Brussel, half zes.
Uiteindelijk belandde ik in een bar, in het Centraal Station. Zo’n bar waar ’s ochtends om half negen al bier getapt wordt. Maar het was niet ’s ochtends. Het was het begin van het einde van een lange dag.
Er speelde een house-remix van Modern Talking op de stereo. Een house-remix van Modern Talking. Voor sommige mensen is niets ooit genoeg. Er kwam een man met een aktetas de bar binnen.
‘Bonsoir Marie-Rose!’
‘Hé Maurice,’ zei de barvrouw.
Maurice liep tot achter de bar en hij zoende Marie-Rose driemaal.
Naast mij zat een vrouw die angstig koffie dronk. Ze praatte met een schrale heer die onophoudelijk het bier in zijn glas walste. Ik sloot de ogen en zag matrassen zonder overtrek, vochtplekken op de muur, haastig uit de inbox verwijderde beloftes. Daarna vermengde de vertraging van de trein naar Charleroi zich met de beat. Een reiziger rende een statafel omver. Maurice bestelde er nog eentje. De vrouw naast me lachte, net te luid.
En ik dacht: dit is een prima plek om een glas bier van anderhalve euro te drinken. Daar rennen de mensen, daar rennen allemaal mensen, waarnaartoe? Waar gaan wij toch altijd allemaal naartoe? Waarom blijven we niet gewoon thuis. Nee, waarom blijven we niet gewoon hier? Dit is een prima plek om een glas bier van anderhalve euro te drinken. En dat heb ik dan ook gedaan.
Nee, dan Brussel-Midi. Dat is nog erger. Wat een rovershol. Maar ze tappen er frisse pintjes, dat dan weer wel.
Niels (URL) - 12-10-’09 22:49