Het Groot Woordenboek der Scheldwoorden.

Het enige wat ik nog van mijn jeugd over heb zijn vervormde herinneringen. Verder heb ik niks bewaard. Hoewel. Ik heb wel een nostalgiekast. Daar zitten vooral dingen in die oorspronkelijk van andere mensen uit mijn jeugd waren, hehe. Maar ook twee items van mij.

Het eindwerk dat ik ooit maakte voor school. Onderwerp: De mysterieuze dood van Marilyn Monroe. Ik was als jongen gefascineerd door Marilyn Monroe. Aanvankelijk vanwege de tieten. Ok. Maar daarna raakte ik ook geïnteresseerd in de mens achter de tieten. Dit weekend ga ik naar het FOAM voor de tentoonstelling van Richard Avedon. Iedereen spreekt vol lof over zijn oeuvre. Maar ik ga enkel voor die ene foto van Marilyn Monroe. Ik denk wel dat ik daar een uurtje zoet mee ben.

Het manuscript van het eerste boek waaraan ik ooit begon te schrijven maar dat jammer genoeg nooit afraakte. Titel: Het Groot Woordenboek der Scheldwoorden. Het boek opent als volgt:

Apensmoel
Abortuskikker
Biafrasmoel
Bullebak
Championnevreter.
Deb.

Ik zou niet durven beweren dat mijn debuutroman sterker begint.

Ik vond een meisje leuk dat jongens leuk vindt die ik haat.

De jongens voor me waren van het type nog-maar-net-carrièreswitch-van-hangjongere-naar-kleine-criminaliteit-gemaakt. Petje scheef, jeans gescheurd, oorbelletje in. Je weet toch, zus. Vet man, zo. Enz.

Het slagersmeisje vroeg wat ze wilden. De jongens bestelden broodjes. Het slagersmeisje – over wie ik altijd gedacht heb dat zij was geselecteerd op haar talent om klanten het gevoel te geven dat ze niet bestaan – begon te blozen.

He, dacht ik. Zij vindt die jongens leuk.

Er werden grapjes over en weer gemaakt. Met mij maakt het slagersmeisje nooit grapjes. Zelfs niet met Lola – die krijgt hooguit een plakje worst bij die ijskoude blik van haar.

Zo, dacht ik. Jij bent van het type dat jongens leuk vindt die ik haat.

Het meisje lachte en schreef wat op de broodzakken. Haar telefoonnummer? Ze had kuiltjes als ze lachte. Ik vroeg me af hoe ze zich kleedt wanneer ze uitgaat. Lief. Ze had lieve ogen. Dit zijn geen jongens voor jou, meisje, blijf uit de buurt van deze jongens.

Toen dacht ik: kut. Ik vind dat meisje best leuk. Eigenlijk vind ik dat meisje leuk. Dus. Ik vind een meisje leuk dat jongens leuk vindt die ik haat.

Daar stond ik. Met mijn bij geboorte ingebouwd volautomatisch werkend misplaatst gevoel voor superioriteit. Het zat me niet lekker.

Die broodjes bal gehakt en filet-met-een-eitje daarentegen.

Ik vroeg op Twitter waarover ik moest bloggen en iedereen heeft gewonnen.

Op verzoek van Charis schrijf ik heden een stukje over poep. Het drong pas vandaag tot me door waarom de kreet ‘Joepiedepoepie!’ van Ome Willem door de Nederlandse jeugd als ondeugend werd ervaren. Poep is kak. Ongelofelijk he? De kleine Ivo Victoria vond het indertijd gewoon een prettige alliteratie. Of ja, nou, bijna-alliteratie. Joepiejejoepie was een alliteratie geweest, maar daar deed ik in die tijd nog niet zo moeilijk over.

In Vlaanderen is poep gewoon een kont, zoals u wellicht weet. Vandaag werd ik door Charlotte via Twitter in mijn kont geknepen of toch bijna want al bij al besloot zij dat mijn kont slechts een 7 is. I kid you not.

Terwijl dit alles gebeurde crashte op Schiphol een vliegtuig. In een polder. Een veld dus. Dat wellicht vol poep lag. Dat weet ik niet zeker, er werd zoveel over getwitterd dat ik het overzicht verloor maar het zou me niet verbazen. Daarmee voldoe ik aan het verzoek van Rutger om over de Schiphol crash te bloggen. (Oh ja, Henk Westbroek miste het vliegtuig en de Meiden van Halal overleefden de crash daarmee mijn theorie bevestigende dat als het tegenzit, het ook blijft tegen zitten).

Op Facebook werd er geopperd om over bier te bloggen. Waarom heb ik nog nooit over bier geblogd terwijl mijn reputatie daar alle aanleiding toe geeft? Oh, wacht, ik heb het wel al gedaan.

