Mijn leven was een prima dealer dit jaar.
Het voorbije jaar was ik een heleboel dingen voor het eerst.
Een kleine zelfstandige. Een beginnend auteur. Een mini media hype. Een festivaldirecteur. Een crisismanager. Een allochtoon zonder heimwee. Een doodgewone bezoeker van het Lowlands Festival. Een vader op vakantie met zijn gezin.
Dat is een prettige vaststelling voor iemand die verslaafd is aan eerste keren. Ik dacht dat ik op een leeftijd gekomen was dat ik stilaan moest gaan stoppen met eerste keren maar mijn leven blijkt een goeie dealer. Ik maak me dus geen zorgen over 2009. Er komen nog een paar niet onbelangrijke eerste keren aan, geloof ik.
Andere vaststelling: de bezoekcijfers van dit weblog vertoonden in 2008 een stijgende curve, na jaren van stagnerende bezoekersaantallen waarvoor de gemiddelde statcounter zijn bed niet uitkomt. Dat is op zich natuurlijk mooi. Ik schrijf om gelezen te worden (en om beroemd te worden en met vreemde vrouwen te kunnen flirten maar dat spreekt vanzelf). Edoch plots komt hier bezoek Met Verwachtingen. Dat was voor mij een nieuw gegeven waar ik het best een tijdje moeilijk mee had.
Sommige mensen willen hier bevestiging lezen van mijn aanstaand schrijversschap of denken dat ze mijn dagboek aan het inkijken zijn en daarmee ook mijn persoonlijkheid en gemoedstoestand. Begrijpelijk. Mijn eigen schuld.
De vaste klanten hier zijn al jaren vertrouwd met de totale formatloosheid van dit blog in vorm, inhoud en frequentie. Als ik al een redactionele visie zou kunnen formuleren voor www.ivovictoria.com dan zou die uit 1 woord bestaan: willekeur.
Dus aan al wie dit weblog in 2008 ontdekte wil ik zeggen: welkom, welkom, fijn dat u er bent. En niks persoonlijk maarrrrr ik doe hier gewoon mijn zin. Alle uit dit weblog voortvloeiende verwachtingen, analyses en conclusies zijn geheel voor uw rekening en ik beloof u slechts hetvolgende: ik zal nooit meer iets schrijven dat meer op een verantwoording lijkt dan dit stukje.
En liefde. Ze zeggen dat een goede gezondheid het belangrijkst is maar ik ga voor liefde.
Uiteindelijk zijn alle voornamen mooi.
Er hangt een ladder aan de muur. Niet om op te klimmen. Het is decoratief. Dat zie je. Er hangt een ventilator aan het plafond. Het type dat je doorgaans in de betere saloon aantreft. Dit is geen saloon. De muren zijn betimmerd met hout, tot heuphoogte. In een glazen kast gaapt een gans. Dit is een chambre d’hôtes. Dit is Bretagne.
We waren onderweg en we stopten toen de Mont Saint-Michel in zicht kwam. Ha, toch niet Bretagne dus. De Bretoenen claimen de Mont Saint-Michel met de redeloze hartstocht van een voetbalsupporter. Ook al ligt de grens met Normandië kilometers verderop, de Mont Saint-Michel is van hen.
We zijn de enige klanten. Onze gastvrouw heeft haar dat deels naar voren is gekamd en deels naar achteren. De scheiding zit op haar voorhoofd. De sporen van de kam met lak gestold. Voor sommige mensen volstaat de vaststelling dat het kan om tot uitvoering over te gaan. Voor Lola maakt het niet uit. Zij lonkt naar iedereen. Nu is het nog onschuld.
Mooie naam, Lola. Vindt onze gastvrouw. Ze heeft zilveren glitters op haar boerenbuiten wangen; er bestaat een Normandische Flair. Ja, mooie naam, Lola. En zeer in de mode. Net als Pierre, Pol en Theo. Liefje en ik kijken elkaar aan. Onze gastvrouw snelt zichzelf te hulp.
