Luister.

Luister, ik ga even een maandje wat anders doen en daarna kom ik op verschroeiende wijze keihard en ongelofelijk ijzersterk terug als ware ik Floyd Landis-op-speed in het kwadraat. Ok?

Gelieve u ondertussen in stilte bezig te houden.

Trading Fear.

Ik had het u naar aanleiding van de vorige keer plechtig beloofd, en we zijn nu een maand verder dus u zou moeten weten hoe laat het is: tijd voor een liedje!

Deze keer het levenslustige chanson `Trading Fear`. Zoals gewoonlijk kan u klikken om te luisteren en right klikken om neer te halen en herhaal ik voor de vorm ook nog even dat wie denkt lak te mogen hebben aan mijn auteursrechtelijke rechten moet beseffen dat ik niet zal aarzelen om desnoods de familie Evangelista in te schakelen tot ik u gevonden heb en een langzame, pijnlijke bijna-dood-ervaring bezorgd heb. Maar verder mag u dit kunstwerk natuurlijk wel gewoon op uw iPod gooien en al uw vrienden enthousiast mailen over mijn onaardse muzikale talent, dat spreekt.

Aldus: Trading Fear.

Fijne dag nog!

Niets.

Soms doe ik niets.

Het zijn periodes. Fases. Die kunnen enkele uren duren. Soms ook dagen. Dagenlang niets doen. Ik kan het.

Nou ja, niets. Toch geen dingen die door brede lagen van de bevolking begrepen worden als zijnde iets. Ik lig bijvoorbeeld op de bank. Af en toe loop ik naar de keuken en drink een glas water. Dan loop ik terug naar de bank. Of ik blijf even voor het raam staan en ik kijk naar buiten. En dan loop ik terug naar de keuken. Misschien doe ik even de koelkast open om te kijken of er iets lekker in ligt. En dan doe ik de koelkast weer dicht. En loop ik terug naar de bank. Of ik loop even naar beneden. Of naar boven. En dan weer naar de keuken. Ja, als ik er zo over nadenk, dan loop ik nogal wat af in periodes dat ik niets doe.

Al gaan wij er nu iets te makkelijk vanuit - ok, ik ga daar vanuit, u treft in deze geen schuld - dat ik alleen maar niets doe wanneer ik thuis ben. Dat is zeker niet waar. Ook op kantoor kan ik zeer goed niets doen. Uren, dagenlang. Geen probleem. Ik neem de telefoon op. Leg hem weer neer. Check mijn agenda. Kijk of er email is. Als er email is, dan open ik die email. En dan markeer ik die email als zijnde ongelezen en sluit ik die email weer. Ik loop even tot aan de koffie-automaat. Of ik rook een sigaret, buiten in de vrieskou, samen met andere mensen die heel cool zijn. En dan loop ik weer terug naar mijn bureau.

Uren, dagenlang. Moeiteloos. Gedachtenloos.

En dan, nadat ik een aantal uren of dagen niets heb gedaan, dan komt er altijd een moment dat ik ineens denk. Het is moeilijk te verklaren waarom of hoe dat komt, ik heb me verzoend met de onverklaarbaarheid van dat moment. Ik weet alleen dat het komt. Het is nog nooit niet gekomen, dus er is geen reden om aan te nemen dat het ooit een keer zal weg blijven, dat lijkt me sterk, het zou kunnen, natuurlijk, je mag niets uitsluiten, maar toch. Het komt altijd. En dan denk ik: `Verdikkie, nu zou ik toch `ns iets moeten doen.``

Vervolgens loop ik naar de Albert Heijn om boodschappen te doen. Wanneer het mijn beurt is aan de kassa, merk ik dat ik mijn portefeuille vergeten ben. Dus moet ik mijn boodschappen opzij zetten en dat hele eind terug naar huis lopen om mijn portefeuille te halen. Dat is mooi kut, ja.

Maar anderszijds. De volgende keer dat ik in de Albert Heijn kom, staan mijn boodschappen al wel gewoon klaar op mij te wachten bij de kassa. Dat zijn van die kleine dingen. Daar kan ik enorm van genieten.

