Een laf verlangen.
Er is een moment. Een archetypisch moment dat mij volgt, als een schim.
Er is iets te krijgen, iets wat ik hebben wil. Het is snoep. Het is een vrijkaartje. Het is de naam van het meisje met de blonde krullen die voor mij staat te dansen naast iemand die ik ken. Maar ik durf niets te doen. Hoezeer ik het ook wil. Ik maak mezelf wijs dat dat niet nodig is. Dat is wat anderen doen. Ik doe de dingen op mijn manier. Ik duw of trek niet. Ik wil dat wat ik wil, maar niet zoals iedereen het wilt.
Het is laf verlangen, vermomd als superioriteitsgevoel.
En daar zat ik, deze middag, alweer niet op de eerste rij, met Lola Victoria op mijn schoot. Een Zwarte Piet rende ons met een zak vol pepernoten voorbij. Kinderen gilden blij. En ik zag Lola Victoria kijken. Ze ging heel hard kijken. En toen keek ze naar mij, en ik naar mezelf.
Ik wilde iets doen, ik stond al recht. Maar toen kwam de tweede Piet en die zag Lola wel zitten. Hij doorkruiste de menigte, de joelende kinderen, de hitsige moeders, de vaders die deze oproep nog echt even moesten nemen, tot bij ons. Hij goot haar handjes vol.
Lola was niet blij. Ze had wat ze wilde, op haar manier. Dat noemen wij ten huize Victoria: normaal.
Daarna riep de Sint Lola naar voren. Dat leidde tot een woedeaanval.
‘Wat wil je ook,’ zei Liefje achteraf. ‘Zij is helemaal niet bekend met die man!’
Een verklaring waar ik graag vrede mee nam.