De betere Belgen (2).

Milow overigens, is wel al toegetreden tot de 21e eeuw, zelfs een beetje te veel af en toe.

De dag dat ik besloot om te stoppen met muziek maken, was de dag dat ik samen met Milow en nog een ander bandje optrad in een huiskamer te Antwerpen. Ik speelde een schets van een nieuwe song waaraan ik werkte, ik kreeg beleefd applaus en daarna werd ik de huiskamer uitgespeeld door Milow. Toen ik mijn gitaarkist in de auto zette, besloot ik te kiezen voor de makkelijkste manier om niet te falen: stoppen met proberen.

Ik ben geen fan van Milow. Ik ben met name nogal allergisch voor zijn teksten al moet ik daar meteen aan toevoegen dat ik er vrij fascistische ideeën op na hou met betrekking tot de kwaliteitseisen waaraan een goeie songtekst moet voldoen. Ideeën die ik overigens graag voor mezelf hou, uit lijfsbehoud.

Een dikke week geleden stond Milow in een uitverkocht Paradiso. Ik zag er de voorbije tijd ook al dEUS en Novastar triomferen, bands die ik hoger aansla dan Milow, maar ik zag toen niet gebeuren wat ik zonet op Fabchannel zag. Over het algemeen ben ik niet zo gul met respect, maar wel guller dan met het delen van mijn fascistische tekstideeën. Your luck. Klikt u vooral door en ga vervolgens rechtstreeks naar nummertje 12 op de setlist.

De betere Belgen (1).

Als de theater- en cabaretwereld al in de 21e eeuw zou leven, dan kon ik nu linken naar een videostream van het optreden van Wim Helsen in de Kleine Komedie gisteravond. U zou klikken, kijken, lachen, huilen, een beetje bang worden en vervolgens al uw vrienden twitteren dat jullie met zijn allen naar die show moeten gaan kijken. Gelukkig heeft Wim Helsen de 21e eeuw nog niet nodig want ik geloof dat je enkel nog aan kaartjes voor zijn voorstellingen kan geraken via de Albanese maffia. Hetgeen ook zijn charme heeft.

Voor de voorstelling kwam ik een collega-Belg tegen in de foyer. Ze woont nu een jaar in Amsterdam en ze kan maar niet wennen. Steeds vaker, bijna elk weekend, trekt ze naar huis, naar België. Na de voorstelling zou ze naar A Brand en Barbie Bangkok in Studio Desmet gaan en de dag erna naar Mauro en Ramsey Nasr en een week geleden was ze naar Milow geweest in Paradiso. Ik wist niet goed wat ik daarop moest antwoorden. Ik hou nog steeds van België, maar mijn heimwee is niets meer dan een vage herinnering.

Toen kwam Wim Helsen op. Anderhalf uur lang slaagde hij erin om het slechtste wat Vlaanderen rijk is te verpakken in hilarische grappen en grollen: de vriendelijke achterbaksheid, het collectieve zwijgen-en-weg-kijken, het verzuurde opportunisme, de asociale beleefdheid. Vervolgens deed hij een magistraal dansje op de tonen van A Far l'Amore Comincia Tu en vertrok met een staande ovatie.

En het straffe was: plots verlangde ik er hevig naar om in de rij te staan bij het loket reisinformatie op Berchem Station in de geruststellende wetenschap dat ik pas over een half uur slecht geholpen zou worden.

Het winnen van wedstrijden.

Dus. Ramsey Nasr is de nieuwe Dichter des Vaderlands, nou ja, niet mijn vaderland. Toch voelt het aan als gerechtigheid want wat er ook op zijn paspoort moge staan, voor mij is Ramsey Nasr in de eerste plaats een Antwerpenaar.

Her en der had ik aangekondigd op Hagar Peeters te zullen stemmen. Dat heb ik ook gedaan maar let’s face it, alleen maar omdat ze op sommige foto’s en met de juiste belichting de indruk wekt een lekker wijf te zijn. Trouwens wat is dat nu weer, dat ik als Belg zomaar kan stemmen op de Dichter der Nederlanden? Betaal ik daar belastingen voor?

Dat die gladde Fries niet won, vond ik alleen maar goed. Dat waar wij ons het hardst aan vastklampen, glipt ons het makkelijkst door de vingers. Te hard geprobeerd, Tsead.

