Een mooie k-nacht.
Om half twee vannacht stond ik in een file nabij het Zuidplein in Rotterdam. Lijdzaam schoof ik aan. Voor mij een busje vol oranje mensen. Zij schoven niet lijdzaam aan. Zij zongen, raampje open, luidkeels mee met het soort levensliederen dat Nederlanders zo graag beschouwen als uitingen van vaderlandsliefde.
Het was een mooie avond geweest. Dankzij o.m. Wilfried de Jong, Mart Smeets en Freek de Jonge bevond ik mij tijdens de twee voorstellingen van De Muur on Tour in het buitengewoon charmante WalhallaTheater niet alleen in goed gezelschap, maar ook in mijn geliefde underdogpositie. Ik las een fragment voor uit het verhaal dat ik vorig jaar in de Muur publiceerde en liet dat samen met het geweldige Ocobar naadloos overvloeien in een versie van ‘De Rode Vod', een prachtig lied van Alex Roeka. Ik was vergeten hoe fijn het is om met een goeie band te mogen zingen. Toen we het publiek groetten, voelde ik de arm van Mart Smeets op mijn rug rusten.
‘Zo, Ivo Victoria,' dacht ik bij mezelf. ‘Wat gaat er nu door je heen?'
De file schoof verder. Het busje voor me wiebelde. En toeterde. We werden langs de rood-witte kegels geleid en tot stilstand gebracht. Ik rekende uit dat ik sinds vijf uur 's middags zes biertjes en vier glazen water gedronken had.
‘Helemaal goed meneer,' zei de agent nadat ik geblazen had. Ik reed verder. Enkele meters verderop stonden wat oranje mensen in korte broek verweesd voor zich uit staren langs de kant van de weg. Daarna werd ik ingehaald door een agent die een leeg busje naar het parkeerterrein reed.
Zien we jou deze zomer dus gewoon in ‘De avondetappe’ aan die tafel op een warm dorpsplein in de Provence zitten? En dan vraagt Smeets: “Ivo Victoria, hoe was jouw dag in de Tour?”.
BerD (E-mail ) - 30-04-’10 16:16Of was het niet dat soort arm?
BerD