Succes ermee.
Vanochtend was ik in de Bijenkorf. Voor me op de roltrap stonden twee meisjes, waarvan 1 bloedmooi.
Toen zei de bloedmooie tegen de andere: `Tja, nou ja, hij wil me een ring geven.`
De andere antwoordde: `Een ring?`
Waarop de bloedmooie: `Ja, een ring. Hij wil me wat vragen of zo. Pffff.`
Ze zuchtte heel diep en het andere meisje zuchtte heel diep met haar mee.
Er zijn, kortom, ook mannen wie een ongelofelijk kut begin van 2008 wacht. Maar mij niet. En u ook niet, vast. Maak er een fijne avond van. En daarna een jaar.
Het moet kunnen.
Goede raad heeft nog een lange weg te gaan.
Sinds ik bekend gemaakt heb dat ik in 2008 ga freelancen, word ik bedolven onder goede raad. Mensen zijn met slechts weinig dingen zo kwistig als met goede raad. Op het lichtzinnige af. Als wij de wereld een betere plek konden maken met het kwistig verstrekken van goede raad, dan zou het in een rotvaart voor mekaar zijn. En hadden we dat debiele glazen huis niet nodig. Ik beschouw het als een verwoestende nederlaag voor de Westerse beschaving dat zij niets beters kan verzinnen om de schade die zij de wereld heeft toegebracht te herstellen dan 7 dagen lang nog slechtere radio maken dan in de rest van het jaar. Het zou niet mogen zijn, maar goede raad heeft nog een lange weg te gaan.
Desalniettemin raden mensen mij vanalles aan. Accountants, bureaustoelen, laptops, flexibele werktijden, Google Docs en sommigen - wij noemen ze per heden voor het gemak gekken - raden mij het openbaar vervoer aan.
Een tip steekt met kop en schouder boven de anderen uit als ware het Lance Armstrong in zijn beste dagen: ordners. Iedereen zegt: `Koop ordners`. Of anders zeggen ze: `Ga je voor jezelf beginnen? Oh, dan moet je ordners kopen enzo, spannend man.` Of ze kleden hun goede raad in als ervaringsdeskundigheid: `Toen ik voor mezelf begon, heb ik meteen een goed stel ordners gekocht.` Kortom, er zijn verschillende formuleringen maar ze komen allen op hetzelfde neer. Ik moet ordners kopen.
Ik wist niet wat ordners waren. Dat begon goed. Ik durfde het ook niet te vragen. Voordat ik besliste om voor mezelf te beginnen, heb ik ruim 12 maanden lang nagedacht, uitgebreid marktonderzoek gepleegd, een business plan geschreven, diverse accountants gesproken, naar schatting 57 keer aan Liefje gevraagd of ze het goed vond om onze status van onbezorgd consumerend yupmanschap op het spel te zetten ter meerdere eer en glorie van mijn persoonlijke ontwikkeling. Maar ik had verzuimd ordners aan te schaffen, laat staan de noodzaak ervan te analyseren en te erkennen. Het idee dat ik voor mezelf ging beginnen zonder te weten wat ordners waren, werd alras ondraaglijk.
Tegelijkertijd wilde ik het niet opzoeken. Ik was nog niet eens begonnen en ik zou al moeten toegeven dat ik het verkeerd deed - dat ging me te ver.
Momenteel verblijf ik in Bretagne. Het is traditie om daar te verblijven in deze tijd van het jaar. Bretagne is mooi, woest en aangenaam saai. Een mens komt er tot rust. Evenwel, de vraag wat ordners dan wel niet waren, bleef de voorbije dagen aan mij knagen. Afwezig onderging ik de tafelgesprekken. Een keer veerde ik op toen ik dacht dat ze het over ordners hadden, maar het ging over Sarkozy. Wanneer men `Sarkozy` snel, slecht articulerend en met Bretoense tongval uitspreekt, klinkt het als `ordner`. Serieus. Beleefd simuleerde ik vreugde bij het in ontvangst nemen van de kerstkado`s maar in mijn hoofd spookte de vraag: heb ik van iemand ordners gekregen? Toen ook de afdronk van een St. Julien uit 1999 eronder ging lijden, vond ik het welletjes. Zowel mijn wilskracht als mijn incasseringsvermogen zijn in brede kring bekend, zoniet legendarisch. Maar bij de afdronk van een St. Julien uit 1999 trek ik de grens. Ik tikte `ordners` in in Google Afbeeldingen.