Uiteindelijk keek ik natuurlijk niet naar de uitzending op TV want ik ken niets van poëzie. Wat dat betreft ben ik een aanhanger van de Vandenb-doctrine die stelt dat dichters niets meer zijn dan prozaschrijvers die zeer bedreven zijn in het hanteren van de harde return toets.

Bovendien

Was er Belgisch Bekervoetbal

In voetbal gaat het

Om niets

Alleen

Om het winnen

van wedstrijden.

Vriendschap in 2034.

De grachten gleden voorbij en de radiator blies mijn schoenen vol zweet. Zo neem ik me voor nooit bij de radiator te gaan zitten, zo zit ik daar iedere keer weer. Gedachteloos je eigen voornemens saboteren, het is wellicht ook een vorm van vakmanschap.

Aan de andere kant van het gangpad zaten twee dames op leeftijd. Ze hadden het naar hun zin. Ik zag de napret van een uitje, de voorpret op een etentje. Ik zag vriendschap.

Zo. Vriendschap over 25 jaar. Ik kon niet meteen iets mijmerigs bedenken. En van de wiedeweerga bedacht ik het.

Zou ik überhaupt nog vrienden hebben binnen 25 jaar? Ik probeerde me de vrienden van mijn vader te herinneren. Er schoot me niemand te binnen. Ik overwoog de mogelijkheid dat ik de laatste stap was in een evolutie van honderden jaren tijdens dewelke het vermogen om mensen op afstand te houden zich van vader op zoon heeft doorontwikkeld.

Toen zei de ene dame tegen de andere: ‘Annie, heb je bier in huis? Dan kunnen we het zo gelijk op een zuipen zetten.’

Op slag was ik gerustgesteld.

Ondertussen, in het leven van een jonge vader.

De vriendelijke dame van het consultatiebureau vroeg of Lola Victoria wilde lopen.

Lola wilde niet lopen.

De vriendelijke dame van het consultatiebureau vroeg of Lola Victoria wat blokjes wilde stapelen.

Lola wilde geen blokjes stapelen.

De vriendelijke dame van het consultatiebureau vroeg of Lola Victoria haar mobiele telefoon wilde teruggeven.

Lola deed 'Ola'.

Ik keek naar mijn dochter als naar een circushond die dienst weigerde. Ik had geen koekjes bij me.

De zekerheden van de donderdagse lunch.

Eerst kocht ik Humo. Die verschijnt hier twee dagen later dan in België, hetgeen mij een geruststellend gevoel geeft. Als ik tijdens het lezen de onbedwingbare drang voel opkomen om in te grijpen, dan troost ik mij met de gedachte dat het te laat is. Zorgen zijn voor mensen die denken dat er nog iets aan te doen valt.

Op de cover stond alweer een nieuwe bekende Vlaming die ik niet ken. De tijd om van de krantenwinkel naar de beenhouwer te lopen volstond om te weten te komen dat ze 'heel vaak heel veel zin in seks' heeft. Ook over de nieuwe generatie bekende Vlamingen hoef ik mij geen zorgen te maken.

Bij de entree van de hangar waarin de beenhouwer gevestigd is (jaha) stond een bedelaar. Over het algemeen ben ik een groot voorstander van mensen die hun vak ernstig nemen. Maar bedelaars die hun bedelbordje kleurenprinten en plastificiëren, zal ik nooit vertrouwen.

Bij de beenhouwer bestelde ik een broodje filet-met-een-eitje en een broodje bal gehakt. Dat zijn zekerheden. Eentje met filet en eentje met bal gehakt. Dat is mijn combi. Toch wat betreft het bestellen van lunch bij de beenhouwer.

Over het algemeen opereer ik locatiegebonden, qua catering. Een demi-demi in Den Hopper op Antwerpen-Zuid. Een martino in ’t Smulderke te Gent. Babi pangang met nasi en een extra portie currysaus bij Chinees restaurant Havenstad (sic) op het Borneo-eiland. Dat zijn zekerheden. Ik ben dol op zekerheden. Mijn beenhouwer geeft mij zekerheden. Soms word ik bediend door een lekker wijf. Soms ook niet. Vandaag door een mollig ventje. Je weet het eigenlijk nooit van tevoren. Dat brengt de suspens weer terug. En dan bestel je een broodje filet en een broodje bal gehakt en hupakee: zekerheid.