I`d quit smoking if I didn`t think I`d become one of you.

Nu het nieuwe regeeraccoord de deur wijd open zet voor een algemeen rookverbod in de horeca op korte termijn, dreigen sommige rokers te capituleren en verslagen het hoofd te buigen.

Ik daarentegen.

Dus voor alle anti-rokers die denken dat de strijd gewonnen is - think again! Eens zal de nieuwe rook-Messias opstaan en het zou me niet verbazen als Hij verdacht veel zou lijken op Bill Hicks. Tot die tijd, steek ik er nog eentje op. En nog eentje. En nog eentje.

Niet gillen voor u geslagen wordt.

``IK NEEM AAN DAT DIT EEN HALTE IS???``

Haar muts strak over de oren getrokken, keek de vrouw door een gigantische hoornen bril en de gesloten tramdeur heen naar buiten. Met een hand duwde ze driftig op het groene knopje, met de andere omklemde ze stevig de steunpaal, wijdbeens voorbereid op een onverwacht manoevre. Hippe laarsjes, dacht ik nog. Soms kan je bij het Leger des Heils dus goeie zaken doen. Vast van een chickie die tijdens de laatste koopjesperiode overmoedig voor een maatje te klein had gekozen. Maar toch gul. Toch gul. Je moet zulke dingen niet te snel te vanzelfsprekend gaan vinden.

Het was een halte. Maar de tramdeurknopjes bleven flikkeren van onmacht. De conductrice besloot over te gaan tot crowd control.

``NIET GILLEN VOOR U GESLAGEN WORDT!! DE DEUREN ZIJN STUK EN MIJN KNOPJE ZIT KLEM. MAAR ALSTUBLIEFT NIET GILLEN VOOR U GESLAGEN WORDT!``, galmde haar stem door de intercom.

De vrouw zuchtte diep, liet de schouders hangen en siste net te luid: ``Ik nam enkel aan dat dit een halte was.``

``HET IS EEN HALTE. MAAR MIJN KNOPJE ZIT KLEM. IK DOE MIJN BEST.``, gilde de intercom.

``Soms is je best doen niet goed genoeg.``, kaatste de vrouw nijdig terug. Toen gingen de deuren open.

En stond ik 15 minuten later alsnog beroepshalve in Paradiso. Maar niet in het Paradiso dat u en ik kennen. Nee. Toen ik bier ging halen, gingen mensen netjes voor me opzij en - in het ongelukkige geval dat wij elkaar toch aanraakten - zeiden ze ``Excuseer``, inclusief vergoeilijkende knipoog. Bijvoorbeeld. Paradiso was vol, maar toch leek het vanavond mogelijk om met zes pils van de klapdeuren achterin tot op de eerste rij te lopen zonder bier te morsen of er brandgaatjes in je trui aan over te houden. Dus. De mannen droegen streepjeshemden. De vrouwen pronkten in strakke witte truitjes en allemaal wiegden ze met hun heupen en hielden hun rechterhand in de lucht. Allemaal. Na elk nummer volgde een stormachtig talkshow-applaus van precies 15 seconden, waarna de volgende 4 minuten middelmatigheid werden ingezet. En daar gingen weer tal van rechterhanden in de lucht en vanop het balkon keek ik lijdzaam toe hoe mensen lachten en zongen en emoties uitten zoals ze die kennen van TV.

Toen er een einde was gekomen aan weer een op mid-tempo voorbij kabbelend white soul niemendalletje, en het applaus was uitgestorven, en Mick Hucknall de microfoon aan zijn lippen zette, net op dat ene moment van stilte, dat moment van blijde verwachting en anticipatie, van spanning en hoop, zou hij `Money`s Too Tight To Mention` doen, wordt het `Holding Back The Years`, net toen slaakte een 55-jarige vrouw op de eerste rij een schril gilletje.

Ik kon het niet laten. U moet mij vergeven. Het was gewoon een van die dingen die ik moest doen. Het moest.

