De vonkende vuurkorf.
Het was een tijd geleden, de zomer worstelde met een identiteitcrisis en wij stonden te rillen rond een vuurkorf.
Het ging over seks. Er werden seksmoppen verteld. Er werd in bedekte termen gelachen om genante seksuele situaties.
Dat houdt zo’n vuurkorf wel aan de praat.
We kwamen allemaal aan de beurt. Het ging over opknappers en afknappers. Gemiste kansen, verslappende aandacht, benarde posities – kortom, het leven zelf.
Toen zei iemand ‘Jaja.’
‘Jaja’, zeiden wij.
‘Jaja’, zei die iemand.
‘Ja?’, zeiden wij.
Het was duidelijk dat er een anekdote zat aan te komen maar dat er nog enige drempelvrees overwonnen diende te worden. Wij keken geduldig in de vuurkorf.
‘Jaja’ zei die iemand.
‘Ja’, zeiden wij.
‘Want’, zei die iemand.
Waarop wij allen verwachtingsvol opkeken.
‘Want. Als het er bij ons thuis hard aan toe gaat, nou, dan gaat er ook plastic over de zetels.’
Toen keken wij allemaal weer heel hard in de vuurkorf.
Vroeger werd er ten minste nog werk van gemaakt.
Vorige week had Lola Victoria fotodag op de crêche. En dan krijg je dit:

Vroeger werd daar ten minste nog werk van gemaakt!

Vreugde is een bitch.
De laatste man en de keeper stoomden op tot aan de middenlijn. Achter hen lonkte een leeg doel. De stand was 2-2. Tien seconden op de klok.
Ik dacht: ik ga doorjagen. Ik weet niet waarom. Het is niet mijn stijl, doorjagen. Ik ben meer het type dat aan het doel staat te wachten tot iemand hem een intikkertje aanbiedt. Het type Makaay, zeg maar. Al refereer ik, hardcore Belg zijnde, liever aan de legendarische Erwin Van den Bergh. Zo’n type dus. Nou ja. Niet helemaal. Eerder Roy Makaay meets Erwin Van den Bergh maar dan met een snuifje Luc Nilis, een wolkje Romario, een scheutje Willy van der Kuylen, een onsje Eric Gerets, een ieniemienie drupje Berry van Aerle, een flinke slok van Nistelrooy en niet te vergeten: de fluwelen linkervoet van de beste onbekende Nederlandse voetballer van de tweede helft van de jaren ’80: Frans van Rooij. Zo’n type ben ik. Ongeveer.
De keeper legde de bal breed op de laatste man. Ik dacht: wtf, nog 10 seconden, ik jaag effe door. Dus ik joeg door. Daar had de laatste man duidelijk niet op gerekend – en terecht – maar het gebeurde, het ondenkbare, tot zijn schrik, alsof de hemel op hem viel.
En in wat Johan Cruijff zou omschrijven als een klassiek oeh-ah-moment (de bal klemde tussen onze beide rechtervoeten en dreigde – oeh! – over mijn wreef heen te wippen totdat ik hem met een uiterste krachtinspanning – ah! – onverwachts in mijn voordeel via zijn scheenbeen wegduwde) ontfutselde ik de bal. Nou ja. Onfutselde. De bal was weliswaar niet meer in het bezit van de laatste man maar ook nog niet in het mijne. Tergend langzaam dreigde hij over de zijlijn heen te gaan rollen. Terwijl een onzichtbare kracht het bloed uit onze kuitspieren zoog, sleurden en trokken de laatste man en ik elkaar tot bij de bal alwaar ik erin slaagde hem met een wel zeer onzaalvoetbalachtige sliding een fractie van een seconde eerder te raken.
Daar lagen wij, de laatste man en ik. Samen keken we een bal na die over een afstand van zo’n 20 meter in de richting van het lege doel zweefde, recht op de linkerpaal van het doel afstevende, een half metertje boven de grond, totdat een speling van het lot hem dat laatste zwiepertje (is dat een woord?) gaf waardoor hij alsnog de paal ontweek en tegen de netten sloeg.
Ik keek op en zag hoe de laatste acht tienden van de laatste seconde wegtikten op het elektronische scorebord. Enkele eeuwigdurende milliseconden lang was het verpletterend stil in een sportzaal aan het eind van een wedstrijd zaalvoetbal van bedenkelijk niveau tussen twee derdeklassers in een zevenderangs competitie op de campus van een universiteit in Amsterdam.
Meteen daarna evenwel, barstte er een verpletterend gejuich los en zag ik mezelf met gebalde vuisten richting mijn ploegmaats lopen. En toen gebeurde het.
Ik ervoer vreugde.
Het was een akelige vreugde, met een ongepaste intensiteit, het was een oerknal van geluk, zonder reserve, zonder nijd, het soort van vreugde dat alleen maar gevolgd kan worden door spijt.
En terwijl heet water in harde stralen op me neersloeg, vroeg ik me af wanneer ik voor het laatst zo blij was geweest. Ik kon niet meteen een moment verzinnen. Een geboorte, een huwelijk, een overwinning op tragisch onrecht na jaren. Dát waren momenten die zo’n vreugde rechtvaardigden, dat was zeker, maar vreugde is niet rechtvaardig, zo bleek, ze kiest zelf haar momenten, niet gehinderd door enige mate van redelijkheid of proportie. Vreugde is een bitch.
Het was schaamtelijk. Ik dacht aan de geboorte van Lola Victoria. Ik overwoog het moment toen ik besefte dat Liefje mijn liefje was. Was ik toen zo blij? Het was mogelijk. Maar ik durfde het niet zeker zeggen. Maar het was mogelijk.
En aan die mogelijkheid klamp ik mij vast.
Ik ben een soort van Hulk.
