Kijk mama, een echt boek!

Dus daar stond ik dan. Met in mijn handen een boek dat ik geschreven had. Het moest niet gekker worden. Maar dat werd het natuurlijk wel. Ergo: het petje dat Wanda, mijn lieftallige redactrice, op heeft. Najaar 2009 kan je niet meer zonder gezien worden. Nee, serieus.

Er gaat een dag komen dat dat boek ook gewoon in de winkel te koop is, ik zweer het jullie. Trots!

De natuur is een boek.

Dus hier stonden we dan, in hartje Veluwe. De zon wierp ons gul haar stralen toe en daar was Ko, de boswachter.

Het was al te makkelijk om Ko een karikatuur te noemen. Een karikatuur doet opzet vermoeden. Ko was niet bedacht. Hij was ondenkbaar.

Enthousiast leidde hij ons door die prachtige metafoor voor het leven, natuur genaamd.
‘Je hebt parasieten en saprofieten’, zei Ko terwijl hij ons een zwammetje voor hield. ‘Parasieten leven ten koste van anderen, saprofieten ruimen het afval op.’
Zie je wel, dacht ik. Net mensen.

Even later stonden we op de heide. Ko hield een minuscuul bloemetje onder een vergrootglas.
‘Je hebt diepzeeduiken en dan heb je de Lucifer.'
Wij kregen geen kans om tot de tweede en derde laag van deze analyse door te dringen. Er was te veel te vertellen.
‘De natuur is een boek: je moet samen delen. Wie de liefde niet deelt, maakt de ander kapot.’

Soms wil je als schrijver liever niet letterlijk citeren, soms moet het wel. Het is de enige verdediging tegen het misverstand. Nu zie ik verkeerd begrepen worden over het algemeen niet alleen als mijn lot, maar ook als mijn plicht. En af en toe wil ik er onderuit.

Aan het eind van de wandeling, deelde Ko twee stenen uit: geluk en liefde.
‘Ik heb iets met stenen. Je moet me niet vragen wat het is, maar ik heb het.’
Wij vroegen niets.
‘Ik weet niet aan wie ik deze stenen ga geven,’  zei Ko. Hij keek er ernstig bij. ‘Maar ze komen altijd bij de juiste persoon terecht.’
Toen gaf hij een steen aan Liefje. Toegegeven, dat was geluk.

Oh ja, de vrouw van Ko, Corry, schildert aquarellen van herten. Zij is de enige die dat kan.

Ik wil niet sterven.

Van alle dingen die mij intimideren in dit leven – ik noem de dood, liefde, Stacey Rookhuizen – vrees ik het meest: een afspraak voor onderhoud maken met de garage.

Ik wil een afspraak voor onderhoud bij de garage en ik wil ze snel, morgen, overmorgen, zeker nog deze week. Dus ik bel – maar niet voordat ik mijzelf voor de spiegel de nodige assertiviteit heb ingepraat, niet voordat ik een glas whisky in één teug heb geledigd, niet voordat ik het beoogde telefoonscript met alle denkbare ontsnappingsroutes in een flowchart heb uitgetekend.

Dus ik bel en ik zeg dat ik een afspraak wil maken en met mijn wijsvinger glijd ik over de flowchart langs de dingen die volgens mij aan mijn wagen schorten en die ik nu ga opsommen, ja, ik ga het nu zeggen, ik doe het snel, snel, snel, het draait om snelheid en efficiëntie, daar ga ik, let op, ik geef hem geen kans.

'Ja.'

Na drie woorden zegt de garagist ‘Ja.’

En zucht.

En het is alsof ik een snelweg was opgereden, met haast en spoed het gas had in gedrukt, mijn handen rond het stuur geklemd en na honderd meter zet er iemand een muur neer over de volle breedte van de weg. Dat is de garagist die 'ja' zegt en zucht. En ik gooi de remmen dicht.

Dan zegt de garagist: ‘31 juli. Ik zit vol. Vroeger kan niet. Breng ‘m maar binnen op 31 juli.’

En hij hangt op.

En alles wat ik kan denken is: nee, nee, ik wil niet sterven.

Voor je het weet is ze het huis uit.


22 juli 2009.


22 juli 2008.


22 juli 2007.

Als een pooier zijn hoeren.

Dit was mijn uitzicht vanmiddag.

Voor de rubriek Uitgesproken van Revu spendeerde ik enkele uren in de studio van Paul Levitton. Paul is een sympathieke Brit die na dertig jaar Nederland nog steeds over een alleraardigst accent bleek te beschikken. Het integratiebeleid had zich op ons allebei de tanden stuk gebeten - dat schept een band.

Gespreksonderwerpen van de middag waren onder meer, maar bleven niet beperkt tot: Chet Baker, Rita Corita, Louis Armstrong, de combinatie Antwerpen-Nederlanders, Ernest Hemingway, Stuart McBride, het lief van de zanger van Queens of the Stoneage, Herr Seele, Kamagurka, dt-fouten, TC Matic, James Dean, de taalkwestie.

