Schrijfdag, bis.

Het zou een gesprek worden over uitgeven en uitgegeven worden, maar door toedoen van de sympathieke Harold Polis werd het bij uitbreiding een gesprek over de toekomst van het boek, de literatuur, de mensheid, de zin van het leven en onze plek in de kosmos. Gelukkig liet hij Afghanistan erbuiten.

Achteraf zei Harold Polis dat wij elkaar kenden uit cafe De Nieuwe Linde op Antwerpen-Zuid. Ik dacht dat ik hem kende uit onze studententijd aan het UFSIA, al was het maar omdat ik zelden De Nieuwe Linde ben buitengelopen met behoud van mijn vermogen om me ook maar iets van de daar doorgebrachte uren te herinneren. Dat zou heel goed kunnen, beaamde Polis. Ik wist niet goed of ik daar blij mee was.

Na het gesprek kreeg Geertje De Ceuleneer nog een verbale draai rond haar oren van een dame op leeftijd die niet kon begrijpen dat haar prachtige dierenverhaal een bepaalde Radio1-uitzending over Kenia niet gehaald had.

‘Het ging over mensen. Al die verhalen gingen over mensen’, verzuchtte ze. ‘Terwijl ik net een prachtig verhaal over dieren had geschreven.’

Sommige levensverhalen zijn zo onstellend kort, ook na 70 jaar.

Daarna richtte de dame zich tot mij.
 
‘Meneer, meneer. Wat vindt u van dat boek van P.F. Thomese? Ik vind het een pedant, vervelend en schandalig boek.’

Ik heb nog nooit een boek van P.F. Thomese gelezen en dat vond ik jammer. Want het was een uitgelezen kans om te liegen. Ik liep verder, geheel tegen mijn volksaard in en liet die kans liggen, als een huilend kind. 

Ow, dat ben ik nog vergeten te vermelden, qua goede raad aan de zaal: vergeet niet te liegen.

Schrijfdag.

Vanavond rijdt het voltallige gezin Victoria naar Antwerpen alwaar wij zullen overnachten bij mijn lieve moeder. Er zal soep zijn.

De volgende ochtend moet ik om 9 uur in Leuven present zijn voor de Schrijfdag 2009 van Creatief Schrijven alwaar ik onder de deskundige leiding van Geertje De Ceuleneer in gesprek zal gaan met Harold Polis van uitgeverij Meulenhoff/Manteau over uitgeven en uitgegeven worden.

Ik ben de voorbije tijd regelmatig in contact gekomen met mensen die graag schrijven en op positieve wijze afgunstig waren met de betrekking tot hoe het precies een jaar geleden allemaal gegaan is. Ik probeer die mensen goede raad te geven. Maar eigenlijk ben ik daar totaal ongeschikt voor. Want let's face it: ik heb natuurlijk ook gewoon hoerenchance gehad.

Desalniettemin kijk ik uit naar het gesprek van morgen. Er zullen ook wat bloggers present zijn die ik graag de hand wil schudden dus ik zie met de beste wil van de wereld niet in hoe er vermeden kan worden dat het gezellig wordt.

Wachten op het schaap.

Vanochtend las ik een stuk van Jelle Brandt Cortsius in de Volkskrant. Hij stelde een toekomst in het vooruitzicht waarbij schrijvers in eigen beheer zouden uitgeven, zelf de marketing en publiciteit zouden inhuren en de (online) distributie regelen. Cut out the middle man (c.q., de uitgever) en je houdt veel meer geld aan de verkoop van je boek over dan die 10% royalty die schrijvers nu krijgen.

Daarbij verwees Jelle naar de muziekindustrie.

Ik ben heel blij met mijn uitgever en mijn redactrice. Maar ik ben bang dat Jelle gelijk heeft. Vijftien jaar geleden was je als muzikant een complete loser als je een cd in eigen beheer uitgaf. Ik kan het weten. Dat was iets voor muzikanten die geen platencontract konden krijgen. Maar nu zijn de platenmaatschappijen hun onmisbare rol als schakel tussen artiest en consument kwijt gespeeld (omdat ze de digitalisering verkeerd hebben ingeschat) en ligt de macht bij de muzikanten – als ze dat willen. Ze huren gewoon de expertise in die ze nodig hebben, bereiken de consument rechtstreeks via het web en scoren daar keiharde resultaten mee. Het meest recente voorbeeld in Nederland is Kyteman: een artistieke en commerciële voltreffer die alles zelf doet. Er is niks ongeloof- of minderwaardigs meer aan eigen beheer.

Boekenland bevindt zich momenteel in dezelfde fase als muziekland 15 jaar geleden. De déjà vu's vliegen me rond de oren. Ik hoor mensen over kopieerbeveiliging (gaat nooit werken, folks – all you need is one nerd), over de prijs van eBooks (je kan wel onderbouwen waarom die niet te goedkoop mogen worden maar de consument zal het nooit accepteren), en wie in eigen beheer (on demand) publiceert – dat zijn losers, mensen die geen echte uitgever kunnen vinden.