‘Ach ja. Pierre, Pol of Theo. Uiteindelijk zijn alle voornamen mooi.’
Nu kijken Liefje en ik elkaar heel erg niet aan.
Er worden zoute pannenkoeken geserveerd, des galettes. Liefjes galette is verkeerd bereid. Onze gastvrouw stormt met de armen ten hemel geheven op haar af, loopt jammerend weer terug, draait om, stormt weer op haar af. Een tsunami van excuses. Il y a des jours comme ça, il y a des jours comme ça. Bij elke ça schiet haar stem de lucht in als een fluitbom.
Dan wordt het stil. We eten. In de spiegeling van de glazen deuren die het restaurant van het woongedeelte scheiden, zien we hoe onze gastvrouw een gitaar vast neemt en begint te spelen. Ze neuriet zacht een droevig lied.
Sorry, Jowi.
Bretagne is dromenland. Ik weet niet waarom. Thuis droom ik zelden of nooit. Maar hier zijn mijn dromen niet te stoppen. En ik droom niet flauw. Afgelopen nacht zat ik aan het sterfbed van Liefje. Ik werd wakker om 2 uur ’s ochtends met de tranen in mijn ogen. Verder droomde ik dat ik besloten had om, net toen de uitgeverij met dollartekens in de ogen juichend had geroepen dat ik briljant was, een kwart van mijn boek te schrappen en opnieuw te beginnen. Een wensdroom, vermoed ik.
Op een gegeven ogenblik zat ik op een bankje in het park. Ik droomde: de eerste die nog een comment plaatst op mijn blog terwijl ik dit stukje zit te tikken, komt naast me zitten.
Enkele tellen later zat Jowi Schmitz naast me op een bankje in het park. Ze wiebelde met haar benen. Haar voeten raakten de grond niet. Ik vond dat ze dat soepel deed, dat wiebelen. Zeker voor iemand die in het afgelopen jaar zoveel fysiek leed te verduren had. Ja, ze wiebelde alsof ze nooit anders gedaan had. Eigenlijk best verdacht. Misschien was het allemaal gelogen. Misschien was het gewoon allemaal aandachtzoekerij geweest. Misschien was het gewoon fake, dat hele emolog van haar. De trut.
Maar toen sprak Jowi Schmitz.
‘Je zit er mee in, he.’
Ik knikte.
‘Maak je geen zorgen, man.’
Ik knikte.
‘Je maakt je zorgen, he.’
Ik knikte.
Kortom, het gesprek kwam niet echt lekker op gang. Hetgeen vreemd was. Want hoewel ik Jowi Schmitz nog nooit ontmoet heb, lijkt het me een lachebekje.
Er werd niet gelachen.
‘Ik maak me zorgen’, zei ik uiteindelijk. ‘Maar dat is normaal. Mezelf zorgen maken is een van mijn basiskwaliteiten. Ik maak me zorgen over alles. Geef me een banaan en ik maak me er zorgen over.’
Toen begon Jowi Schmitz heel hard te lachen. Toch een lachebekje dus. Dat was een opluchting. Ik legde mijn hoofd op haar schouder en haakte mijn benen in de hare. Zo wiebelden wij samen op ons bankje in het park. Zachtjes kuste ik haar in de nek. Er dwarrelden witte bloesems uit de bomen. Ik was gelukkig met Jowi Schmitz.
Maar toen kwam iemand zeggen dat Liefje al bij al toch niet dood was dus toen heb ik Jowi Schmitz meteen gedumpt want ja.
Sorry, Jowi.
Het manipuleren der grootouders.
Ah Frankrijk! Een land geteisterd door alcohol, syfilis en journalistiek. Nou ja. Niet helemaal waar uiteraard, maar als ik een sappige quote kan stelen van een dode dikke fascistische dictator, dan zal ik het niet laten.