Daarna openden de deuren van Paradiso zich voor mij als de Rode Zee voor Moses en werd ik met een vermoeide glimlach op de lippen door twee paar gespierde armen op de Weteringschans neergezet.

En zo werd het toch nog een zinvolle avond. Soms is er niet veel voor nodig.

Danny Koevermans en de systemen tartende dag.

Ik ben een man van orde. Dat is niet waar. Ik ben geen man van orde. Ik ben een man van systemen. Ik kan leven met chaos. Zolang er maar een stringente systematiek aan ten grondslag ligt. Bepaalde dingen horen op bepaalde plaatsen. Daar geloof ik heel erg in. Alle dingen hebben een plaats. Een (1) plaats.

De bovenste lade van Liefjes 70ties design kastje in de woonkamer = opladers van mobiele telefoons & laptops en de oortjes van mijn iPod. Ik ging met de trein naar Eindhoven, ik nam mijn iPod mee en ik wilde mijn oortjes. Ze lagen er niet. Ze lagen er niet. Ze lagen er niet. Heel even was ik in de verleiding om te gaan nadenken over wanneer ik ze het laatst gebruikt had en wat ik er daarna mee gedaan had of waar ik ze dan misschien wel gelegd zou kunnen hebben. Maar ik ben een man van systemen. Ik heb die systemen bedacht om mij nooit zulke vragen te hoeven stellen. 70ties designkastje = iPod-oortjes. Dat is alles wat ik in de database van mijn brein hoef op te slaan. Dat is efficientie. 70ties designkastje = geen iPod-oortjes, geeft een onherstelbare error-melding in mijn hoofd. Het is niet onaanvaardbaar. Nee. Het is. Onwerkelijk. Het is het moment van ultieme woede en verbijstering vlak voordat iemand `Bananasplit!` roept en de verborgen camera aanwijst - alleen: niemand roept het. Het is de angst uit een droom waarin je op je buik ligt en je probeert je om te draaien maar het gaat niet, je trekt en sleurt want je wil je omdraaien maar het gaat niet het gaat niet en dan word je wakker - alleen: je wordt niet wakker.

En zo stond ik gistermiddag machteloos vloekend en tierend op en neer te springen voor het 70ties design kastje in de woonkamer terwijl Liefje aan tafel dromerig voor zich uit zat te staren. Want dat is wat zwangere vrouwen doen. Zij staren dromerig voor zich uit. Aan tafel, op de fiets, achter het stuur van de auto. Als u straks de deur uit gaat: kijk uit voor zwangere vrouwen.

Maar ik moest mijn trein halen en dus drukte ik met een uiterste inspanning de ctrl-alt-delete-toetsen van mijn hersenen in en snelde iPod-oortjesloos naar de tram die ik net miste en dus nam ik de volgende, die na 200 meter moest stoppen voor een brug die open stond en nu hou ik ontzettend veel van water, maar niet van boten die te hoog zijn voor een brug, had je daar niet aan kunnen denken toen je die boot bouwde, lul, en toen stapte bij het Muziekgebouw een donkere jongen op die naast me ging zitten en hij had van die kekke Sennheiser-oortjes in die ik ook heb, die ik ook heb, ja, maar die zich nu in een parallel universum systeemloos door de ruimte voort bewogen en ik dacht bij de volgende halte ruk ik die oortjes van je kop en loop hard weg, dan weet je ook `ns hoe dat voelt want dat is hoe politically uncorrect ik kan worden wanneer er met mijn systeem gefokt wordt. En natuurlijk deed ik dat niet, natuurlijk deed ik dat niet maar ik kwam wel mooi net te laat op Centraal Station aan om nog tijd te hebben om in de Free Record Shop nieuwe oortjes te kopen en dus moest ik dat heel pokke eind naar Eindhoven doorbrengen in een oorverdovende stilte en ik haat oorverdovende stiltes, zeker als die oorverdovende stiltes bestaan uit het onregelmatige denderen van een treinwagon over de rails, het gekrijs van een hongerige baby en het geschrans van een dikke Amerikaanse toerist tegenover me. Die een petje droeg met daarop `KFC Goe`, hetgeen heel bijzonder is, toch voor een Amerikaanse toerist. Toen kwam ik aan in Eindhoven en terwijl ik met een biertje in de hand de opwarming gade sloeg, zei iemand dat het 25 jaar geleden was dat AZ nog `ns wist te winnen bij PSV.