Het wachten is op het schaap dat de dam vernielt.

Vooralsnog geen biotoop.

Zou dit dan mijn nieuwe biotoop zijn? Dat vroeg ik me af, terwijl ik vrijdagavond over het Spui liep tijdens de Boekennacht. Kraampjes, lichtjes, schrijvers die voorlazen, schrijvers die bier dronken, redactrices die giechelden. Kom op, Victoria. Schubben kweken en een goed stel kieuwen aanschaffen. Hoe moeilijk kan het zijn.

Maar op de een of andere manier lukte het me niet. Ik slenterde rond, twitterde wat foto’s van schrijvers die ik digitaal ken en maakte me vervolgens snel uit de voeten. Want voor handen schudden voel ik me nog te veel, ehm, onschrijver. En sowieso: langs de zijlijn binnenmonds tegen mezelf staan mompelen dat het ooit allemaal wel goed zal komen, dat zal wel altijd mijn natuurlijk staat van zijn blijven. Daar kan geen biotoop iets aan veranderen.

Rond half elf stond ik op een podium in de eBooklounge in Cafe Dante. Dat voelde dan weer volkomen vertrouwd al had ik misschien liever een gitaar omgord. Maar zodra ik ervan af stapte, zag ik ze weer overal: De Andere Schrijvers. Snel trok ik me terug in de minst literaire kroeg uit de omgeving en besprak samen met mijn eerste twee fans de mogelijkheden om aantrekkelijk te blijven met een bril op. Die waren eindeloos, zo werd mij verzekerd.

Zondagmiddag dan, was het Walhalla in Panama. Op het laatste moment besloot ik te gaan wandelen op het strand.   Ik haat wandelen.

Ik vraag me af of dat gevoel in de komende tijd weg zal ebben, nu het boek af is.

Ivo Victoria in een soort van avant-premiere.

Vanavond is het Boekennacht. Ik zal tussen 22h en 23h opduiken in Café Dante in de Spuistraat om aldaar in de eBooklounge een stukje voor te lezen uit een Bebook. Dit ter meerdere eer en glorie van de vooruitgang. Overigens zal dat stukje gewoonweg een stukje uit Het Boek betreffen. Met wat goede wil en een gezonde dosis misplaatste arrogantie, kunnen we dat een avant-première noemen, hupakee!

Overigens heb ik mezelf ook nog voorgenomen om tussen de bedrijven door even naast Jowi op de bank te gaan zitten, dit met het oog op het realiseren van een droom.

De spanning!

Het menselijke aspect van een driehoekje bal gehakt.

Ik reed op de snelweg, het was lunchtijd en dus stopte ik bij het tankstation. Dat was natuurlijk geen toeval, nee, dat had ik zo gepland. Want ik ben dol op die laffe driehoekjes. Met name het driehoekje bal gehakt. Dat is mijn favoriet. Ze hebben ze niet in alle tankstations. Bacon & eggs, die variant kom je echt overal tegen. Maar het distributienetwerk van driehoekjes bal gehakt is een grillig perpetuum mobile. Niemand die precies weet hoe het zit. Lotta ins, lotta outs.

Ze hadden driehoekjes bal gehakt.

Wat ik zo goed vind aan die driehoekjes, is het menselijke aspect. Ik weet dat ze eruit zien alsof ze machinaal zijn bereid en ingepakt, maar dat geloof ik niet. Dit keer zat er bijvoorbeeld een blond haar in mijn eerste driehoekje. Een blond haar. Een studente. Rank, slank, 2e jaar verpleegkunde en ’s nachts bijklussen bij de driehoekjesfabrikant want van je stufi alleen red je het niet. Kijk, zo’n beeld geeft zin aan je trek.

Er zijn mensen die beweren dat de driehoekjes niet te vertrouwen zijn. Ongezond. En soms spugen ze erin voordat ze ze inpakken. Ten eerste: dat gebeurt ook in een sterrenrestaurant. En erger. Ten tweede: waar komt die angst voor spuug vandaan? We zouden allemaal wel spuug willen uitwisselen met een ranke, slanke, blonde studente verpleegkunde maar niet als het tussen een broodje bal gehakt zit?

Ik nam mijn tweede driehoekje. Er bleef wat saus aan mijn vingers hangen.

Gelukkig deed de lachband het.

Alsof ik niet over mezelf, maar over een personage uit een boek aan het vertellen was. Een berekende anti-held die als een ervaren circusartiest met zijn eigen opportunisme en kwetsbaarheid jongleerde ter vermaak van het publiek. Zo voelde het, gisterenmiddag tijdens Echt Gebeurd in Toomler, alwaar ik voorlas uit mijn puberdagboeken. De lachband deed het, gelukkig, en zo kon ik ook nog even proeven van wat stand-up comedians daar gewoonlijk meemaken. Achteraf bedankte een jongeman mij voor mijn openhartigheid. Ehm ja, ik denk nog even na of het graag gedaan was.

