Laat het collectieve oeh en aah slaken een aanvang nemen.

Afgelopen weekend werd het gezin Victoria uitgebreid met deze kanjer.

Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we hem hebben uitgekozen omdat hij zo goed bij onze houten vloer past. Maar daar staat dan weer tegenover dat we hem liefdevol Lucien gedoopt hebben - en wie wil er nu niet met zo'n naam door het leven? Nu ja. U en ik, zonder twijfel, maar in kattenland ben je dan echt de shit en de shizzle, neem dat maar gewoon van mij aan.

The Sore Bottom Boys – extra editie: Solo Loe en de sleutel tot de ware toedracht bij het overlijden van Michael Jackson.

Solo Loe: ‘Hallo?’
Ivo Victoria: ‘Jongen. Loe. Vriend van me.’
Solo Loe: ‘Hey fokker. Hey lul. Hey loser van het zeventiende knoopsgat.’
Ivo Victoria: ‘Ehm. Loe. Jongen. Vriend van me. Is er wat aan de hand?’
Solo Loe: ‘Er is opzeker wat aan de hand. Jij zit lekker bijdehand de interessanteling uit te hangen op internet. Een beetje rondbazuinen dat jij voorspeld had dat Michael Jackson in 2009 zou sterven terwijl je donders goed weet dat ik jou getipt heb. IK wist het. IK heb het jou gezegd. En nu ga jij &*^%*&^(**). Lul.’
Ivo Victoria: ‘Ehm. Loe. Toegegeven. Ik heb die credit gepakt. Bite me. Dus. Staat onze vriendschap nu onder druk?’
Solo Loe: ‘Opzeker.’
Ivo Victoria: ‘Maar Loe, wat is nou eigenlijk het probleem. Ben je niet blij? Jij haat Michael Jackson toch? En nu is hij dood. Is dat niet het belangrijkste?’
Solo Loe: ‘Nou, nou, haten.’
Ivo Victoria: 'Nou, nou, Loe. Ik meen mij te herinneren dat jij er nogal op stond om bij de dood van Marcel Marceau het ware ontstaan van de moonwalk correct te duiden.’
Solo Loe: ‘Omdat Jackson die hele moonwalk van Marcel Marceau gepikt heeft! De vuile ex-neger!’
Ivo Victoria: ‘Juist. En is het niet zo dat jij, in tegenstelling tot wat ik – om jou te pleasen – in dat weblogstukje beweerde, heel wat kansen op seksueel geslachtsverkeer hebt verknald? Omdat je, in plaats van je te beperken tot je geilheidopwekkende moonwalk, liever het doelwit van die avond verveelde met een lezing over de ware uitvinder van deze belangwekkende dansmove?’
Solo Loe: ‘Die domme wijven dachten allemaal dat die ^%$#$%&*^ bleekscheet het zelf bedacht had! Maar het was Marcel! God hebbe zijn ziel. Marcel! Marceau! Marcel! Marceau! Awoert Michael Jackson! Awoert! Mensen onderschatten het cultuur-historisch belang van de moonwalk op breed-maatschappelijk vlak om nog te zwijgen van haar invloed op de sociale verhoudingen...’
Ivo Victoria: ‘Ja, ja. Ok. Solo Loe. Mag ik...’
Solo Loe: ‘Michael Jackson moet dood. DOOD!’
Ivo Victoria: ‘Loe. Hij is al dood. Maar ehm, mag ik een vraag stellen?’
Solo Loe: ‘Grmbl.’
Ivo Victoria: ‘Waar was jij op de avond van 25 juni, zo pakweg tussen 20h en 24h ’s avonds?’
Solo Loe: ‘Klik.’

Hangouders.

Wij staan hier. Met onze handen in onze zakken. Wij hangen op dit plein en we veinzen desinteressse. Omdat dat staat. Omdat dat ons staat.

We slenteren een eindje, we gaan zitten op een bank. Ginds speelt onze toekomst en wij zijn bang. Maar dat kunnen wij nu niet zeggen, dat is ons gedeeld geheim; het houdt ons samen, als verdroogde lijm.

Hier staan we. We knikken elkaar toe. Is het bemoedigend of solidair, is het bluf of is het flair – niemand die het weet en wij al helemaal niet. Wij wilden hier niet staan, wij zijn hier gebracht door dat wat gisteren de toekomst was.

We dragen zonnebrillen. We kijken elkaar aan. Ginds gilt de toekomst – er zit zand in haar oren en ze wil een bjenaan.

Ik zweer u: met wat harde returns op de juiste plaatsen had dit een gedicht kunnen zijn. Dus dat was op het nippertje.

