Zonder vis.
We stonden bij de beek die achter de woonwijk door liep. Een sample natuur, als een oude soulstem in een techno track.
‘Je kan hier op forel vissen’, zei ze.
Mijn vader viste ook. Mijn vader heeft jarenlang gevist zonder ook maar één vis te vangen. Dan kwam hij thuis, zonder vis, en dan vroegen wij: ‘Weer niks gevangen?’
Waarop mijn vader met zijn wijsvingers een onwaarschijnlijke lengte aangaf: ‘Zo’n snoek.’
En wij, verrast, nee, ontdaan: ‘Waar dan? Waar is die snoek dan?’
Waarop mijn vader zich in de zetel liet zakken.
‘Op de terugweg kwam ik een heel oud, arm vrouwtje tegen. “Meneer,” zei ze, “Meneer, ik heb toch zo’n honger.” Ik kon haar toch moeilijk voorbij lopen? Ik heb haar die snoek gegeven.’
Iedere keer hetzelfde verhaal. Aanvankelijk vertelde hij het met een ondeugend gevoel voor drama. Blij, verrast door zijn eigen fantasie. Maar naarmate hij het vaker vertelde, moest vertellen, sleet de glans van het verhaal en verwerd het tot een dof excuus. En op de duur was het verhaal niet langer een verhaal, maar de waarheid, en de waarheid werd een hindernis. Het verhaal van het oude vrouwtje leek te verhinderen dat hij wat ving.
Wij zouden hem toch niet geloofd hebben. Al had hij bakken vol vis op het aanrecht gezet – wij zouden gezegd hebben dat hij ze in ’t geniep was gaan kopen op de markt. Al had hij ons foto’s laten zien waarop hij met een uiterste krachtinspanning een kanjer van een forel boven trok - wij zouden gezegd hebben dat hij het in scène had gezet, ook al wisten wij maar al te goed dat mijn vader bijlange na niet genoeg eergevoel had om zoiets te verzinnen.
Soms vertelde hij vol enthousiasme dat hij echt beet had gehad, maar dat de vis bij het binnenhalen ontsnapt was. Dat wilden wij helemaal niet horen. Wij gingen uit van het arme, hongerige, oude vrouwtje. Dat was zijn verhaal, dat was mijn vader en dat lieten wij ons niet zomaar door de realiteit ontnemen.
Ik sta zelf nog iedere keer verbaasd te kijken als ik beet heb. Ik verwacht het niet. Het is iets wat ik totaal niet met vissen associeer, beet hebben.
We liepen terug naar de straat. Een oudere man kwam onze kant op. Hij had een joggingbroek aan. Zijn blote voeten zaten in pantoffels.
‘Ik jaag jullie weg’, zei hij.
Naar mijn mening je beste stuk tot nu toe.
Die beginzin is om in te lijsten.
David Manos Pefko (E-mail ) (URL) - 06-01-’09 16:55