Jerke ten slotte, wilde dat ik over de excuses van Marco van Basten zou bloggen. Daar ga ik dus echt niet aan beginnen. Marco van Basten, dat is gewoon eh poep.

Dus ja, om maar te zeggen: dat Twitter, dat werkt dus he. Zij het dat het niet meteen tot hoogstaand proza leidt, maar wie geeft daar nog om in deze donkere dagen?

Anders is het niet gezellig.

Vandaag is het carnaval op de crèche. Dat was het vrijdag ook al, maar dat had ik verborgen gehouden voor Liefje – die al maanden wacht op een gelegenheid om Lola Victoria in een roze muizenpakje te steken. Ik zal nooit ophouden me af te vragen waarom.

Ik haat niet zozeer de traditie carnaval; ik haat verkleedpartijtjes en carnaval is slechts een van de vele gelegenheden die Nederlanders de moeite waard vinden om een bananenpak aan te trekken. Geef een Nederlander een vrijgezellenavond, een verjaardagfeestje, een 5-jarig bestaan van de bridgeclub, een bedrijfsuitje of gewoon heel veel bier for no good reason en hupakee daar zetten Koningin Beatrix, Ruud Gullit, een stewardess van Easyslet en een meloen eensgezind de polonaise in. Anders is het niet gezellig.

Waarom doen Nederlanders zich zo graag voor als iemand anders? Typisch zo’n vraag waarop te veel antwoorden mogelijk zijn. Ik vind het alleszins al moeilijk genoeg om mezelf te zijn.

Maar daarstraks liep ik dus een kinderdagverblijf binnen met een roze muis op de arm ter meerdere eer en glorie van het integratiebeleid. Ik was oprecht chagrijnig. Lola volgde met overtuiging mijn voorbeeld en zette alle sluizen open zodra ze de eerste cowboy opmerkte. Snel deponeerde ik haar in de schoot van zo'n typisch Nederlandse juf (jeweetwel, het type dat zich gewoon ALTIJD verkleedt, meestal als moslima, begrijpe wie kan) en maakte me uit de voeten. 

Komaan, Lola lieveling, give 'm hell.

Onuitstaanbaar.

Ik had iets gezegd dat niet door de beugel kon en ik wist het. Mijn ouders hebben de niet te overschrijden grens in mijn moraalbesef getatoeëerd. Dus ik wist ook dat ik een klap ging krijgen toen mijn moeder zich bij me riep. Dit speelt zich af toen ik jong was, he. Dezer dagen hou ik het gewoon angstvallig voor mijn moeder verborgen wanneer ik me misdraag.

Terwijl ik op mijn moeder af liep, nam ik me voor onder geen beding te huilen en haar zo uitdagend mogelijk recht in de ogen te blijven aankijken. Ik liep tot bij mijn moeder en keek haar zo uitdagend mogelijk recht in de ogen aan.

Ik ken mijn blik. Jullie zouden me ook slaan.

En precies zo keek Lola Victoria mij gisteravond aan nadat ze haar bord warm eten op de grond had geflikkerd.

Onuitaanstaanbaar.

25 keer Ivo Victoria.

Op Facebook circuleert de opdracht om een lijstje op te stellen van 25 random feiten, dingen, gewoonten of doelstellingen. Ik zal jullie allemaal een lol doen en aan niemand de opdracht doorgeven maar dit zijn mijn 25.