Daarna liep ik terug naar huis. De regen sloeg me in het gezicht en lijdzaam incasserend permitteerde ik me de enige twijfel die mijn donderdagse lunch kan verdragen: eerst de filet of eerst de bal gehakt?

Toen ik de sleutel in het slot stak, was ik eruit.

Groningen by night (2): Stinken zoals vroeger.

En zo hing ik alras voor pampus op de bank in het hipste gedeelte van Amsterdam-Oost dat ik zo graag mijn thuis mag noemen. Visioenen van Groningen dartelden door mijn hoofd als spelende kinderen. Ik zag weer de wijsgerige blik van Polka Paultje die op vrijdagnacht onaangekondigd in Huize Maas opdook. Lichte paniek bij de security net als bij Mongrel, een band die overduidelijk dacht dat zij een visioen waren.

‘Polka!’, riep ik.
‘Ivo’, grijnsde Polka.
‘Polka’, zei ik. ‘Meteen terzake. Wat is uw analyze van dit collectief bestaande uit de minst getalenteerde leden van Babyshambles, Reverend & The Makers, Arctic Monkeys en andere bands waar mensen die NME lezen heel druk over doen?’

Bedachtzaam zette Polka een flesje Becks aan zijn mond.

‘Als die gasten zichzelf binnen 10 jaar zouden terugzien, dan hoop ik dat ze er zelf ook mee zullen kunnen lachen.’

En zo was het.

Daarna nam het Belgische Headphone bezit van het podium. Nu heb ik de voorbije weken in voldoende mate bewezen hoe chauvinistisch ik ben dus mijn vaderlandsliefde kan wel weer wat hebben. Wat een ongelofelijk zeikband is dat Headphone zeg. Newsflash: het is niet omdat je een noot heel lang kan aanhouden dat de ontroering plotseling als manna uit de lucht komt vallen. Als het niet zo pijnlijk duidelijk zou zijn dat die band zichzelf al helemaal te pletter oefent om al die niet ter zake doende productionele foefjes en Siberisch koud latende non-songs te perfectioneren dan zou ik zeggen: blijven oefenen. In een goede bui, he!

Daarna stoomden wij door naar The Black Box Revelation in Vera. Die speelden zo hard dat wij weerloos naar cafe De Knarie iets verderop werden geblazen. Daar hadden de Belgen collectief het rookverbod opgeheven. Vaderlandsliefde stroomde er per liter uit de tapkranen en toen de zon weer opkwam stonken onze kleren. Zoals vroeger.

Luttele uren later hing ik op de bank voor TV en keek lijdzaam toe hoe De Dijk de Popprijs won. Ik wil daar 1 positieve noot over kwijt: De Dijk is Bløf niet.

Groningen by night (1): De echo van mijn satanische lach.

En zo zat ik plots rond twee uur ’s nachts in de kleine zaal van het Grand Theatre te kijken naar het meest wonderlijke gezelschap van de avond: Moriarty.

Ik had nochtans al wat wonderlijks achter de kiezen want wat dacht u hiervan. Daar heb ik dus twee maanden voor gewerkt, he, voor al die confetti. Nu is mijn leven in het stadium gekomen dat ik kan zeggen dat ik een Award-show heb georganiseerd. Hoe moet ik dit stadium zien? Als een begin? Als een einde? Als een donker, hol, niets? Een zwarte stip aan een horizon die ik per heden achter mij laat in het gezelschap van de echo van mijn satanische lach?

En terwijl ik dat zat te overpeinzen, stond daar Moriarty. Een tapdansende Japanner op contrabas. Een klusjesman van middelbare leeftijd op mondharmonica. De broer van James Dean op banjo. Een pronte zangeres die met doodsverachting op de toonladder des levens balanceerde. Een studentikoos type die dingen in haar oor fluisterde als ‘Heaven is 20 miles from the airport’. Een song die ‘Chocolate Jesus’ heette. Een bril-jan-te cover van Depeche Mode’s ‘Enjoy The Silence’.

Naast mij zat Liefje. Tijdens het concert legde ik mijn hoofd op haar schouder. Na afloop leenden we 5 euro bij een vage kennis om het vinyl singletje te kopen.

