan wel achterom kijken, ach, kijkt niet iedereen wel `ns achterom? Maar je moet wel blijven trappen. Achter mij scheurt de aarde. Ze golft als de zee, ze brult als een leeuw. Brullend en golvend rolt ze de weg op.
Naar mijn beste vriend. Naar feesten en verboden liefdes. Als je in mijn jeugd leefde en je wou wat, dan moest je langs hier. En wanneer het tijd was, weer naar huis om de garagepoort open en dicht te slaan zodat moeder rustig kon slapen. Dan wachten tot hij zijn vader verteld had hoe het was, welterusten zei en het raam van zijn slaapkamer uit kroop, de weg op. Naar mijn eerste grote liefde, naar de training van mijn voetbalploeg, naar de tennisclub waar ik hoopte tennismeisjes te versieren. Tennismeisjes waren de shit. Maar ik was niet goed genoeg. En niet bruin genoeg. En ik dronk bier, geen ice-tea. Elke zondag naar de kerk. Met zijn vieren op de achterbank. Daarna met zijn drieen. En op het eind zat ik daar alleen totdat ook ik het begrepen had. Of totdat het meisje dat in de zijbeuk schuin tegenover ons zat het begrepen had. Toen ontging ook mij de point van het ter communie gaan. Iemand moet je de weg wijzen. Je ging naar school, je had hobby`s, je oma was blij met je. Maar het ware geluk lag ergens langs de weg. Deze weg. Een lange rechte zwarte lijn van het cafe waar ik graag kwam naar het cafe waar ik vaak kwam. En onderweg geflirt, gezoend, gelogen, bedrogen, op mijn gezicht gekregen, de trein gemist. Te voet, te fiets, te moe, te dronken, te snel, op handen en voeten.
Maar dat was toen. In de tegenovergestelde richting. Alles ging toen in de tegenovergestelde richting. Je reed altijd naar iets toe en nooit van iets weg. Elke bestemming die je koos was een van de vele opties. Alles was hoop. Een vreemde soort opwindende verwachting. Dat het daar beter zou zijn. Dat het daar allemaal, eindelijk, echt zou gaan beginnen - dus daar moesten we snel naartoe.
Maar ik fiets nergens naartoe. Ik fiets terug. En achter mij beukt de aarde en nu begint het ook nog `ns te regenen en te waaien. Ik kan me met geen mogelijkheid herinneren dat het ooit op deze weg geregend of gewaaid heeft. Deze weg ging altijd bergaf en scheen de zon niet, dan wel de maan.
Ik moet trappen, ik moet vooral blijven trappen. Ik voel korrels zand in mijn nek springen, kiezels kletteren door de spaken van mijn wielen. Ik hoor hoe auto`s achter me verdwijnen in scheuren als valleien, ik ga recht op de trappers, ik ben er bijna, ik zie de Basiliek, ik zie mijn zussen trouwen, ik zie hoe de kist van mijn vader de grond in zakt, ik voel hoe mijn achterwiel weg glijdt maar ik blijf recht, ik blijf recht, daar komt een nieuwe golf aarde, het asfalt breekt en kraakt en het richt zich op, torent metershoog boven me uit, de golf breekt en komt naar beneden maar ik schiet, net op tijd, linksaf een zijstraat in. Als ik achterom kijk, zie ik hoe de weg, mijn weg, voorbij dondert - een oorverdovende lawine van pek, steen, aarde en goud.
Ik fiets de straat verder in en bel aan. Dr. Drieskens doet open. `Dat is me nogal `ns een aardbeving daar op de Hovestraat he.`, fluit hij bewonderend tussen de tanden. `Je bent precies op tijd. Mooi zo. Woon jij nog steeds in Amsterdam? Hoe gaat het met je moeder? Ik ben gek op Amsterdam, ken je de Getto, in de Warmoestraat?` Met een melancholische blik in de ogen legt hij het afzuigpompje in mijn mond.