Nieuw fragment.

Ik heb een nieuw fragment uit het boek on line gezet en wel hierrrrrrr.

De Muur.

Ja, lekker stoer doen over je boek maar ondertussen gemakshalve vergeten dat je nog never nooit iets gepubliceerd hebt in een literair medium dat er toe doet - zo ken ik mij maar al te goed.

En zo kwam het dat ik een tijdje geleden Bert Wagendorp mailde, gedreven door die dekselse overmoed die mij past als een tweede huid, en hem op subtiele wijze liet verstaan dat hij niet om Ivo Victoria heen kon bij het samenstellen van het jubileumnummer van De Muur, het literaire wielertijdschrift onder leiding van Bert zelf, Mart Smeets en Peter Ouwerkerk. Ja, inderdaad, wie denk ik eigenlijk dat ik ben?

Maar goed, het siert Bert dat hij erin trapte en vanaf dit weekend ligt hij in al zijn glorie te pronken in de betere boekhandel: het 25ste nummer van De Muur.


Ik schreef een non-fictie verhaal over mijn jeugdheld Lucien Van Impe en hoe ik als twaalfjarige wielergek moest meemaken hoe Van Impe op onverklaarbare wijze de Ronde van Frankrijk van 1983 niet won.

He mama, kijk: ik sta op de cover bij het rijtje Beroemde Schrijvers. Trots!

Les Culs Enflammés bedrijven de liefde. (3)

In het Normandische vakwerk huis dat momenteel de eer en het genoegen heeft The Sore Bottom Boys te huisvesten werken onze helden met een akelige combinatie van wilskracht en talent aan hun nieuwe album: een Neil Young-tribute dat zij zullen voorstellen in het voorprogramma van het aankomende concert van Crosby, Stills & Nash. Het is hard labeur tot in de vroege uurtjes maar de motor der Sore Bottom Boys draait op brandstof van de hoogste kwaliteit.

‘Ecoutez, mes amis. Ce sont hier wel Champions League-toeters die ik tourner, hè’ herinnert Solo Loe zijn makkers aan zowel het vreugdevolle als het evidente.
Tevreden lurkend voeren de Boys gesprekken van zulk een duizelingwekkend niveau dat het maar goed is dat ze geen hoogtevrees hebben. Daarbij worden maatschappelijke kwesties niet geschuwd.

‘Neem nu zo’n Berlusconi. Het is overduidelijk dat die gast de boel belazert en op kosten van de belastingbetaler in het rond neukt en feest met een stel lekkere wijven met giga tieten dat het een lieve lust is en hij komt er nog mee weg ook,’ fulmineert Ivo Victoria.
‘Niet te doen,’ valt Polka hem bij.
‘Onvoorstelbaar,’ zucht Solo Loe. ‘Wat doen wij in godsnaam verkeerd? Maareh, Ivo, wil je mij een plezier doen?’
‘Zeker, vriend. Zegt u maar.’
‘Ik hanteer heden ten dage liever de termen ‘liefde bedrijven’ en ‘mooie vrouwen’ in plaats van neu... nou ja, die vieze woordjes die jij net gebruikte. Enneh kunnen we het over borsten hebben in plaats van tieten? Nou ja. Eigenlijk heb ik het liever helemaal niet over de uiterlijke kenmerken van dames; uiteindelijk gaat het toch om het innerlijke.’
Als versteend blijven de wenkbrauwen van Ivo Victoria en Polka Paultje minutenlang tegen hun haargrens aan staan.

Het lijkt een minuscuul incident in een verder kwintessentieel gesprek over de basiswaarden van het leven: muziek en drugs. Namen worden genoemd, besproken, gekeurd, gewikt, gewogen, gerold, gerookt, vergeten. Het gebeurt allemaal met de souplesse van een panter. Zachtjes knispert het houtvuur van contentement.

‘Mannen, zomaar een vraag: wat vinden jullie van The Smiths?’ vraag Ivo Victoria inderdaad zomaar iets.
‘Homo’s.’ zegt Solo Loe zonder ook maar 1 keer met zijn ogen te knipperen. ‘Ehm, ik bedoel: mannen die de herenliefde bedrijven.’
‘En jij, Polka?’
Bedachtzaam strijkt Polka Paultje met zijn hand langs zijn zorgvuldig gecultiveerde 5 o’ clock shadow.
‘Tja, ik weet het nooit zo goed. Dan zit ik op de trein en dan zie ik hem liggen en ja, dan ben ik toch geneigd om die andere, hoe heet-ie ook alweer, te nemen. Mmm. Het is een moeilijke keuze.’
Nu zijn het Solo Loe en Ivo Victoria die eensgezind de wenkbrauwen in stelling brengen.
‘The Smiths, Polka. Niet De Spits. The Smiths.’
‘Oh, nou, die vind ik goed.’
‘Ok dan.’