Blijken het fokking ringmappen te zijn. Ordners zijn gewoon ringmappen. Mijn hele kantoor staat vol met fokking ringmappen. Stelletjes eikels.
Kijk, nu doe ik het weer.
Ja, ik laat al `ns graag wat lichtvoetige filosofische bespiegelingen over ons aardse bestaan de vrije loop. Dat klopt. Niet dat er belang aan gehecht dient te worden. Dat dient er niet. Het houdt me bezig. Voila. Is dat uiteindelijk niet waarvoor het leven bedoeld is: om ons bezig te houden? Kijk, nu doe ik het weer.
Dat neemt niet weg dat er wel degelijk bepaalde zaken van existentieel belang zijn en met stip op nummer 1 staat: mijn haar. Ok. Liefje vindt dat mijn haar altijd goed zit. Mijn haar zit niet altijd goed. Vaak wel, let op, we moeten het zeggen zoals het is: meestal ziet het er gewoon erg goed uit. Maar niet altijd. Dat valt statistisch gezien niet te onderbouwen. Dus aan Liefje heb ik niks.
Het is half acht. Ik sta voor de spiegel. Mijn haar is, we moeten een kat een kat noemen, een drama. Niet goed. Ik moet naar de C1000. Die gaat om acht uur dicht. Ik ga echt niet naar de C1000 met dit haar. Ik bedoel: Froukje de Both woont bij ons om de hoek. Wat te doen.
Douchen? De zaak van nul wederopbouwen? Idioot. Douchen en je haar doen, dat kost meer dan een half uur, dat weet het kleinste kind. Ok. Een muts of een pet? Jaha, iedereen draagt tegenwoordig mutsen en vooral petten. Jezus, wat is dat met die petten tegenwoordig en zit er ook echt iemand van die lui op honkbal - ik dacht het niet. Ok. Corrigerende maatregelen. Extra gel. Extra wax. De zwaarst gehavende gebieden bevochtigen en zo goed en zo kwaad als het kan renoveren. Ik weet het niet. Ik weet het niet en ik panikeer. Er ontstaat een gevoel van diepe woede en onmacht. Ik frunnik wild in mijn haar, ik grom, ik zucht, ik boek geen resultaat. Ik vraag het aan Liefje. Ze lacht en ze zegt dat mijn haar goed zit. Ik heb werkelijk waar geen flauw idee wat ik ooit in dat mens gezien heb. Hallo, vrouw, ik heb een probleem hier. Liefje blijft gewoon lachen. Ik loop naar de wc. Ik loop naar de badkamer. Het heeft wellicht met de lichtinval te maken. Hoe zit dat in de C1000? Werken die TL`s voor me of wat?
Ik trek mijn jas aan. Kwart voor acht. Ik kijk in de spiegel bij de voordeur. Mensen. Dit kan echt niet. Bij de trap kijkt Liefje geamuseerd toe. Lekker constructief, bitch. Ik zucht. Ik gooi mijn armen in de lucht en laat ze hard op mijn heupen neerkomen. Ik vraag of we nog pizza in de diepvries hebben.
Liefje kijkt alsof ik gevraagd heb de auto achteruit in te parkeren. Huh? Pizza? Diepvries? Wij? Ze weet precies wat ik bedoel. Liefje, mijn lief. Serieus. Is er nog pizza in de diepvries. Liefje gebaart van krommenaas.
Vrouw! Is er nog pizza in de diepvries! Ik wil het NU weten! Pizza! In de diepvries! Ja! Of! Nee!
Liefje knikt. Er is nog pizza in de diepvries.
Ik doe mijn jas uit. Dat was godverdomme op het nippertje.
Al vroeg te laat.
Vanochtend liep ik om kwart over zeven de deur uit. Het was stil en donker. Nou. Niet echt donker. Die verdomde straatlantaarns. Men heeft ons het donker afgenomen. In Afrika! Daar! Daar hebben ze niet alleen honger, maar daar weten ze ook nog wat echt donker is. Het is niet al kommer en kwel.
Het was dus stil en een Westerse variant van donker. Nou ja, stil. Echte stilte hoor je bijna nergens meer. Zelfs in Afrika is er altijd wel een krekel te vinden. Dus dat liet ik maar zo. Het was stil en een Westerse variant van donker. Goed.