Daarna begon het angstig afvragen of ik in al die jaren wezenlijk veranderd was. Jammer genoeg geloof ik niet in verandering, enkel in voltooiing.

Echt gebeurd.

Ik heb me laten overhalen om iets te doen waarvan ik weet dat ik spijt ga krijgen. Je moet wat.

Aanstaande zondag neem ik deel aan ‘Echt Gebeurd’ in Toomler. Dat is een maandelijkse voorstelling bedacht en gepresenteerd door Jan Jaap van der Wal en Micha Wertheim waar mensen waargebeurde en bij voorkeur spectaculaire, ontroerende, geestige of hallucinante verhalen vertellen. Over dingen ze zelf hebben meegemaakt. Zeer de moeite.

En dus best mooi dat ik daarvoor gevraagd word, ware het niet dat ik invulling mag geven aan het genantste onderdeel van de show, namelijk: het dagboekmomentje. Waarbij ik verondersteld word voor te lezen uit mijn puberdagboek.

Ik heb een puberdagboek. Ik hield het bij van de nacht van 28 op 29 november 1987 tot en met 6 februari 1988. Dat is niet lang. Maar de hoeveelheid genante puberpraat die ik in die nauwelijks 21 handgeschreven A4tjes heb weten te proppen, valt nauwelijks te bevatten. 

Kaartjes voor de show zijn hier te koop. Vergeet uw teennagels niet te trimmen voordat u komt. De kans is groot dat ze anders tijdens de voorstelling los door uw schoenzolen heen krullen.

De waarheid is geen verhaal.

Ik ging zitten en ik legde mijn notitieboekje en pen op tafel. De man vroeg waarom ik dat deed. Ik vertelde dat ik altijd een notitieboekje en pen bij me had. Dan kan ik af en toe iets opschrijven wanneer de conversatie wat memorabels oplevert.

‘Dingen die ik zeg?’ vroeg de man.
‘Ja, dingen die jij zegt. Of dingen waaraan ik moet denken omdat jij wat zegt,' antwoordde ik.
‘Ok,' zei de man.

We spraken. Af en toe schreef ik wat op. Na een tijdje vroeg de man of ik al dingen had opgeschreven die hij had gezegd. Ik zei dat dat zo was. De man vroeg of ik zijn quotes aan hem wilde voorlezen. Dat deed ik. De man luisterde.

‘He, wacht ‘ns even,’ zei de man. ‘Dat heb ik zo helemaal niet gezegd.’
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Dat heb je zo niet gezegd.’
‘Jamaar,' zei de man. ‘Jamaar. Kan ik daar dan niks meer aan veranderen?’

Ik schudde het hoofd. Ik vertelde hem dat het voor mij van belang was dat hij dat zo gezegd had. De waarheid is geen verhaal.

Dag Ome Lex.

Er danst een kind door de winkel en het zingt. ‘Dag Ome Lex, dag Ome Lex’.

Bij de tijdschriften staat een vrouw te praten met een man. Ze voeren een gesprek dat slechts één bedoeling heeft: dat het blijft duren.

‘Wij gaan op vakantie.’
‘Zeker naar Turkije.’
‘Nee, wij gaan naar zo’n klein plaatsje, hoe heet het ook alweer.’
‘De halve wereld gaat naar zo’n plaatsje.’
‘Nee, echt.’

Het kind danst door de winkel en zingt: ‘Dag Ome Lex, dag Ome Lex.’

Met steelse blikken wordt het toeval verder in scène gezet. Als jij nu nog niet naar de kassa loopt, dan heb ik nog niet al mijn boodschappen gevonden. Het is een steekspel van ‘Oh, dus jij werkt nu hier in de buurt’-s tegen ‘Wij gaan ook verbouwen’-s terwijl tijdschriften worden opgepakt, blind doorbladerd, neergelegd.

Ondertussen zingt het meisje zacht. Ze heeft een stripboek vast.

Even later staat de man voor mij in de rij. De vrouw achter me. Er wordt in twee richtingen zorgvuldig langs mij heen gekeken.

‘Dag Ome Lex, dag Ome Lex.’ Het meisje wipt van het ene been op het ander.

Dan vindt ze een vriendinnetje. De vrouw loopt naar het meisje. Een andere klant komt achter me staan. De vrouw raakt in gesprek met de moeder van het vriendinnetje.

De man kijkt me moeilijk aan. Ik zie hem denken. Hoe kan ik uit de rij stappen zonder betekenis te veroorzaken? Ik ben gedoemd af te rekenen. Ach. Kijk ik terug. Zijn we dat niet allemaal?

‘Dag Ome Lex, dag Ome Lex,’ zingt het meisje zacht.