Les Culs Enflammés gaan op tennis. (2)

‘Mannen!’ hijgt Solo Loe. ‘Ik ben een toptalent!’

Met veel gevoel voor drama slingert Loe de bal boven zich uit en mept hem keihard naar de overkant. Met een droge klap stort een patrijs neer op de baseline. Solo Loe pakt zijn telefoon en begint te tikken.

‘Out’ constateert Polka Paultje.
‘In! Die bal was in!’ gilt Solo Loe terwijl hij op ‘send’ drukt. ‘In! Ik ben dinges, je weet wel, die rocker.’
‘John McEnroe?’ zucht Paultje.
‘Ja! Die! John McDinges! Die ben ik! En dat was fokking in!’ juicht Solo Loe over het geluid van een inkomend bericht heen. Meteen lanceert hij de volgende bal in een baan om de aarde; een miljoen jaar oude oerkreet weerkaatst door de Normandische heuvels.
Dat is het sein voor Ivo Victoria om met ijzingwekkende cool het veld op te wandelen. In zijn rechterhand fonkelt een glaasje water.
‘Hier, dikke.’

Even later rusten de Boys uit van de geleverde inspanningen. Midden in de vrije natuur, aan de rand van een verwarmd zwembad, komt hun talent pas echt tot uiting en durven zij zich ook emotioneel bloot te geven. Het zijn situaties waaruit menig succesvol TV-format te distilleren valt.

‘Vinden jullie dat ik teveel sms?’ vraagt Loe de ultieme retorische vraag.
‘Nou, veel, wat is veel?’ repliceert Polka gevat.
‘Sorry, wat zei je Paultje?’ Driftig pompt Solo Loe zijn diepste zieleroerselen het mobiele netwerk in.
‘Jongens, ik ga keihard onderwater baantjes zwemmen,’ legt Ivo Victoria de lat waar hij liggen moet.
‘Hard afzetten’ adviseert Polka Paultje. ‘Hard afzetten is het halve werk.’

Even later trekt een rode vlek zich moeizaam aan de kant. ‘Van rock bottom gesproken, zeg.’ Ivo Victoria masseert voorzichtig zijn gehavende reukorgaan. Het bloed druppelt over zijn kin tot op zijn borstkas – het is een even monsterlijk als geil tafereel dat echter van geen verdere invloed is op de gemoedelijke intellectuele titanenstrijd die de Boys op vriendschappelijke wijze met elkaar aangaan.
Het is mooi hoe geen enkele vorm van feitelijke kennis schijnt te kunnen verhinderen dat zij op uitzonderlijk hoog niveau het groter geheel der dingen te duiden.

‘Weet je wat dat is, een zwart gat?’ filosofeert Polka Paultje wat in het wilde weg. ‘Dat is een planeet die geïmplodeerd is tot de grootte van een zandkorrel. En die zandkorrel bevat zo duizelingwekkend veel materie dat de daardoor gegenereerde aantrekkingskracht alles in de omgeving naar zich toetrekt.’
‘Zo, Polka. Dus zo’n zwart gat, dat is een beetje zoals ons succes?’ vraagt Ivo Victoria oprecht geïnteresseerd edoch op licht nasale toon.
‘Wat?! Is ons succes geïmplodeerd?!” schrikt Solo Loe wakker uit een nachtmerrie in dewelke hij geen toegang meer had tot mobiele communicatiemiddelen.

Mijmerend over dit alles en nog een beetje bang draait Solo Loe onmiddellijk een toeter waar menig planeet van zou imploderen. En zo waait de middag vreedzaam weg, gedragen door een elegant Normandisch briesje, slechts om de 30 seconden onderbroken door het zachtmoedige bliepen van een inkomend sms-bericht en het daaropvolgend gelukzalig glimlachen der Loe.

Ja, het is hier, c’est ici, te midden van stemmige landerijen, wifi-loze heuvels, 143 lege flesjes Kronenbourg 1664 en een Pomerol van een goed jaar dat The Sore Bottom Boys zichzelf hebben teruggevonden.

Iedereen is onder de indruk.

Les Culs Enflammés sont de retour. (1)

‘Jongens, het is hier fan-tas-tisch!’

De telefoon staat op speaker en het stemgeluid van Solo Loe zweeft zalvend door de kamer, als een orkaan. Glimlachend kijken Polka Paultje en Ivo Victoria elkaar aan. Ze denken hetzelfde.