In de hoop dat ik iemand hoor huilen.

Ik zit in de nok van het Oosterpoort theater. Beneden, op een megalomaan groot podium, staat een klein kalend mannetje in een groen colbert. Volgens de voice-over is het de ‘legendaarrrrrryyyyyy Jools Holland’.

De geluidsman en twee roadies applaudisseren. Jools staat wat onhandig achter een desk. Wie heeft dat bedacht? Geen idee, maar het is wel mijn verantwoordelijkheid.

Morgen zetten wij hier in opdracht van de Europese Unie een compleet overbodige awardshow neer maar man, wat wordt het leuk. Dat kan je overigens van heel veel overbodige dingen zeggen, dat ze leuk zijn. In fact, in een baldadige bui zou ik durven te stellen dat overbodigheid een condition sine qua non is voor iets om leuk te kunnen zijn.

Maar hier in Groningen is het dus opzeker leuk.
Ik ken nu iemand die zwarte mannen verhuurt.
Ik leerde een meisje kennen dat geen vrienden heeft. Als ik gemeen was noemde ik ons complementair.
Ik stuurde een email en ik kreeg antwoord per fax. Nee echt. Dus dat je eerst de email tikt, hem uitprint en hem dan faxt.
Ik heb het al vaker gezegd: het feit dat het technisch mogelijk is, is voor veel mensen voldoende reden om het te doen. 

Voor een jonge vader is werken op locatie een beetje vakantie. Je maakt vrienden die je pas volgend jaar weer terug zal zien. Je moet nergens zijn om zes uur. Je gaat laat naar bed. Opstaan is je eigen verantwoordelijkheid.

Toch word ik elke ochtend wakker om half zeven in de hoop dat ik iemand hoor huilen.

Tien jaar Groningen.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik onderweg naar Groningen. De trein rijdt langs bevroren grachten en plassen, alles wit. Af en toe zie ik ijs, in de vorm van een kinderschoen.

Deze week woon ik in Groningen vanwege dit project, weet u nog, en dat maakt dan weer deel uit van dit feestje.

Ik hou van Groningen. In januari 1999 was ik er voor het eerst. Samen met Niels hypeten we Soulwax en toen we gingen eten in de Mexicaan naast Huize Maas stal David Dewaele de sombrero die daar aan de muur hing. Die heeft hij twee jaar lang op het podium gedragen tot Soulwax weer een keer op Eurosonic speelde – toen is hij hem terug gaan geven.

Geen idee of dat laatste waar is trouwens. Maar het is wel mooi.

Mijn leven ten tijde van 1999 bestond eigenlijk alleen maar uit Soulwax. Ik denk dat ik in die periode ook voor de eerste keer steken in de hartstreek kreeg. Nu ben ik David en Stephen Dewaele eeuwig dankbaar voor het oprekken van mijn stressbestendigheid tot oneindig. Toen dacht ik daar anders over.

Over Groningen ben ik nooit anders gaan denken. Na Antwerpen is Groningen de stad waar ik het vaakst dronken ben geweest én het vaakst ben gestopt met roken in mijn leven. Kortom, ik kijk er iedere keer weer naar uit.

Het is daar ook het hele jaar door zo lekker koud. Van die heerlijk droge vrieskou.

Groningen, hartje zomer. Je zit op een terrasje aan de Vismarkt. De lucht die je uitademt bevriest voor je ogen. 

Anyways. Ik ga natuurlijk weer verslag uitbrengen. Dat deed ik in 2006: hier, hier en hier. En in 2007:  hier, hier en hier! Maar vreemd genoeg niet in 2008. Terwijl men zegt dat ik toen ook een hele goede tijd gehad heb.

Perfect Belgium.

In Nederlandse vriendenkringen sta ik bekend als een hardcore Belg. Geen Vlaming, geen Waal, een Belg. In de oren van de enkeling die mij in de voorbije jaren heeft durven vragen of ik al de Nederlandse nationaliteit bezit, zindert de echo van mijn hoongelach nu nog na.

Mijn Belgische vrienden daarentegen beschuldigen mij steeds vaker van landverraad. Ik vermoed vanwege dit soort stukjes. Wat gek is, want ik zou die stukjes niet schrijven als mijn land mij niet zo na aan het hart lag.