Maar ik ben dus in Frankrijk. Nou ja. Niet helemaal. Ik ben in Bretagne. Dat is het Friesland van Frankrijk. Ze spreken er hun eigen taal, er zijn mensen te vinden die dromen van onafhankelijkheid, ze verbouwen er geen wijn, en je moet er niet betalen om op de snelweg te mogen rijden.
Dat van die wijn zou je als een minnetje kunnen zien, maar mijn schoonvader heeft zich niet door zijn afkomst laten tegen houden om een akelig goeie wijnkelder samen te stellen.
Dus ik eet, ik drink en ik kijk toe hoe Liefje blij de Bretoense wind opsnuift terwijl Lola Victoria het manipuleren der grootouders perfectioneert. Ze kan dan weliswaar nog steeds niet lopen maar ik ken niemand die zo goed een bal naar zichzelf kan gooien. Ik kan u verzekeren: dat werkt.
Een beginnersfoutje.
Vanochtend ontving ik een e-mail van een van de hoofdpersonages uit mijn boek. Dat was toch even schrikken.
Hij vroeg of hij alvast een gesigneerd exemplaar kon bestellen. Bestellen, he. Dat vond ik dan weer mooi. De personages uit mijn boek blijken de bescheidenheid te bezitten die mijzelf zo vaak node ontbeert. Hoewel. Bescheidenheid is uiteindelijk ook niet meer dan een sympathieke vorm van arrogantie.
Er is slechts een ding waarmee ik worstel bij het schrijven van Het Boek. Namelijk dat enkele personages echt bestaan (hebben) en dat ik zo slim ben geweest sommigen van hen bij hun echte naam in het boek op te voeren ook al bezit het personage al lang niet meer de eigenschappen van de persoon die mij oorspronkelijk inspireerde. Een beginnersfoutje.
Ik schrijf zoals een kleuter tijdens een klasje vrij knutselen. De werkelijkheid is een stuk klei en ik boetseer naar eigen inzicht en vermogen.
Evenwel. Ik ben bang dat ik de mate waarin mensen fictie van realiteit kunnen onderscheiden schromelijk overschat heb. Zolang Edwin Rutten op straat wordt aangesproken met Ome Willem, rest er wat dat betreft weinig hoop.
Hoedoededa?
Dienstmededeling. Hoedoe.nl is online. Officieel.
Waarom zou ik daar ook maar ene fok om geven, Ivo?
Welnu. Omdat deze site u dingen uitlegt. Met name legt de site uit hoe je dingen doet. Duh.
Ha, Ivo, interessant. Maareh, waarom zou ik daar ook maar ene fok om geven?
Welnu. Omdat ik (en ik niet alleen maar in een zwak moment heeft ook Walter zich laten verleiden) er stukjes voor geschreven heb.
Ha, Ivo, goed hoor, maareh...
Welnu. Omdat ik op Hoedoe.nl ondermeer mijn eeuwenoude, legendarische, onfeilbare barbecue-truc prijs geef! Omdat ik u uitleg hoe u Vlaamsche Frieten kan bereiden zonder compleet voor lul te staan hetgeen tot op de dag van vandaag slechts weinig Nederlanders gegund is! Maar dat gaat dus allemaal veranderen nu. Dankzij Hoedoe.nl!
Einde dienstmededeling.
Waar zijn ze gebleven, al die mensen die ik mij niet meer herinner?
Ik heb in mijn leven over een aantal mensen gedacht: jou zie ik nooit meer terug.
Goede mensen. Mensen met wie ik een moment van liefde of vriendschap gedeeld had en die toen vertrokken of van wie ik afscheid nam. Passanten. Gepasseerden. Ik dacht: jou zie ik nooit meer terug.
Ik heb in mijn leven ook over andere mensen gedacht: jou zie ik nooit meer terug. Mensen die ik niet kende. Mensen met wie ik vier eindeloze minuten lang in de duisternis staarde bij een tramhalte. Mensen die mijn hand schudden en verdwenen. Mensen die gingen bellen.
Zo, dacht ik dan. Jou zal ik dus nooit meer zien. Mijn leven zal verder gaan tot het eindigt en al die tijd zal ik jou niet zien.