1. Mijn overtuiging: niemand verandert, iedereen wordt alleen maar meer zichzelf. Dus doe niet zoveel moeite.
2. ‘Niemand is ooit zo vaak beloftevol geweest als ik.’ is een zin die het boek wel heeft gehaald.
3. Het is mijn grootste streven om aan het eind van mijn leven niet meer bang te zijn voor de dood. Voorlopig nog weinig progressie gemaakt. Tips zijn welkom.
4. Ik ben 1 jaar lang roddeljournalist geweest. Ik heb in die periode geen enkele Bekende Vlaming ervan kunnen overtuigen om met zijn pasgeboren baby op de foto te gaan.
5. Stelling: Emile Mpenza is de meest overschatte Belgische voetballer aller tijden.
6. Mijn meest ongewilde talent is het op afstand houden van mensen. Het is niet mijn bedoeling, dus trek je er niks van aan.
7. Ik ben laf, rancuneus en ontzettend geduldig. Een dodelijke combinatie.
8. Ik heb nog nooit geweld gebruikt, zelfs niet een heel klein beetje. Ik wil dat zo houden.
9. Ik heb ontdekt dat ik kon schrijven door meisjes te versieren per email. Soms vind ik het jammer dat deze vaardigheid van geen nut meer is. U kan mij inhuren, evenwel.
10. Uitzonderingen daargelaten, heb ik een hekel aan mensen die voor televisie werken. Mensen die voor televisie werken denken dat nuance een vakantieplaats in Zuid-Frankrijk is.
11. Het grootste minpunt aan Amsterdam is het schrijnend gebrek aan petanquebaantjes. Ik overweeg een burgerinitiatief.
12. Toen David Platt in de 118e minuut België uitschakelde op het WK 1990, heb ik gehuild.
13. Ik heb ooit 25.000 frank gestolen. Ik kwam het slachtoffer twee maanden geleden tegen. Hij betaalde mij een biertje. Voor u de politie belt: de feiten zijn verjaard.
14. Ik lees al 5 jaar het boek ‘7 Habits of Highly Effective People’. Ik ben nog nooit verder geraakt dan Habit 3.
15. Ik verwijt mezelf gebrek aan maatschappelijk engagement.
16. Mijn favoriete quote is er een van de comedian Mitch Hedberg: ‘I'm sick and tired of following my dreams. I'm just gonna ask where they're going and hook up with 'em later.’
17. Ik ben veel dank verschuldigd aan de Belgische zanger/journalist Stijn Meuris. Dat moet ik hem nog eens een keer vertellen.
18. Jean-Luc Godard zei: ‘It’s not where you take things from – it’s where you take them to.’ Maar dan in het Frans. Ik ben het met hem eens.
19. Ik moet al twee jaar een bril maar ik verknal liever mijn ogen.
20. Versie 8 van mijn boek is af. Ik ben bang dat er nog een versie 9 volgt.
21. Toen de kans zich aandiende om naar Nederland te emigreren, heb ik daar letterlijk geen twee seconden over nagedacht. Ik raad iedereen aan dit te doen. Het niet nadenken, niet noodzakelijk het emigreren.
22. Terwijl ik dit schrijf heeft het gesneeuwd, geregend en nu schijnt de zon.
23. Op 16 maart wordt mijn iPhone-abonnement geactiveerd.
24. Ik ben beste vrienden met mijn dochter. Liefje zegt dat dat niet kan.
25. Op de magneetmuur boven mijn computer hangen vier A4tjes met ideeën voor het boek, een quote van Charles Bukowski, drie polaroids van The Sore Bottom Boys, de 10 tips voor een schrijver van Elmore Leonard, een toegangskaartje voor Arsenal-PSV in de 1/8ste finale van de Champions League 2007, een flyer van Mr. Hans (medium – helderziende – astroloog – magnetiser), een citaat van Jim Jarmusch en het omslagontwerp voor mijn debuutroman. Oh, en het telefoonnummer van onze babysit.

Fragment dat sneuvelde in het zicht van Versie 8.

Het is een lelijke, bakstenen doos met vierkante ramen waarachter voile gordijnen het buitenlicht bestrijden. Daar zit je dan, te wachten tot je herinneringen vervagen.

Af en toe worden er ‘dolende bewoners’ van het rustoord gesignaleerd in de buurt. Bewoners die naar buiten zijn gelopen en verdwalen in de nabijgelegen woonwijken. Waarom is men daar zo zeker van, dat ze dolen? Die mensen zijn misschien oud en moe en ze hebben hun leven tot op de draad versleten maar tegelijk: als het laatste wat je nog kan bedenken is dat je eruit wil, dat je uit dat domme bingohuis weg wil, maakt niet uit waar naartoe, als je nog liever verdwaalt dan thuis komt, als dat is wat je laatste krachten je ingeven, als dat is wat er nog overblijft van je fantasie, van je dromen, van alle dingen die je wilde – zou het niet logisch zijn te veronderstellen dat dát dan de essentie is? Zoals het vruchtvlees van een stuk fruit het eerste wegrot tot uiteindelijk alleen de pitten overblijven; zouden zo ook niet onze diepste verlangens het langst overleven en aan het eind weer ontkiemen, bevrijd van wat hen al die tijd omringde en gevangen hield?

Bébé d' Amour.

Toen ik Liefje leerde kennen was ik allergisch voor poezen.

Eens in de twee weken was ik een weekend in Amsterdam. Overdag zwierven we langs de grachten, ’s avonds hingen we in de Melkweg bij wijze van integratie en 's nachts werd ik wakker in ademnood en met jeuk aan mijn billen. Omdat Bébé bij ons in bed kroop.

Maar na een weekend of vijf besloot mijn lichaam dat het maar eens gedaan moest zijn met die aanstellerij want dat De Toekomst op het spel stond. Bébé kroop lekker bij ons onder de dekens en ik ben nooit meer allergisch geweest voor poezen.