Anyways. Wat ik wilde zeggen. Het Zesde Vlak publiceert al enige tijd een geweldige reeks compilaties onder de noemer 'Perfect'. Met het oog op het aanstaande EuroSonic Noorderslag Festival, dat dit jaar België als themaland presenteert, heb ik voor hen de compilatie Perfect Belgium samengesteld, daarmee mijn vaderlandsliefde flink in de verf zettende voor wie nog twijfelde.

Het was moeilijk. Er is in de afgelopen 15 jaar (dat was het tijdsraam binnen het welk ik aan de slag ging) akelig veel goeie muziek gemaakt in België. Alleen al het lijstje afvallers is niet mis: Hooverphonic, K’s Choice, Lais, Triggerfinger, Arid, Zap Mama, Ozark Henry, Ann Pierle, Axelle Red, Praga Khan, ‘t Hof van Commerce, DAAU, Channel Zero, Thou, Noordkaap, De Mens, Kiss My Jazz, Janez Detd., Tom Helsen, Monza, Flowers for Breakfast, Girls in Hawai, El Fish, Dead Man Ray, DAAN, Dela Vega, Pieter-Jan Desmet, Camden, A Brand, Sioen en ik vergeet er nog.

Uiteindelijk bleef een lijst van 19 tracks over. In een rechtvaardige wereld zouden het stuk voor stuk wereldwijd bekende klassiekers zijn. U vindt de tracklisting en downloadlinks HIER. Veel plezier ermee!

Zonder vis.

We stonden bij de beek die achter de woonwijk door liep. Een sample natuur, als een oude soulstem in een techno track.

 ‘Je kan hier op forel vissen’, zei ze.

Mijn vader viste ook. Mijn vader heeft jarenlang gevist zonder ook maar één vis te vangen. Dan kwam hij thuis, zonder vis, en dan vroegen wij: ‘Weer niks gevangen?’

Waarop mijn vader met zijn wijsvingers een onwaarschijnlijke lengte aangaf: ‘Zo’n snoek.’

En wij, verrast, nee, ontdaan: ‘Waar dan? Waar is die snoek dan?’

Waarop mijn vader zich in de zetel liet zakken.

‘Op de terugweg kwam ik een heel oud, arm vrouwtje tegen. “Meneer,” zei ze, “Meneer, ik heb toch zo’n honger.” Ik kon haar toch moeilijk voorbij lopen? Ik heb haar die snoek gegeven.’

Iedere keer hetzelfde verhaal. Aanvankelijk vertelde hij het met een ondeugend gevoel voor drama. Blij, verrast door zijn eigen fantasie. Maar naarmate hij het vaker vertelde, moest vertellen, sleet de glans van het verhaal en verwerd het tot een dof excuus. En op de duur was het verhaal niet langer een verhaal, maar de waarheid, en de waarheid werd een hindernis. Het verhaal van het oude vrouwtje leek te verhinderen dat hij wat ving.

Wij zouden hem toch niet geloofd hebben. Al had hij bakken vol vis op het aanrecht gezet – wij zouden gezegd hebben dat hij ze in  ’t geniep was gaan kopen op de markt. Al had hij ons foto’s laten zien waarop hij met een uiterste krachtinspanning een kanjer van een forel boven trok -  wij zouden gezegd hebben dat hij het in scène had gezet, ook al wisten wij maar al te goed dat mijn vader bijlange na niet genoeg eergevoel had om zoiets te verzinnen.

Soms vertelde hij vol enthousiasme dat hij echt beet had gehad, maar dat de vis bij het binnenhalen ontsnapt was. Dat wilden wij helemaal niet horen. Wij gingen uit van het arme, hongerige, oude vrouwtje. Dat was zijn verhaal, dat was mijn vader en dat lieten wij ons niet zomaar door de realiteit ontnemen.

Ik sta zelf nog iedere keer verbaasd te kijken als ik beet heb. Ik verwacht het niet. Het is iets wat ik totaal niet met vissen associeer, beet hebben.

We liepen terug naar de straat. Een oudere man kwam onze kant op. Hij had een joggingbroek aan. Zijn blote voeten zaten in pantoffels.

‘Ik jaag jullie weg’, zei hij.