Een zinloos potje zelfreflectie met snoeihard boemerangeffect.
‘Maar je moet toch toegeven dat het goed in zijn genre is?’.
Dat was Solo Loe's allerlaatste poging om mij ervan te overtuigen dat de nieuwe Metallica fantastisch is nadat het opendraaien van de volumeknop daarin jammerlijk gefaald had.
Maar ik ben er klaar mee. Met iets in zijn genre goed vinden. Sinds ik de muziekindustrie min of meer verlaten heb, is ook de professionele verplichting om dingen ‘goed in hun genre’ te vinden van mij afgevallen als een rugzak vol lood na een steile bergklim. Net zoals de gène om gratis te downloaden – maar dat is een ander verhaal.
Iets goed in zijn genre vinden. Iets ‘goed gedaan’ vinden. Iets ‘niet slecht voor een debuut’ vinden. Iets ‘kwalitatief oké’ vinden. (Of erger nog: iets ’kwalitatief’ tout court vinden – wtf?!) Het zijn slappe excuses om middelmaat goed te praten.
Je vindt het mooi, opwindend, ontroerend of sexy. Of niet. In zijn genre telt niet.
Ik realiseer me dat dit ook geldt voor de wondere wereld der literatuur.
Niet één lezer is geïnteresseerd in het feit of het boek dat hij/zij leest een debuut is, dan wel het 13e boek uit een oeuvre. Het is een goed boek. Een mooi, ontroerend, pakkend, opwindend, spannend, verrassend of magisch boek. Of niet. Al de rest is flauwekul.
Zo. Dit stukje dreigt uit te monden in een zinloos potje zelfreflectie met snoeihard boemerangeffect.
De nieuwe Metallica is fantastisch.
Seks is de oplossing. Wellicht.
Ik ben vaak droevig gestemd. Niet omdat ik zorgen heb of ongelukkig ben. Ik heb geen zorgen nodig om droevig te zijn – noem het een talent.
Ik ben droevig omdat ik moe ben. Dat is wat moe zijn met me doet: het stemt me droevig.
Ik ben me zeer bewust van dit effect. Ik weet dat ik niet aan werk, de hypotheek, de zin van het leven of PSV mag denken als ik moe ben. In vermoeide toestand ben ik een onuitputtelijke bron van doemscenario’s.
Dus slof ik, gedachteloos en triest, door de gangen van mijn huis. Ik zet koffie. Ik rook. Ik ga voor de spiegel staan. Kijk mezelf een kwartier recht in de ogen. Word ik ook niet vrolijk van.
Uiteindelijk ga ik voor de computer zitten en klik een uur of twee van mijn weblog naar mijn Hyves naar mijn Facebook naar mijn stats. En terug. En terug. Tussendoor klik ik ook even langs Het Meisje – want zij kan me vrolijk maken, vooral wanneer ze zelf droevig gestemd is. Maar dat lukt haar natuurlijk niet wanneer ik moe ben. Nee, mijn door vermoeidheid gedreven droefenis is onaantastbaar.
In extreme gevallen kruip ik gewoon in bed. Maakt niet uit op welk uur van de dag. Met het idee: ik slaap even, dan ben ik straks weer vrolijk.
Maar in bed liggen heeft een onhandig nadeel: het zet me aan het denken. En als ik in bed begin te denken, dan kan ik niet slapen. Ik kom terecht in een maalstroom van gedachten die zichzelf eindeloos herhaalt en mij genadeloos meesleurt naar het vagevuur dat wij kennen als de half slapende toestand.
Daar lig ik dan. Moe, droevig en piekerend over werk, de hypotheek, de zin van het leven of PSV.
Enkele uren later stap ik uitgeput uit bed.
Hoe deze vicieuze cirkel te doorbreken? Drugs. Bijvoorbeeld. Van softdrugs kan ik prima slapen en, niet te onderschatten voordeel in gevallen van piekerdreiging: droomloos. Maar moe dat ik ben, wanneer ik ’s ochtends weer opsta.
Drank. Van drank slaap ik ook prima, zij het allesbehalve droomloos.
Seks.
Ja. Seks. Dat is de oplossing. Wellicht.
Bedankt voor het meedenken.
Mensen stellen mij vragen.
Ze vragen bijvoorbeeld: ‘Hoe gaat het met je boek?’
Die mensen vind ik steeds minder sympathiek.
Ze vragen ook: ‘Lees je terwijl je schrijft?’