Lees ook:
Bretoense Dromen (1): San en de anabole stereoiden
Bretoense Dromen (2): Urbain Alpain en Le Chasseur Francais
The Sore Bottom Boys (2): The Sore Bottom Boys evolueren.
`Nog geen nieuws van Lost Boys.`, stond Polka Paultje zenuwachtig te schuifelen in de voordeur. Met zijn dunne oogjes keek hij schichtig in het rond. Een mier op pantoffels. Thuis draagt Polka Paultje pantoffels. Daar ziet hij verder geen symboliek in. Solo Loe en ik haalden de wenkbrauwen op naar elkaar. Solo Loe had geheel volgens afspraak Henk Jan Smits wederom niet gebeld dus we konden gelijk beginnen.
`Als ze het roken van toeters op straat gaan verbieden, dan wil ik ook dat ze Polen die Euroshop-pilsjes drinken moeten verbieden.`, sprak Paultje terwijl hij de eerste pizza in de oven schoof. `Jongens, draai ik er nu een of straks?`, vroeg Solo Loe. Hij hing uit het raam en knipte zijn nagels bij. Dat doet Solo Loe nooit thuis. `Over gedogen gesproken: zijn jullie al `ns op zo`n gedoogde ontmoetingsplek geweest, Waasmunster Bos bijvoorbeeld?`, vroeg ik. `Nu heeft het nog charme. Maar straks gaan ze officialiseren, let maar op. Loketje, ticketje, condoomautomaatje erbij. Wel eerst blowen, dat helpt wel.` Solo Loe nam de vloeitjes. `Ach ja.`, zei Polka Paultje. `Homo`s zijn per slot van rekening ook maar gewoon hele geile hetero`s`. Daar zat wat in, vond Solo Loe, maar niet zoveel als wat hij in gedachten had voor die toeter.
`Wist je dat ik een rechtstreekse bloedlijn met het kwaad heb?`, vroeg Solo Loe aan Paultje. `De vader van mijn vader. Terwijl jouw opa schaatsen verkocht in Berendonk, probeerde de mijne Ajax van hun imago af te helpen.` Er weerklonk een mix van weemoed en teleurstelling in zijn stem. `Daarna heeft mijn schoonfamilie wel nog de Yad Vashem binnengeharkt, dus je ziet maar. Evolutie, dat is waar het allemaal naartoe gaat.` Hij monsterde een perfecte toeter tegen het licht.
`Maar goed, Polka Pietje komt dus niet, die lust geen pizza`s`, vertelde Polka Paultje zo terloops mogelijk terwijl hij de tweede pizza de oven inschoof. `Pardon?`. Solo Loe en ik schakelden als een man over op muzikale meningsverschillen-mode. `Jij hebt dus Polka Pietje gevraagd om mee te repeteren.` `Euh ja`, beefde Paultje terwijl hij met onzekere hand de pizza sneed. `Iemand mozarella op de derde? Ik dacht: wel mooi om zo`n saxofoon erbij te hebben voor Baker Street.` `Dat had jij dus zelf bedacht?`, voerde ik de druk op.
`Dus jij beschouwt jezelf als de leader of the band.`, haalde Solo Loe de wenkbrauwen naar me op. `Zo klein ben jij nochtans niet.`, beet ik verder. `Prince. James Brown. Mick Jagger. Paul Simon. Madonna. Paula Abdul. Bono. Leaders of the band zijn klein.`, verduidelijkte Solo Loe met dreigende stelligheid.` Polka Paultje bleef stokstijf staan. Zijn dunne oogjes flitsten in het rond. Een versteende mier op pantoffels met een bol deeg in de hand. Toen mompelde hij: `Benny Jolink. Benny Jolink is groot.` Volgende week repeteren we weer.