Er was een moment dat onze levens elkaar kruisten, vaak geruisloos, soms met veel kabaal. Nooit bleef er meer over dan vluchtige, witte sporen in een wolkenloze lucht. Wij vervolgden onze eigen koers. Niet omdat wij niet samen wilden koersen maar omdat wij de kans niet hadden die overweging te maken. Wij waren twee stippen op een radar – misschien dat iemand ons gevolgd heeft, die twee stippen naar elkaar toe zag zweven en daarna weer verder uit elkaar. Maar niemand zei wat, niemand heeft ons laten weten wat mogelijk was. En wij, wij zagen het niet, wij waren te zeer op onze eigen koers gericht.
En wanneer ik straks voor de laatste keer zucht, zal ik niet aan je denken, zal ik je naam niet roepen, zal ik niets voor je achter laten. Ik zal verdwijnen, oplossen in niets en jij zal niks weten, niks horen, niks zien – als je zelf al niet verdwenen bent. Wellicht niet, ik heb het gevoel dat ik langer zal zuchten dan jij, dan alle anderen. Dat kan natuurlijk niet, technisch gesproken. Noem het een overtuiging.
Jou zie ik nooit meer terug. Ik herinner me die gedachte. Maar ik herinner me niet over wie ik het dacht. Ik herinner me geen van deze mensen. Dus ja. Ik blijf nog even in mijn zinloze zelfreflectiefase. Wat goed genoeg is voor mij.
Wat ik ervan vind.
Als mensen vragen wat ik van iets vind, bijvoorbeeld van iets wat zij gemaakt hebben, dan zei ik vroeger altijd eerst: 'Pas op. Ik moet je waarschuwen. Als je mijn mening vraagt, dan geef ik ze. Ik ben altijd eerlijk.'
'Jajajajajaja', zeiden die mensen dan. 'Geen probleem. Ik wil een eerlijke mening, ik kan prima tegen kritiek, dus wees vooral eerlijk, ik wil ervan leren, daarom vraag ik het'.
Vervolgens zei ik dat ik datgene wat ze gemaakt hadden, heel slecht, ongeïnspireerd en van een tijdloos gebrek aan talent vond getuigen. Indien dat van toepassing was. Nou ok, soms ook gewoon voor de lol maar dan was het een grapje.
Vervolgens werden die mensen kwaad op mij.
Tegenwoordig pak ik het anders aan. Dan zeg ik: 'Pas op. Ik moet je waarschuwen. Wanneer mensen mijn mening vragen, dan zeg ik altijd eerst tegen die mensen “Pas op. Ik moet je waarschuwen. Als je mijn mening vraagt, dan geef ik ze. Ik ben altijd eerlijk.” En dan zeggen die mensen dat dat geen probleem is, dat dat net is wat ze willen en dan geef ik mijn mening en die is dan bijvoorbeeld niet positief, eerder heel negatief, en dan worden ze toch kwaad. En dat vind ik dan zo jammer. Dus pas op.'
'Neeneeneeneenee', zeggen die mensen dan. 'Zo ben ik niet, dat zijn stomme mensen, dan moeten ze het niet vragen. Als je niet tegen kritiek kan, vraag dan niks. Dus zeg maar gewoon wat je ervan vindt.'
En dan geef ik mijn mening. Nou, ruzie jongen.
Alice in ambtenarenland.
Ik vertoef de laatste tijd niet alleen af en toe in het gezelschap van Jools Holland, maar – in het kader van hetzelfde project – ook in ambtenarenland. Overheidsambtenaren. Ik moet enige discretie in acht nemen, geheel tegen mijn volksaard in, maar de principes wil ik u niet onthouden.
Over ambtenarenland heb ik twee dingen heel snel geleerd.
1. Verantwoordelijkheid zoals u en ik die in het dagelijkse leven kennen, bestaat niet. In ambtenarenland bestaat alleen formele verantwoordelijkheid.