Bébé werd geboren in de basdrum van een Bretoense rockband. Dat zegt eigenlijk al genoeg. Samen met Liefje emigreerde ze naar Amsterdam. Toen we op de Oudezijdse woonde, viel ze een keer van het dakterras, tien meter naar beneden. Sindsdien huppelde ze de trap op als een konijn.Vijf jaar geleden werd haar staart geamputeerd. Moest ze een tijd met zo'n kapje op lopen. Het zou niet de laatste keer zijn en ze werd er iedere keer op dezelfde charmante wijze bloedchagrijnig van.

Toen Lola Victoria nog een babytje was, kroop Bébé in haar wieg wanneer ze de kans kreeg. Dat vond ze heerlijk. Wanneer Lola op de grond speelde, kwam Bébé er lekker bij zitten en volhardde ook als Lola dacht dat je zo’n poes kon uitwringen.

Afgelopen maandag brachten we Bébé naar de dierenarts. Zachtjes gleed ze weg in de schoot van Liefje terwijl we samen een doos kleenex op huilden.

Toen we moesten betalen, bleken we onvoldoende saldo op de rekening te hebben. Ik had het niet anders gewild.

Hij zei Ivo tegen me.

Het was me aan de telefoon al opgevallen, maar nu helemaal. De fotograaf noemde mij Ivo. Hij noemde mij herhaaldelijk Ivo. In fact, hij begon elke zin die hij uitsprak met Ivo en als hij dat niet deed dan vond hij ergens halverwege de zin wel een bijzin of adempauze waarna hij vervolgde met ‘Ivo,...’ en dan de rest van wat hij wilde zeggen.

Nu heet ik Ivo. Maar niet echt. Ik vind dat er een verschil moet zijn tussen De Artiest en de Jan Modaal in mij dus ik heb ervoor gekozen te publiceren onder mijn blogpseudoniem. Dat voelde goed en stoer en ik ben een sucker voor stoer – niet stoer in de ogen van andere mensen, nee, maar voor mezelf. Laat mij mezelf maar stoer vinden.

Het heeft wel enkele praktische nadelen. Zo word ik regelmatig keihard geweigerd door bekenden als vriendje op Facebook. Of ze mailen mij “Ken ik u ergens van?’ en dan moet ik het uitleggen. En ik begin stilaan het nut in te zien van een apart telefoonnummer voor Ivo want ik blijf mensen in verwarring brengen wanneer ik opneem en mijn naam uitspreek.

Maar goed. Ik voel me er meestal toch stoer bij. Alleen nu, terwijl ik op het terras van het Muziekgebouw aan een glazen windscherm hing en op aangeven van de fotograaf mijn hoofd in de juiste hoek ten opzichte van het zonlicht probeerde te kantelen  - ‘Ivo, Ivo, nog een beetje schuiner ja zo, Ivo.’ – nu voelde ik me lullig. Wederom iets waarvan ik hoop dat het niet doorzet. Misschien is het een fase.

Van wezenlijk belang.

Vrijdagavond gingen Liefje en ik naar een feestje. De volgende ochtend schreef ik er een stukje over met een hoofdrol voor het nieuwe vriendje van de jarige. Ik had ’s nachts over hem gedroomd, namelijk.

Het was een onschuldig stukje. Maar vatbaar voor interpretatie.

Toen kwam het gewetensbezwaar, als een struikrover.

Ik beeldde me in welk vriendinnetje van Liefje het stukje eerst zou lezen en hoeveel nanoseconden het zou duren voordat de complete vriendenkring op de hoogte was gesmst. Dan de reacties, de verontwaardiging, de dorre woestijn die ons sociale leven zou worden. Daarna, onvermijdelijk, stille verwijten, vergeefse excuses en uitputtende discussies over hoederecht en alimentatie.

Dit wierp mij terug op de vraag of dat erg was. Na een korte denkoefening besloot ik dat het niet erg zou zijn op voorwaarde dat het stukje van wezenlijk belang was. Als wat je te vertellen hebt van wezenlijk belang is, kan je geen rekening houden met wat mensen ervan zullen vinden, wat voor ellende er ook van komt. Sterker nog: dat zou crimineel zijn.  

Ik besloot het niet te plaatsen.

Het is de eerste keer dat deze vorm van gewetensbezwaar zich manifesteert. Ik hoop niet dat het doorzet.

Drie zinnen die sneuvelden in het zicht van Versie 8.

1.
Onze buurt heeft alles wat de rest van de stad ook heeft, maar dan in de lelijke versie: grachten met zicht op de snelweg, een markt overdekt door een viaduct, een park waar niemand wandelt.

2.
Ik werd wakker met de smaak van lood in mijn mond.

3.
Met een melancholische blik in de ogen nam hij het afzuigpompje van het rek.