Het IJ lag er blinkend bij. Ik zou zeggen: als een spiegel. Maar dat wordt zo vaak gezegd. Dat een groot wateroppervlak erbij ligt als een spiegel. Terwijl dat helemaal niet kan. Want een spiegel is glad en water danst en kabbelt. Dus ok. Het IJ lag erbij als een dronken spiegel.
Ik liep er een tijdje langs. Ik loop graag langs water en in Nederland is er veel van dus voorlopig ga ik hier nog niet weg. En al helemaal niet terug. Ik geloof niet dat het verstandig is om terug te gaan. In het leven moet je steeds verder. Terugkijken mag wel. Sterker nog, het is een van mijn favoriete bezigheden, met name wanneer ik langs water loop. Dus ik liep langs het water en ik keek terug en ik vroeg me af hoe het verder zou gaan. Na een minuut of tien was ik eruit.
Tevreden stak ik binnendoor naar het Rietlandpark en stapte op de tram. Ik keek om me heen en stelde verschrikt vast: ik zit met fokking schoolgaande jeugd op de tram. Ik dacht dat ik vanochtend te vroeg de deur uit ging. Maar ik was dus blijkbaar net te laat.
Het perfecte ontbijt en haar natuurlijke verlengstuk: uier.
Je hebt zeven minuten nodig om de croissant af te bakken. Op die tijd kan je prima een heerlijk eitje met spek bakken. Ten minste, als je voorverwarmt. Er zijn mensen die een pan op het vuur zetten en zomaar het spek en het ei erin kwakken, zonder boter. En dan lijdzaam toezien hoe het ei en het spek gelijk met de pan langzaam opwarmen tot een soort van uitgedroogde, vastgekoekte brei waar geen mens wijs uit wordt. Ik zeg: bak dan geen ei. Je bent het niet waard. Idem dito voor croissants. Je moet de oven en de pan voorverwarmen. Voorverwarmen is key.
Zijn pan en oven heet? Doe dan de croissant in de oven. Meteen daarna doe je net te veel boter in de pan. Niet zoveel dat je later de helft weer moet afgieten, maar wel zoveel dat je straks het perfecte ei met spek van de pan in je bord kan laten glijden zonder met zo`n schepdinges te moeten klooien want dat ziet er gewoon niet uit. Net te veel boter is bijna zo key als voorverwarmen. Dan het spek lekker knapperig bakken. En op minuut min twee op de schaal van croissant-klaar, doe je het eitje erin. Twee minuten later kunnen croissant en ei simultaan het bord op. Het lijkt eenvoudig, maar ervaring leert dat het weinigen gegeven is. Koud ei, warme croissant. Koude croissant, warm ei. Half gebakken ei, aangebrandde croissant. Een falend ontbijt kan zich in eindeloze variaties openbaren. Er zijn mensen die dat accepteren. Vermogen tot acceptatie is in vele gevallen des levens een kwaliteit. Niet wat het ontbijt betreft, niet voor mij. Ik ben een purist.
Bonus. Het eitje en de croissant zijn verorberd maar de honger nog niet gestild. Het kan gebeuren. De pan staat op tafel. Er is nog wat vet in de pan, want ja, je hebt er net te veel boter ingedaan, remember? Volg nu zonder nadenken de volgende instructies op: leg een boterham in de pan. Goed soppen. Haal hem eruit. Doe er vet veel bruine suiker op. Opeten met mes en vork. Good heaven.
Oh, maar wacht. Ja, natuurlijk. Man! Man, man, man! Uier.
In deze tijd van het jaar is het aanbevolen om een Antwerpse kwaliteitsslager te bezoeken. Antwerpen is niet alleen, maar in mijn perceptie toch vooral de bakermat van de gebakken uier. Rij naar Antwerpen, koop uier. Met name in deze tijd van het jaar. Ga niet naar Brussel of Leuven. Mijdt Gent. Men kent er geen gebakken uier. Antwerpen. Uier. Man, man, man.
Een goed slager zal u, nadat u uier besteld hebt, respectvol benaderen. En dan vragen of het voor tussen de boterham is, of om te bakken. U kiest bakken, indien u het versverworven respect van de slager niet gratuit op het spel wenst te zetten. Maar wat u eigenlijk zal doen is: bakken en dan tussen de boterham leggen en opeten.
Er zijn mensen die mij niet geloven, die het niet kunnen bevatten, dat van die uier. Dat zijn dezelfde mensen die pan en oven niet voorverwarmen bij het bereiden van het perfecte ontbijt.
Negeer deze mensen.