Onderwijl drukte Paul af op de meest onverwachte momenten waarbij hij enthousiaste oeh's en ah's slaakte en mij verzekerde dat het nog niet te laat was voor een carrière als model. Een gevaarlijke opmerking om te maken over iemand die terminaal verliefd is op nieuwe mogelijkheden. Fotografen geven hun model graag zelfvertrouwen. Dat doen ze uit eigenbelang, uiteraard, maar gelukkig ben ik opportunistisch genoeg om moeiteloos abstractie te kunnen maken van de motieven van zij die mij zelfvertrouwen geven.

Mooie ogen, vond Paul. Klik. Oeh, ik had mooie ogen. Klik. Ja, die ogen, daar moesten we wat mee. Klik.

Ik weet dat ik mooie ogen heb. Dat weet ik sinds een vrouw zo onverstandig is geweest mij te vertellen dat dat de enige reden was waarom ze met me mee naar huis was gegaan. Sindsdien buit ik die ogen uit, als een pooier zijn hoeren.

Soms verkeer ik in een bepaalde stemming.

Er gebeurt niets. Wellicht is dat niet waar. Wellicht gebeuren er allerlei zaken maar ik zie het niet. Dat het weer aan mij ligt. Dat is een gedachte die ik hier nu weliswaar opschrijf, maar die ik zelden heb. Ik heb geen zin voor zelfkritiek.

En ook dat is niet waar, sterker nog, het is niet eens meer een leugen maar het perfecte spiegelbeeld van de waarheid. Zelfkritiek is alles, wellicht is zelfkritiek alles wat ik heb: mijn huis, mijn auto, mijn vrouw, mijn kind. Zij zijn zoveel meer maar zeker en vast ook een vorm van zelfkritiek. Let wel: constructieve zelfkritiek. Uiteraard.

Dus ik loop over straat en er gebeurt niets. Zonet nog zag ik kinderen spelen. En er stapt vast iemand op de tram. Maar ik zie niets. Ik zucht. En de wind draagt mijn zucht naar de overkant van het water. Daar gebeurt het ook. Niets.

Harvard Board of Overseers

Omdat ik moe, druk, verveeld, druk, moedeloos, druk, (had ik al moe gezegd?) enzo ben, ben ik niet zo in de stemming voor fijne cynische observatiestukjes of opportunistische reclame voor mezelf (bent u al lihiiiid van deeeheeee niehieuwsbrrrrrrrieeeefffff?@!). En dus deed ik maar even snel mee aan deze grap.

Lucien en Gustl vonden 'm goed.

Daarna ging ik maar eens verder met de kwartaalaangifte.

In het echt.

Voor mensen die nog niet lid zijn van de Grote Ivo Victoria Nieuwsbrief: deze knop heeft een functie gekregen. Voor ander sensationeel nieuws kan u zich alsnog inschrijven voor genoemde nieuwsbrief. Einde dienstmededeling.

Nieuw fragment.

Ik heb een nieuw fragment uit het boek online gezet en wel hier.

Er zijn te veel spaarkaarten op deze wereld.

De man voor me moest 11,20 euro betalen. Na vijf pogingen had hij zijn pinpas op de juiste wijze door de lezer gehaald. Toen tikte hij de verkeerde pincode in. De kassajuffrouw keek hem strak aan terwijl ze zijn beoogde aankopen aan de kant schoof.
Het is een van de vele tragedies van onze moderne tijd: je bent niemand, tenzij je de juiste pincode bezit. De man overwoog geen tweede of derde poging. Hij stopte de bankpas in de zak van zijn lange regenjas, schudde het hoofd en vertrok.

Ik was aan de beurt. De kassajuffrouw glimlachte. Een fris geschoren blanke man van halverwege de dertig – het kon niet anders of daar stond een werkende pinpas voor haar.
“Vijftig euro dertig” zei de kassajuffrouw.
Mijn pinpas deed het.
“Wilt u de bon?”
Ik wilde de bon. Op slag werd ze overmoedig.
“Hebt u een Rocks' spaarkaart?”
Ik bedankte vriendelijk.
“Geen interesse?”
Ik zei: “Het spijt me. Er zijn te veel spaarkaarten op deze wereld.”
Daarop barstte de kassajuffrouw uit in een helse bulderlach. Dat was een goeie, dat was eentje die je niet vaak hoorde en al helemaal niet van iemand wiens pinpas het deed. En het was nog niet eens negen uur in de ochtend, wie wist wat voor sensationeels deze dag nog voor haar in petto had.

Ik stapte in de auto en reed weg. In het midden van het kruispunt stond de man zonder pincode op een berm. Hij sloeg geen acht op de wachtende auto’s die hem omsingelden. Hij keek omhoog, zoekend. Zijn voorhoofd blonk in de ochtendzon. Toen de auto’s groen licht kregen, stak hij over. Hij bleef omhoog kijken.