Oefenstof Sore Bottom Boys volgende repetitie
`You`ve Got A Friend` - Carole King
`Don`t Dream It`s Over` - Crowded House
Iets van `Deja Vu` - Crosby Stills Nash & Young
Uit te nodigen gastmuzikanten volgende repetitie:
- Polka Pietje
Voor een schijn van een beter begrip, lees ook: The Sore Bottom Boys (1)
Een prachtige krantendag vol onweerstaanbaar nieuws
Damn ben ik blij dat ik na drie weken lang zo duizelig als een dronken otter te hebben rondgelopen van de drukkende hoofdpijn op mijn achterhoofd, dat ik uitgerekend vandaag, op zo`n prachtige krantendag vol onweerstaanbaar nieuws, officieel besloten heb ik dat ik ziek ben en dus thuis mag blijven. Met pyama aan. En wachten met douchen tot het half vier is. Alleen mijn dokter, die is nog op vakantie. Dat moeten we in het vervolg beter met elkaar afstemmen want dat slaat natuurlijk helemaal nergens op en gelukkig maar want het zal maar `ns op mijn achterhoofd slaan, dat kan mijn achterhoofd er momenteel helemaal niet bij hebben.
In Nederland verzinnen ze vervolgens dat je een waarnemende dokter hebt die je gewone dokter vervangt. Een wrede theorie. Mijn eigen dokter mag ik enkel `s ochtends tussen 8 en 9 bellen voor een afspraak op dezelfde dag. Dat is zoals meedoen aan een telefoonspelletje. De helft van de tijd geraak je niet binnen en de andere helft van de tijd ben je helaas niet de 10e beller. En dat alles zonder de aanmoedigingen van een lekker wijf. Gestuwd door het beetje naieve hoop dat ik nog over heb uit mijn jeugd, blijf ik proberen. Een keer is het gelukt. In 1982. De Rode Duivels gingen naar het WK in Spanje en het Mortselse huis-aan-huisblad Teletip organiseerde een wedstrijd. Op woensdagmiddag, tussen 12h en 13h, kon je bellen met bondscoach Guy Thys. Wie de bondscoach te spreken kreeg, won een door alle Rode Duivels gesigneerde lederen voetbal, de befaamde Tango. Bij mijn eerste poging kreeg ik meteen Guy Thys aan de lijn. Plechtig zei ik: `Ik wil u en de Rode Duivels veel succes wensen in Spanje en ik hoop dat we wereldkampioen worden.` De bondscoach bedankte me beleefd (`Vriendelijk bedankt!`) en hing op. Een week later ontving ik een ongesigneerde lederen voetbal die we nooit fatsoenlijk opgepompt hebben gekregen. Doordat ik vergeten was mijn tactisch tip door te geven aan Guy Thys (`Let op, Jean-Marie Pfaff kan niet zwemmen en Eric Gerets zal er de dupe van worden!`), werd Belgie in de tweede ronde uitgeschakeld door Polen (3-0, 3 x de verschrikkelijke Zbigniew Boniek, einde carriere voor Theo Custers).
Mijn waarnemend dokter heet, zo bleek vandaag, Dokter Mytshik. Ja, dat voorspelde inderdaad al veel goeds, de geneeskunde gaat er naar verluidt met rasse schreden op vooruit daar in de Oekraine. Of ik vandaag op consultatie kon komen. Meewarrig gegrinik was mijn deel. `U moet twee dagen van tevoren bellen voor afspraken.`, vertelde de assistente me.`En in de namiddag voert Dokter Mytshik chirurgische ingrepen uit.`, voegde ze er niet zonder trots aan toe. Wat je al niet kan bereiken in het leven als je de juiste mensen kent. De maffia is overal. Goed dat ze daar even zonder gas zitten, straks denken ze nog dat ze zich alles kunnen permitteren.
Afin. Nederland zou er niet slecht aan doen die hele gezondheidszorg af te schaffen want veelal ben je vanzelf genezen tegen de tijd dat je adequate hulp gevonden hebt. Of dood, dat kan ook, maar gelukkig maar 1 keer.