Nou. Uiteraard. Maar ze bedoelen boeken. Lees ik boeken terwijl ik aan het mijne werk. Ja. Dat doe ik. Ik lees Haruki Murakami. Ik lees alleen maar Haruki Murakami. Het begon met 'Dans, dans, dans'. Dat boek kreeg ik voor mijn verjaardag kado van een vriendin. Ze schreef erin: ‘Om de luiken open te zetten.’ Dat had ze goed gezien; mijn luiken gingen niet alleen open, ze vlogen zo ongeveer uit de hengsels.
Nu heb ik ‘Kafka op het strand' bijna uit. ‘De opwindvogelkronieken’ liggen al te lonken op tafel.
Onlangs probeerde ik een Murakami-scepticus uit te leggen wat er goed was aan zijn boeken en waarom ik ze las tijdens het schrijven. Dat mislukte. Ik probeer het nog eens.
Het boek dat ik schrijf bevat nogal wat waar gebeurde feiten. Maar het is allesbehalve autobiografisch. Zoals ik hier al eerder schreef: alles gelogen, maar zelden verzonnen. Maar soms worden die waargebeurde feiten een hindernis en betrap ik mezelf erop dat ik ze probeer te beschrijven zoals ze gebeurd zijn. Maar dat moet ik natuurlijk niet doen, he. Ik moet ze opschrijven zoals ze mij het beste uitkomen voor het boek. Het is niet de bedoeling dat de werkelijkheid mijn referentiepunt wordt. Ha! Enter Murakami.
Ik denk. Bij een goed boek. Gaat het erom de werkelijkheid achter je te laten, steeds verder achter je te laten tot ze uit het zicht verdwenen is. En niet alleen uit het zicht maar ook uit je herinneringen zodat je uiteindelijk geen referentiepunt meer overhoudt, of alleszins de werkelijkheid dat referentiepunt niet meer is. En dus alles wat op je pad komt gewoon wordt, en alles wat je eerder nog als bijzonder zag, normaal.
Dat is wat Murakami doet: katten die praten, vissen die uit de lucht vallen, dode soldaten die in een woud leven. Hij heeft de werkelijkheid als referentiepunt geschrapt en wat er gebeurt wordt door alle personages zonder meer aanvaard – dat wil niet zeggen dat ze zich niet de vraag stellen hoe het kan dat die vissen uit de lucht vallen, maar ze betwisten niet dat het gebeurt. Sterker nog: ze accepteren het zonder meer en gaan met de consequenties van die gebeurtenissen buitengewoon ehm consequent om.
Ha, Ivo Victoria, zoals een sprookje? Ehm. Ja. Ok. Misschien zoals een sprookje, maar niet helemaal.
Kut. Weer mislukt. Lees die boeken.
Een verwoestende drang naar integriteit.
Tegenover ons zaten drie ambtenaren.
Ik moest onmiddellijk aan Bijzinnen denken. Hij leidt deze mensen op. Dus het was zijn schuld. Nou ja. Schuld. Misschien niet zijn schuld, maar hij is er alleszins de verpersoonlijking van, de enige die ik ken, dus.
De hoogste ambtenaar was vermoeid en ongeïnteresseerd. De tweede in rang was een jonge vrouw die snel praatte. Ze had aantrekkelijk kunnen zijn, maar gelukkig zag ik nog net op tijd dat ze haar vingernagels had afgekloven.
De derde ambtenaar was de minst belangrijke. Hij domineerde de meeting. Hij hing achteruit in zijn stoel en counterde elke inbreng van onze kant met geraffineerde ambtenarentaal in onberispelijk highbrow Engels. De ambtenaar uit Yes Minister, maar dan zonder lachband. Telkens wanneer hij me aankeek, streelde hij zijn pen.
Elk punt op de agenda werd uitgebreid besproken. Alle mogelijke hindernissen en risico’s kwamen aan bod. Het was een uitputtingslag. Al snel miste ik hele delen van het gesprek. Ik geef Bijzinnen één ding mee: die mensen hebben een concentratievermogen dat zich weigert aan te passen aan welke irrelevantie dan ook.
Af en toe plaatsten wij wat pragmatische kanttekeningen of deden een andere poging tot realiteitszin. Wij werden afgeserveerd als kinderen. Hun drang naar integriteit was verwoestend. Integriteit, zoveel zou de geschiedenis ons ondertussen toch wel geleerd moeten hebben, leidt zelden tot efficiëntie. Ikzelf, van nature iemand die dingen wil realiseren, ben er alleszins geen overdreven voorstander van.
Elke discussie eindigde met een conclusie van de minst belangrijke ambtenaar. Daarbij maakte hij abstractie van alles wat er over het onderwerp gezegd was en herhaalde simpelweg het initiële standpunt van de commissie. Daarna keek hij me aan en streelde zijn pen.