‘Jongens, echt, een top-plek!’

Solo Loe’s enthousiasme grenst aan het intergalactische en een ervaren Sore Bottom Boy weet pre-cies wat dat betekent.

‘He Loe, te gek man. Maareh, wat voor weer is het daar?’ vraagt Polka Paultje onschuldig.
‘Oh, man, het regent hier ouwe wijven. Helemaal te gek!’ schreeuwt Loe op karakter.
‘Hey en je ligt nu in het zwembad?’ doet Ivo Victoria quasi achteloos.
‘Het is een openlucht zwembad dus dat gaat nu even niet, maar het is helemaal te gek man, verwarmd enzo.’
Haast onmerkbaar vloeit de kracht uit Solo Loe’s stem weg, maar de oren van Polka Paultje en Ivo Victoria zijn geoefend als een doorwinterde paramilitair.
‘Zo, mooi man. En jij bent natuurlijk non stop aan het blowen en zuipen en neuken.’ Polka Paultje deelt de genadeklap uit.
‘Ehm jaaaaaaaa.’ twijfelt Loe. ‘Ehm jaaaaaa, uitermate.’
‘Loe.’ komt Ivo Victoria ter zake.
‘Ja.’
‘Je verveelt je.’
‘Neeneeneenee zeker niet, nee, ik heb een boek bij.’
‘Een boek.’
‘Ja, een boek. Ik heb een boek meegenomen.’
‘Je bedoelt: je hebt jouw boek meegenomen. Of heb je tegenwoordig nog een boek?’
‘Mmmneeeeee, mmmmjaaaaa.’
‘Loe. Je verveelt je.’
‘Neeneeneenee!’
‘Loe. Je bent 1 dag alleen in een villa in de plensende regen in Normandie. Er is niemand anders dan jij. Niemand belt je. Je hebt geen email, geen internet en je spreekt geen Frans. Je verveelt je. Je verveelt je. Je verveelt je.’
‘WAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAH’
Solo Loe’s mentale weerstand breekt als een luidruchtig twijgje.
‘Jongens kom asjeblieft, kom asjeblieft, kom asjeblieft naar hier, ik red het niet meer, ik mis jullie, jullie zijn mijn everything.’

Langzaam trekken Polka en Ivo de wenkbrauwen naar elkaar op en wisselen het soort blik van verstandhouding uit die enkel de grote geesten van deze tijd in hun repertoire hebben.

‘Wij zijn je everything. En?’
‘Hoezo, en?’
‘Wij zijn je everything en...? Kom op, zeg het dan.’
‘Boys, jullie zijn mijn everything ennnnn.... willen jullie asjeblieft voor 50 euro Afghaan meenemen?’
‘Consider it done.’ Polka gooit de hoorn erop.

Luttele minuten later hebben Polka Paultje en Ivo Victoria hun koffers in de auto gezet en zetten zij op scheurende wijze koers richting het pittoreske Normandie. Ter hoogte van Breda wil Victoria wat vragen maar Polka is hem voor: uit zijn binnenzak tovert hij een bruin stuk magie.

Aan de horizon zakt de zon samenzweerderig weg. Polka trapt het gas in. Het asfalt bromt tevreden. Er is niemand die nog iets kan doen: Les Culs Enflammés sont de retour, et en route!

De zucht der minachting en verraad.

Mijn kapster heeft mij gedumpt. Zoveel kon ik concluderen toen ik welgemutst mijn favoriete kapperszaak betrad en mijzelf luttele seconden later terug vond in de handen van een Oost-Europese lesbo genaamd Constanza.
Mijn kapster knipoogde terwijl ze aan de telefoon onduidelijke wissewasjes uitwisselde met haar lief. De bitch.

Nu heb ik niks tegen lesbische vrouwen en al helemaal niet wanneer ze uit Oost-Europa komen – sommige van mijn favoriete websites en films gaan integraal over lesbische vrouwen uit Oost-Europa – niets dus, BEHALVE wanneer ze mijn haar knippen met als resultaat dat ik er zelf uit ga zien als een Oost-Europese, al dan niet lesbische, vrouw. Aldus geschiedde.

Daarna begaf ik mij, in nikaab, naar mijn favoriete kledingzaak op de Nieuwe Hoogstraat. Mijn favoriete kledingzaak heeft supermooie kleren, echt, maar er winkelen is balanceren op de ragfijne, zijden draad der goede smaak die helaas enkel zichtbaar is voor de verkoper. Het merendeel van de tijd lig je hulpeloos op de grond.

