Bretoense Dromen (3): Dr. Drieskens en de weg naar mijn jeugd
Ik moet harder fietsen. Wat er ook gebeurt, ik moet vooral blijven trappen. Je kan wel achterom kijken, ach, kijkt niet iedereen wel `ns achterom? Maar je moet wel blijven trappen. Achter mij scheurt de aarde. Ze golft als de zee, ze brult als een leeuw. Brullend en golvend rolt ze de weg op.
Naar mijn beste vriend. Naar feesten en verboden liefdes. Als je in mijn jeugd leefde en je wou wat, dan moest je langs hier. En wanneer het tijd was, weer naar huis om de garagepoort open en dicht te slaan zodat moeder rustig kon slapen. Dan wachten tot hij zijn vader verteld had hoe het was, welterusten zei en het raam van zijn slaapkamer uit kroop, de weg op. Naar mijn eerste grote liefde, naar de training van mijn voetbalploeg, naar de tennisclub waar ik hoopte tennismeisjes te versieren. Tennismeisjes waren de shit. Maar ik was niet goed genoeg. En niet bruin genoeg. En ik dronk bier, geen ice-tea. Elke zondag naar de kerk. Met zijn vieren op de achterbank. Daarna met zijn drieen. En op het eind zat ik daar alleen totdat ook ik het begrepen had. Of totdat het meisje dat in de zijbeuk schuin tegenover ons zat het begrepen had. Toen ontging ook mij de point van het ter communie gaan. Iemand moet je de weg wijzen. Je ging naar school, je had hobby`s, je oma was blij met je. Maar het ware geluk lag ergens langs de weg. Deze weg. Een lange rechte zwarte lijn van het cafe waar ik graag kwam naar het cafe waar ik vaak kwam. En onderweg geflirt, gezoend, gelogen, bedrogen, op mijn gezicht gekregen, de trein gemist. Te voet, te fiets, te moe, te dronken, te snel, op handen en voeten.
Maar dat was toen. In de tegenovergestelde richting. Alles ging toen in de tegenovergestelde richting. Je reed altijd naar iets toe en nooit van iets weg. Elke bestemming die je koos was een van de vele opties. Alles was hoop. Een vreemde soort opwindende verwachting. Dat het daar beter zou zijn. Dat het daar allemaal, eindelijk, echt zou gaan beginnen - dus daar moesten we snel naartoe.
Maar ik fiets nergens naartoe. Ik fiets terug. En achter mij beukt de aarde en nu begint het ook nog `ns te regenen en te waaien. Ik kan me met geen mogelijkheid herinneren dat het ooit op deze weg geregend of gewaaid heeft. Deze weg ging altijd bergaf en scheen de zon niet, dan wel de maan.
Ik moet trappen, ik moet vooral blijven trappen. Ik voel korrels zand in mijn nek springen, kiezels kletteren door de spaken van mijn wielen. Ik hoor hoe auto`s achter me verdwijnen in scheuren als valleien, ik ga recht op de trappers, ik ben er bijna, ik zie de Basiliek, ik zie mijn zussen trouwen, ik zie hoe de kist van mijn vader de grond in zakt, ik voel hoe mijn achterwiel weg glijdt maar ik blijf recht, ik blijf recht, daar komt een nieuwe golf aarde, het asfalt breekt en kraakt en het richt zich op, torent metershoog boven me uit, de golf breekt en komt naar beneden maar ik schiet, net op tijd, linksaf een zijstraat in. Als ik achterom kijk, zie ik hoe de weg, mijn weg, voorbij dondert - een oorverdovende lawine van pek, steen, aarde en goud.
Ik fiets de straat verder in en bel aan. Dr. Drieskens doet open. `Dat is me nogal `ns een aardbeving daar op de Hovestraat he.`, fluit hij bewonderend tussen de tanden. `Je bent precies op tijd. Mooi zo. Woon jij nog steeds in Amsterdam? Hoe gaat het met je moeder? Ik ben gek op Amsterdam, ken je de Getto, in de Warmoestraat?` Met een melancholische blik in de ogen legt hij het afzuigpompje in mijn mond.
Lees ook:
Bretoense Dromen (1): San en de anabole stereoiden
Bretoense Dromen (2): Urbain Alpain en Le Chasseur Francais
U bent in elk geval moeilijk te volgen, heer Ivo, als u zich op uw fiets naar Dr. Drieskens begeeft. Of u hebt een hallucinerende schrik van tandartsen of u had te overdadig aan die toeter van Solo Loe gelurkt. En wat precies heeft die Hovestraat dat u er blijkbaar ook in Bretagne over droomt?
urbain alpain (URL) - 09-01-’06 14:52