2. Daaruit volgt dat afspraken die off the record gemaakt worden, formeel gezien niet bestaan.
Wanneer een ambtenaar bepaalde afspraken in een email aan jou bevestigt, dan zijn ze formeel. Als hij ze mondeling met je maakt, bestaan ze slechts zolang het goed gaat.
Toen werd ik gebeld door een ambtenaar. Slecht nieuws dus. Een document dat ik hem had aangeleverd en dat door hem was goedgekeurd, was in handen gekomen van een topambtenaar. Die ontdekte dat het document niet strookte met de normen en waarden van de overheidsinstelling in kwestie.
Off the record hadden de ambtenaar en ik afgesproken dat de research op het document door mij zou geschieden, zodat hij het snel kon goedkeuren. Waar de ambtenaar niet op gerekend had, was dat de normen en waarden die ik hanteer niet overeenstemmen met de normen en waarden van de overheidsinstelling in kwestie.
De ambtenaar was zenuwachtig. Als ik goed luisterde, kon ik op de achtergrond het gehijg horen van de topambtenaar die in zijn nek hing.
Ik moest het document en de daarin genomen beslissing onderbouwen. Dat deed ik. Per email.
Toen belde de ambtenaar mij terug. Nu was hij in paniek.
‘Is dat alles? Is dat alles wat je kan aanvoeren als onderbouwing?’
Ik zei dat ik niet inzag welke andere onderbouwing mogelijk was.
‘Dus vrijheid van meningsuiting is je enige argument?’
Ik bevestigde dat vrijheid van meningsuiting het fundament was waarop ik mijn beslissing had gebaseerd.
‘Nou’, beet de ambtenaar me toe. ‘Daar ga ik het hier intern dus écht niet mee redden hoor. Heb je niks beter? Artistieke vrijheid. Kom op.’
Toen herinnerde ik me weer wie de formele verantwoordelijkheid in deze droeg. Heerlijk gevoel.
Hard lachen om een kleine teleurstelling.
Gisteren was ik in London. Ik ging op visite bij Jools Holland thuis. Dat is stoefen. Dat is stoefen, inderdaad. Maar ook gewoon waar. Niet gelogen, niet verzonnen, maar waar. Profiteer ervan.
Jools zette thee. Hij vroeg of ik suiker wilde. Ik zei dat ik dat wilde.
‘One? Two?’
Three, four, wilde ik zeggen maar dat was flauw geweest.
‘Two’, zei ik.
‘And two it is’, zei Jools. Daarbij sloeg hij met zijn vlakke hand een denkbeeldige backhand terwijl hij een elegant stapje achteruit zette, terug de keuken in. Net zoals hij dat doet wanneer hij in Later With Jools een bandje aankondigt. ‘And now, please welcome: Oasis!’ En dan slaat hij een backhand en zet een stapje achteruit, uit beeld.
We gingen naar zijn werkkamer om het project te bespreken waar ik momenteel aan werk en waarvan Jools het gezicht wordt. Jools Holland bleek geestig, enthousiast en soms wat in de war – kortom, het klikte.
Aan het eind van de bespreking moest ik dringend. Jools leidde me persoonlijk naar het kamertje en liet me naar binnen met een backhand. Terwijl ik stond te pissen, zag ik op het toilet een zwart blikken doosje staan. Het zag er oud uit. Op het deksel was een papiertje gekleefd met plakband. In een oud typemachine-lettertype stond er: ‘Part of the rag that was used to clean F. Sinatra prior to concert at Carnegie Hall 1956’.
Ik kon niet weerstaan. In het doosje zat inderdaad een klein, vuil stukje rag.
Toen we afscheid namen, moest ik het vragen.
‘Jools, is that really part of the rag that was used to...?’
Toen begon Jools Holland heel hard te lachen.
‘It’s art’, zei hij. ‘By Vic Reeves.’
Toen moest ook ik heel hard lachen, zij het lichtjes teleurgesteld. Ik kan dat.