Ik vroeg de verkoper of hij nog mooie truitjes met een v-hals had.
‘Nee.’ Hij zuchtte de zucht der minachting en verraad, en keek mij aan alsof hij mijn kapster kende. Het was een samenzwering, zoveel is mij nu duidelijk. Vervolgens presenteerde de verkoper mij zeven truitjes met ronde hals, waarvan er drie in werkelijkheid polo’s waren. Toen ik zei dat polo’s niet echt mijn ding waren, riep hij de beveiliging.

Daarna werd alles zwart.

Loop met mij mee.

Loop met mij mee. We beginnen bij de Nieuwe Linde. Wanneer je daar buiten komt, weet je niet meer wat er binnen is gebeurd. Zo moesten er meer plekken zijn. Dan gaan we door de Edward Pécherstraat en we stoppen bij nummer zes. Op mijn bel staat geen naam.

Loop met mij mee. Over de kaai, langs de Sinksenfoor, L’Entrepot du Congo, Zurich en Farine; vechten voor je lever en je maag. Dan steken we door tot op de Volksstraat. Godverdomme. Godverdomme. Kijk die terrassen. Overal terrassen. Waar komen al die lelijke zwarte Vedett-terrassen vandaan? Waar is de afgeleefde schaarste die ons vreugde en een zelfbeeld schonk? Wie is er nog van hier, zoals wij? Wie kent ons nog, zoals wij? Wie zijn die mensen? Wie kent er nog ons bier?

Loop met mij mee. Achter het museum, langs plekken waar wij kansen om te neuken lieten liggen. Naast het museum, over de grindbaan waar ik mijn afscheid vierde. Dat was nog eens een afscheid, een afscheid met stalen ballen. Maar nu speelt er niemand meer, althans toch niemand van belang.

Loop met mij mee. Loop met mij mee. Iedereen is blij. Ik niet. Ik niet. Ik ben ook niet triest. Ik ben ook niet vrij. Ik ben van hier, als de zon. Maar je hebt nog maar pas je rug gekeerd of niemand kijkt nog om.

Ik was in mijn gedachten.

Ik was in mijn gedachten. Zo zegt Liefje dat: je bent weer in je gedachten. Ze zegt ook: dat gaat je nergens om (dat gaat je niks aan). En: alles is naar de zeep (het is om zeep).

Ik zou willen dat meer Franstalige vrouwen Nederlands leerden. De mannen niet. Het gaat me niet om het principe; de taalkwestie vind ik een zaak voor mensen die niet weten dat ze zich vervelen – neem een hobby. Ik vind het gewoon geil.

Maar goed. Ik was weer in mijn gedachten; een plek waar ik graag mag vertoeven. Rustig slenterde ik rond. Op gezette tijden nam ik een zijweggetje. Af en toe twijfelde ik bij een T-punt. Maar keuzes maken valt me makkelijk wanneer ik in mijn gedachten ben. Wellicht is dat een van de redenen waarom ik er zo vaak en zo graag verblijf.

Uiteindelijk besloot ik een grillig pad te volgen – in mijn gedachten ben ik avontuurlijk – maar al na enkele meters werd de weg mij versperd door een omgevallen boomstam. Op die boomstam zat een hele kleine ninja.

‘Als ik jou was, zou ik omkeren.’ De ninja was dan wel klein, maar ook vastberaden.
‘Hoezo?’ zei ik. ‘Ik ben hier toch in mijn gedachten?’
‘Dat klopt’, sprak de ninja. ‘Jij bent hier in jouw gedachten. En nou omkeren en rap een beetje.’
‘Luister, vriend.’ Ik keek de ninja rustig aan. ‘Ik ben al zo vaak in mijn gedachten geweest, ik denk wel dat ik zelf kan bepalen wanneer ik hier weg moet.’
De hele kleine ninja was niet onder de indruk.
‘Luister, vriend’, sprak hij. ‘Jij kan vast en zeker wel denken dat je weet wanneer je hier weg moet. Maar de realiteit is dat jij daar helemaal niet over gaat.’
‘Ik ga er niet over? Ik ga er niet over?! Maar ik ben toch in mijn gedachten?’
‘Ach.’ De hele kleine ninja wuifde mij hoofdschuddend toe met de rug van zijn hand. ‘Zo noemen ze het alleen maar. Wanneer de premier de natie toespreekt, dan heeft hij het toch ook over “ons land”?’
Ik knikte.
‘Nou dan,’ zei de hele kleine ninja. ‘Dat is precies hetzelfde.’

Ik keerde om. Toen ik mijn gedachten weer verlaten had kwamen we aan in Antwerpen – mijn stad.