Terzake. Jack Abramoff, de politieke lobbyist der politieke lobbyisten van Oekrainse afkomst - check het naadloze bruggetje! - gaat praten! Jackie Boy verdiende tientallen miljoenen met lobbywerk voor Indianenstammen die casino`s beheren. Veel sterker dan dat kan je je voorpagina niet openen. Maar de Volkskrant verzuimt om in het achtergrondartikel de zaak tot op het bot uit te diepen. Dat het allemaal belangrijk is voor de democratie ja dat wel en dat er koppen gaan rollen, och het zal me allemaal vreselijk aan mijn reet roesten. Maar verder geen woord meer over die roodhuiden. Ik vermoed: intimidatie door de Indianenmaffia. Het geeft je te denken. Jarenlang streden goed bedoelenden voor de belangen van deze bedreigde mensensoort en dan blijkt dat ze al die tijd al in charge waren. In hoeverre wordt de internationale politiek beinvloed door Apaches en Sioux? Moeten we 9/11 - nu we weten dat er nooit een vliegtuig in het Pentagon gevlogen is, maar wel raketten; of waren het met vuurwater opgevulde buffelhuiden? - niet fundamenteel anders gaan bekijken? Wat zijn de winstkansen - en niet te vergeten: de dresscode! - wanneer je in je favoriete Indianencasino Black Jack gaat spelen en worden oplichters gescalpeerd? De Volkskrant laat alle kansen liggen.
Nee dan Antwerpen. In Antwerpen proberen ze uit alles iets te leren. De Duitsers waren fout, ok. Maar er waren ook leermomentjes. En dus gaan ze nu gezwind van deur tot deur in de oude stijl - aufmachen! Dat zal die Vlaams Belangers zuur opbreken, goh, zie ze balen, amai. Die illegale Afrikanen waren natuurlijk ook beter naar Engeland getrokken, daar krijg je je verblijfsvergunning in ruil voor seks. Rita Verdonk, eat that.
Ik zei het al, een prachtige krantendag vol onweerstaanbaar nieuws. Jammer dat er nu even niks door mijn achterhoofd kan blijven spelen.
Bretoense Dromen (2): Urbain Alpain en Le Chasseur Francais
Moeizaam staat Urbain Alpain op om zich naar de koffiezet te reppen. Dat mag dan misschien wel een contradictio in terminis zijn, dat moeizaam opstaan en dat reppen in een, maar hij weet waarom hij het doet. Je moet uitkijken met die lui. Voor je het weet ben je te laat. 'Heb je nog steeds last van je slechte knie?', vraagt zijn broer. Sinds er in 1983 een koe op zijn slechte knie was gaan staan, was die knie niet meer zo goed. Dat had hij die koe nooit verweten, dat mocht je die beesten niet verwijten, die zijn dom. Dom maar lief, net als poezen.
Bijna bij de koffie. Schichtig kijkt Urbain Alpain om. Zijn broer neemt nog een slok van zijn glas wijn. Het glas is half leeg. Of half vol, zeggen sommige mensen, maar niet Urbain Alpain, voor dat gat laat hij zich niet meer vangen. Hij moet nu echt voortmaken of hij is te laat. Vorig jaar was hij te laat geweest. Eerst de wijn ingeschonken, gewacht tot hun glas leeg was en dan pas koffie gaan zetten. Die moest nog helemaal gezet worden. Ja, dan red je het dus niet. Daar hadden ze genadeloos gebruik van gemaakt, dat kon je ze niet verwijten, het waren geen koeien. Vandaar de pannekoeken. 'We hebben net gegeten!', zei zijn broer nog. Maar dat soort smoesjes is natuurlijk makkelijk te pareren, zelfs voor Urbain Alpain. Zijn nichtje uit Nederland maakt trouwens geen probleem van die pannekoeken, die lust ze wel. Alleen die rare Belg geeft geen krimp. Geen wijn, geen pannekoeken, die jongen voert kwaad in zijn schild. Je moet die Belgen niet vertrouwen, dat hadden ze in 1302 al ondervonden en dat was nooit veranderd. Wel altijd vriendelijk lachen en merci zeggen ja dat wel, maar je weet het gewoon nooit met die Belgen, dat is het, je weet het gewoon niet. Zouden ze het eigenlijk zelf wel weten?