Tot slot zei de hoogste ambtenaar: ’I am glad everybody is enthousiastic’. Hij klonk opgelucht. Ik vermoed omdat hij zichzelf niet tot ‘everybody’ rekende.
De een zijn pijn is een ander zijn drama.
Er staan twee jongetjes te voetballen op het plein. Het ene jongetje draagt een strakke zwarte jeans, witte sneakers, capuchon onder een denim jasje. Hij is, kortom, hipper dan ik ooit geweest ben. Inderdaad, dat lijkt onvoorstelbaar - probeer het toch maar.
Het andere jongetje draagt een te grote jas, een wijde bruine broek en schoenen, echte schoenen. Hij is mager en bleek - het type slim, vaak ziek, de laatste die je kiest voor het voetbalteam.
Het bleke jongetje is heel blij dat hij mag voetballen met het coole jongetje. Hij trapt heel enthousiast op de bal, met de tip van zijn schoen.
Het coole jongetje straalt uit dat hij weet dat het bleke jongetje blij mag zijn dat hij voor een keertje met hem mag voetballen. Hij doet buitenkantje rechts, buitenkantje links, af en toe kijkt hij naar boven, naar het flatgebouw – wellicht staat zijn moeder te kijken. Hij moest.
Het bleke jongetje wordt steeds enthousiaster. Je ziet hem denken: wauw man, ik sta hier gewoon te voetballen. Met ieder puntertje wint hij aan levensvreugde.
Het coole jongetje zucht.
Dan trapt het bleke jongetje opnieuw de bal. Heel enthousiast. Heel hard. Recht in het kruis van het coole jongetje.
De een krimpt in elkaar en vloekt. De ander heeft echt pijn.
Even vanuit educatief oogpunt.
1.
Wij voeden Lola Victoria tweetalig op. Liefje in het Frans, ik in het Nederlands. Dat begint aardig te lukken.
Zo zeg ik ‘poesje’, en zegt Liefje ‘chat’.
Lola Victoria zegt ‘oesja’.
2.
Lola Victoria is een buitengewoon muzikaal kind. Thuis slaat ze op de gitaar, op de crèche slaat ze op de piano. En wanneer ze dat niet doet, slaat ze met haar lepel, haar boek, haar blokken, haar speen of gewoon haar handen. Voor wie daaruit besluit dat Lola Victoria eerder een geweldadig kind is: ritmisch, he! Ze slaat ritmisch, in de maat. Of toch alleszins in een maat.
Doorslaggevend argument met betrekking tot de hypothese 'muzikaal wonderkind'. Wanneer ze iets wil dan wijst ze het aan en zegt haar eigen naam: ‘Lala.’
3.
Toen ik mij een jaar geleden om oneigenlijke redenen verheugde op de crèche-gang van Lola Victoria, bezwoer een ervaringsdeskundige vriend mij: ‘Let op! De lekkere-jonge-moeders-die-je-bij-het-op-en-afhalen-met-hun-geile-ogen-met-huid-en-haar-verslinden-mythe bestaat helemaal niet! Het is een mythe! Dus!’
Ik weet nog steeds niet goed of dit een schromelijke onderschatting van mijn fantasie was. Of gewoon simpelweg niet waar.
Vroeger schreef ik liedjes.
Vroeger schreef ik liedjes. Elke dag. Nu schrijf ik geen liedjes meer. Ik weet niet waarom. Het lijkt alsof ik alle melodieën al ken, al veel te lang ken, als vrienden, als mijn allerbeste vrienden van vroeger. En die zie ik ook nooit meer; dat zijn de echte.
Mijn gitaar zie ik nog wel. Die staat in de hoek van de kamer. Te wachten. Daarstraks kroop Lola Victoria tot bij mijn gitaar en sloeg op de snaren. Mooi geluid. A-Hard-Days-Night-openingsakkoord–mooi.
Ik nam de gitaar en begon te spelen. Voor het eerst in minstens een jaar, speelde ik enkele accoorden na elkaar. Het was geen liedje. Maar Lola vond van wel. Lola vond het een liedje. Voor wie geen jonge vader is: als je dochter met haar handjes draait en dan, met haar hoofdje schuin gaat zitten wachten tot iedereen mee doet (en iedereen, dat ben jij want papa is iedereen en iedereen is papa) dan weet je, dit vindt ze een liedje.
Eigenlijk was dat het leukst aan liedjes schrijven. Dat mensen vonden dat ik het deed.