Vreugde is een bitch.
De laatste man en de keeper stoomden op tot aan de middenlijn. Achter hen lonkte een leeg doel. De stand was 2-2. Tien seconden op de klok.
Ik dacht: ik ga doorjagen. Ik weet niet waarom. Het is niet mijn stijl, doorjagen. Ik ben meer het type dat aan het doel staat te wachten tot iemand hem een intikkertje aanbiedt. Het type Makaay, zeg maar. Al refereer ik, hardcore Belg zijnde, liever aan de legendarische Erwin Van den Bergh. Zo’n type dus. Nou ja. Niet helemaal. Eerder Roy Makaay meets Erwin Van den Bergh maar dan met een snuifje Luc Nilis, een wolkje Romario, een scheutje Willy van der Kuylen, een onsje Eric Gerets, een ieniemienie drupje Berry van Aerle, een flinke slok van Nistelrooy en niet te vergeten: de fluwelen linkervoet van de beste onbekende Nederlandse voetballer van de tweede helft van de jaren ’80: Frans van Rooij. Zo’n type ben ik. Ongeveer.
De keeper legde de bal breed op de laatste man. Ik dacht: wtf, nog 10 seconden, ik jaag effe door. Dus ik joeg door. Daar had de laatste man duidelijk niet op gerekend – en terecht – maar het gebeurde, het ondenkbare, tot zijn schrik, alsof de hemel op hem viel.
En in wat Johan Cruijff zou omschrijven als een klassiek oeh-ah-moment (de bal klemde tussen onze beide rechtervoeten en dreigde – oeh! – over mijn wreef heen te wippen totdat ik hem met een uiterste krachtinspanning – ah! – onverwachts in mijn voordeel via zijn scheenbeen wegduwde) ontfutselde ik de bal. Nou ja. Onfutselde. De bal was weliswaar niet meer in het bezit van de laatste man maar ook nog niet in het mijne. Tergend langzaam dreigde hij over de zijlijn heen te gaan rollen. Terwijl een onzichtbare kracht het bloed uit onze kuitspieren zoog, sleurden en trokken de laatste man en ik elkaar tot bij de bal alwaar ik erin slaagde hem met een wel zeer onzaalvoetbalachtige sliding een fractie van een seconde eerder te raken.
Daar lagen wij, de laatste man en ik. Samen keken we een bal na die over een afstand van zo’n 20 meter in de richting van het lege doel zweefde, recht op de linkerpaal van het doel afstevende, een half metertje boven de grond, totdat een speling van het lot hem dat laatste zwiepertje (is dat een woord?) gaf waardoor hij alsnog de paal ontweek en tegen de netten sloeg.
Ik keek op en zag hoe de laatste acht tienden van de laatste seconde wegtikten op het elektronische scorebord. Enkele eeuwigdurende milliseconden lang was het verpletterend stil in een sportzaal aan het eind van een wedstrijd zaalvoetbal van bedenkelijk niveau tussen twee derdeklassers in een zevenderangs competitie op de campus van een universiteit in Amsterdam.
Meteen daarna evenwel, barstte er een verpletterend gejuich los en zag ik mezelf met gebalde vuisten richting mijn ploegmaats lopen. En toen gebeurde het.
Ik ervoer vreugde.
Het was een akelige vreugde, met een ongepaste intensiteit, het was een oerknal van geluk, zonder reserve, zonder nijd, het soort van vreugde dat alleen maar gevolgd kan worden door spijt.
En terwijl heet water in harde stralen op me neersloeg, vroeg ik me af wanneer ik voor het laatst zo blij was geweest. Ik kon niet meteen een moment verzinnen. Een geboorte, een huwelijk, een overwinning op tragisch onrecht na jaren. Dát waren momenten die zo’n vreugde rechtvaardigden, dat was zeker, maar vreugde is niet rechtvaardig, zo bleek, ze kiest zelf haar momenten, niet gehinderd door enige mate van redelijkheid of proportie. Vreugde is een bitch.
Het was schaamtelijk. Ik dacht aan de geboorte van Lola Victoria. Ik overwoog het moment toen ik besefte dat Liefje mijn liefje was. Was ik toen zo blij? Het was mogelijk. Maar ik durfde het niet zeker zeggen. Maar het was mogelijk.
En aan die mogelijkheid klamp ik mij vast.
Die explosie is zo hevig omdat ze totaal onverwacht komt. De vergelijking die je maakt met je Liefje en Lola V. gaat niet op. Dat is appelen met peren vergelijken. Kan U nu slapen?
Was getekend
Van De Pot Gerukt (E-mail ) (URL) - 26-10-’08 18:30