Op tafel ligt Le Chasseur Francais. 'La nature vue par ceux qui la vivent.' Als er iemand de natuur leeft, dan is het Urbain Alpain wel. Tegenwoordig heeft Le Chasseur Francais ook nog een andere titel, die vlak onder de oude op de voorpagina wordt afgedrukt: www.lechasseurfrancais.com. Dat is voor mensen met een computer. Wel weer typisch dat die een eigen titel moeten hebben. Urbain Alpain heeft geen computer. Nochtans, zijn broer vindt zo'n computer een enorme vooruitgang. Maar Urbain Alpain vindt dat vooruitgang alleen maar vooruitgang is als het zichtbaar is. De nieuwe Beretta 686 White Onyx bijvoorbeeld, dat is een mooi staaltje zichtbare vooruitgang. Preciezer, lichter, dat zie je meteen. Maar wat valt er nu qua vooruitgang te zien aan een computer? Niets! En als hij er wel is, die vooruitgang, waarom houden ze hem dan verborgen voor de gewone man? Die Belg. Hij moet vooral die Belg in de gaten houden, die zit klaar. Die zit klaar zoals Van Impe in '83. Fignon was de beste, dat zag iedereen, maar Van Impe zat klaar en het was 'm nog bijna gelukt ook, sapristie wat had hij zitten vloeken op die kleine Belg. Geen wonder dat die koe zo schrok.
'We zullen er zijn tegen het begin van de middag.', had zijn broer gezegd. 'Uurtje of twee.' Dus om 11 uur had Urbain Alpain de eerste pot gezet. Want je zou het altijd zien, dat ze dan toch vroeger kwamen en dat hij dan zonder koffie had gezeten. En dan om 12 uur had hij een nieuwe pot gezet. Want op oude koffie zouden ze hem niet betrappen, ha nee, dat zou je altijd zien dat ze dan geen koffie nemen omdat hij niet vers is. En om 13 uur een derde. De wijn was het probleem niet, daar konden ze niet onderuit, dat zou hen verraden. Nee, de dag dat ze onder de wijn uit proberen te komen, moet hij zich maar 'ns flink achter de oren krabben. Maar de koffie. In de koffie zit 'm de kneep. Om 14 uur stond de vierde pot klaar. En om 15 uur kwamen ze aanzetten, net toen hij de vierde pot had weggegooid. Dat zal je altijd zien. Dus toen had hij ze, terwijl de vijfde pot liep, meegenomen naar de honden. 'Oh maar Tommy heeft een etterbal ter grootte van een tennisbal onder zijn kin hangen.', had zijn nichtje geroepen. Tja, stadsmensen. Die hond is perfect gelukkig, die mankeert niks, je zal maar 'ns voor een etterbal ter grootte van ocharme een tennisbal naar de veterinaire gaan. Hem krijgen ze niet gek.
'Zo', zegt Urbain Alpain, terwijl zijn broer en zijn nichtje hun dampende beker koffie aan de lippen zetten. 'Iemand nog een pannekoek?' Hij kijkt vervaarlijk naar de Belg. De Belg kijkt naar de klok. Die stamt uit 1874. Die is nog van Urbain Alpains moeder geweest en van haar moeder en de moeder daarvoor. Nu kijkt ook Urbain Alpain naar de klok. Hij glimlacht moe maar trots. Drieentwintig minuten op de teller. Als dat zo doorgaat breekt hij het record uit 1983.
Lees ook Bretoense Dromen (1): San en de anabole stereoiden