Fragment dat sneuvelde in het zicht van Versie 8.
Het is een lelijke, bakstenen doos met vierkante ramen waarachter voile gordijnen het buitenlicht bestrijden. Daar zit je dan, te wachten tot je herinneringen vervagen.
Af en toe worden er ‘dolende bewoners’ van het rustoord gesignaleerd in de buurt. Bewoners die naar buiten zijn gelopen en verdwalen in de nabijgelegen woonwijken. Waarom is men daar zo zeker van, dat ze dolen? Die mensen zijn misschien oud en moe en ze hebben hun leven tot op de draad versleten maar tegelijk: als het laatste wat je nog kan bedenken is dat je eruit wil, dat je uit dat domme bingohuis weg wil, maakt niet uit waar naartoe, als je nog liever verdwaalt dan thuis komt, als dat is wat je laatste krachten je ingeven, als dat is wat er nog overblijft van je fantasie, van je dromen, van alle dingen die je wilde – zou het niet logisch zijn te veronderstellen dat dát dan de essentie is? Zoals het vruchtvlees van een stuk fruit het eerste wegrot tot uiteindelijk alleen de pitten overblijven; zouden zo ook niet onze diepste verlangens het langst overleven en aan het eind weer ontkiemen, bevrijd van wat hen al die tijd omringde en gevangen hield?
Dan schrijf je daar toch gewoon een nieuw boek omheen?
Joost Brummelkamp (URL) - 12-02-’09 19:51