Om de weerstand ten opzichte van mijn eigen persoonlijke interpretatie van de dress code te pareren, had ik een hele reek excuses klaar, gaande van 'relatief gezien, in verhouding tot hoe ik er normaal gezien bij loop, is dit black tie' tot 'potvolkoffie, er zijn hier meer obers dan klanten!'
Maar niemand zei wat. Ik werd gewoon genegeerd. Het is een vorm van beledigen waartegen geen verzet mogelijk is, anders dan opdringerig te worden.
En zo stond ik voor ik het wist gespecialiseerde kennis te simuleren tegenover het hoofd sponsoring van een vooralsnog grote bank, dwong ik boudweg een uitnodiging af voor een think thank over collaborative innovation, en raakte iemand geïrriteerd omdat ik hem niet herkende terwijl ik hem nog maar een paar jaar geleden had dwars gezeten. Zodat ik niet anders kon dan brutaal uit te wijken naar de mooiste vrouw binnen strompelafstand. Die bleek een kinderkunstatelier uit de grond aan het stampen te zijn en reken maar dat ik erin slaagde een dwarsverband te vinden.
Tot slot zei een jongen: 'Weet je, ik krijg echt kippenvel van wat je nu zegt' en oh, als ik me eens kon herinneren wat ik zei. Dat heb ik wel vaker. Dan ben ik briljant en ga ik tegelijkertijd veel bier drinken. Het is een vorm van multi-tasken die mij wellicht al fortuinen heeft gekost.
Ik weet niet wat het is, maar zo’n professioneel samenzijn haalt iets in mij naar boven dat in het dagelijkse leven veilig opgeborgen blijft. Onweerstaanbaar barst het netwerkbeest in mij los, scheurt me de kleren van het lijf, breekt mijn huid open en dendert brullend over alles en iedereen heen. Een beetje zoals de Hulk. Ja, dat is het. Ik ben de Hulk der netwerkers. Maar in plaats van groen te zijn, draag ik een kostuum dat ik ooit gekocht heb voor de begrafenis van mijn vader. Misschien komt ze daarvandaan, die kracht.
Nou, nou, nou. Dat is een wel heel sentimentele, komt-dat-even-compleet-uit-de-lucht-vallen conclusie van een stukje waarvan ik verder ook niet zo goed zou weten wat u eraan hebt.
Snail spam.
Een van de redenen waarom wij spam mail haten, is omdat wij vergeten zijn hoe irritant spam per gewone, old school, post was. Wij dachten immers dat een sticker op onze brievenbus volstond om dit kwaad voor eeuwig uit ons leven te verdrijven.
Maar als de dag gekomen is dat je jezelf moet inschrijven bij de Kamer van Koophandel dan blijkt al snel dat je leven te lang is om er iets eeuwig uit te kunnen verdrijven.
Het businessmodel van de Kamer van Koophandel bestaat erin om jouw gegevens te verkopen aan iedere idioot die een diploma boekhouding of een winkel in kantoorbenodigdheden heeft en, zo te oordelen aan mijn brievenbus de laatste tijd: dat zijn heel veel idioten en ze laten regenwoud na regenwoud in rook opgaan om mij ervan te overtuigen dat ik nooit ofte nimmer indruk zal maken op mijn klanten TENZIJ ik nu 1000 pennen aanschaf waarop mijn bedrijfsgegevens gegraveerd staan.
Vreemd genoeg heeft nog niemand mij aangeboden om mijn bedrijfsgegevens in mijn piemel te laten graveren. Maar dat is vast een kwestie van veel minder tijd dan ik wil.
Goeie deal (tris).
Ik liet mijn energie lezen in ruil voor een stukje, weet u nog? Welnu, dit is (een stuk van) dat stukje.
Tijdens de sessie vraagt Joost Brummelkamp regelmatig naar mijn naam.
‘Ivo Victoria’, zeg ik.
‘Hallo, Ivo’, zegt Joost dan. Hij sluit de ogen en concentreert zich. Achter zijn gesloten oogleden zie ik zijn oogbollen bewegen alsof hij mij in gedachten scant. En waarschijnlijk is dat ook zo.
Ik heb geen idee wat ik mag verwachten. Ik heb nooit eerder mijn energie laten lezen, noch heb ik ooit mijn toekomst in handen van tarotkaarten gegeven, heb ik beslissingen genomen op basis van mijn horoscoop of ben ik ooit naar een show van Rasti Rostelli geweest. Et voilà, door alleen al die namen en praktijken te noemen doe ik Joost Brummelkamp een grote onrechtvaardigheid aan.
Joost voorspelt niks. Hij adviseert niks. Hij belooft niks. Hij vraagt niks. Hij vertelt alleen maar wat hij ziet.
Het begint met een roosreading.
Leest u vooral verder op de site van Joost Brummelkamp.
Fortis-personeel maakt vlekkeloze overstap naar ambtenarenstatuut.
Inkomende email Fortisbank:
“Geachte Heer Victoria, wij hebben het formulier blablabla nog niet terug ontvangen. Wilt u het ons alsnog bezorgen blablabla.”
Uitgaande email Ivo Victora:
“Geachte Heer Fortisbank, ik verwijs u door naar de Heer blablabla die gemachtigd is het formulier te ondertekenen. Bij deze zet ik de Heer blablabla op deze email in cc.”
Inkomende email Fortisbank:
“Geachte Heer Victoria, dank hiervoor. Kan u ons dan het emailadres van de Heer blablabla doorgeven?”
Uitgaande email Ivo Victoria:
“Geachte Heer Fortisbank, het emailadres van de Heer blablabla staat in cc.”
Inkomende email Fortisbank:
“Geachte Heer Victoria, wat bedoelt u met cc?”