Eigenlijk had ik het toen moeten weten. Eigenlijk wist ik het toen. Dat dit zo`n dag was. Zo`n systemen tartende dag. Zo`n eens-in-de-25-jaar-dag. Ik knikte naar Solo Loe dat we maar `ns onze stoelen moesten opzoeken. De scheidsrechter floot, wij schudden elkaar de hand en bezworen elkaar dat we ervoor zouden gaan, dat we negentig minuten lang zouden schreeuwen & roepen & tieren in dienst van het team. Dat deden we. Mijn God, wat deden we dat goed, wat waren wij goed, goed en machteloos, maar goed. Dan kwam De Corner. Ik zag Danny Koevermans klaar staan bij de penaltystip. Ik zou gezworen hebben, het kon niet waar zijn, maar ik vernauwde mijn ogen en ik zou gezworen hebben, ik zweer je, dat ik mijn iPod-oortjes zag zitten in de oren van Danny Koevermans. In gedachten hoorde ik hoe een stem uit een parallel universum Danny in de oren fluisterde dat het om de afvallende bal ging, Danny, het gaat om de afvallende bal. Ik zat veel te ver om het te kunnen zien maar toch zag ik het, hoe Danny Koevermans zijn hoofd lichtjes schuin hield en aandachtig luisterde, hoe hij daarna twee stappen achteruit zette, hoe de bal afviel.

Nog voor de netten trilden, boog ik mijn hoofd en keek naar mijn schoenen en een leeg bekertje Bavaria.

Toen werd alles stil.

Het is een wedstrijd.

Het gaat beter.

Het gaat beter en ik heb koffie.

Het gaat beter en ik heb koffie en ik mag weer trots zijn op mijn land. Het is een wedstrijd, zou je denken. Jullie een filmpje van een stervende man? Ha! Wij hebben een koppel dat niet voor een zwarte schepen wil trouwen. Daarzie! Eat that, fokking amateurs! We zien hem niet eens echt doodgaan, kijk, op de beelden leeft hij nog een beetje, pffffff!

Je zou denken dat het een keer ophield. Maar nee, zelfs het licht uit doen is teveel gevraagd.

En nog even over dat wegenvignet. Beste Nederlanders. Stop whining. Koop massaal een wegenvignet. Ga naar Belgie. Zuip, bral, koop Bikkembergs-rip-offs, parkeer dubbel, schreeuw, bulderlach, draag in groten getale een t-shirt bedrukt met dezelfde, het groepsgevoel versterkende, slogan en pik de beste tafels van onze mooiste restaurants in. Wees, kortom, uzelf. Binnen de korste keren zullen de Belgen besluiten u te betalen om weg te blijven. Maar op dit moment speelt u ze alleen maar in de kaart. Geloof mij. Het is een plan. Onderschat ze niet. Dat zullen ze zelf wel doen.

Maar goed. Ik wil u niet misleiden. Want het gaat dus beter. Absoluut.

Mooi.

Dus. Dat hebben we dan vast gehad. Mijn Twitter staat fier te pronken in de sidebar en de post hieronder laat ik voor de vorm dan nog wat staan enzo ach je weet hoe het gaat.

En verder. Verder heb ik ab-so-luut niks te melden. Want ik ben moe. En ik heb een beetje hoofdpijn. Wellicht later. Of niet. Wie zal het zeggen? Ik alleszins niet. Te moe. Chagrijnig ook. Ja, dat is het meer, hoofdpijn van chagrijn. Maar hey, het is hier geen dagboek. Ok? Geen.