Duif.
Ik stond op straat te roken want ik was te vroeg. Zoals alles wat wij doen, komt roken voort uit verveling. Mensen die niet roken doen gewoon wat anders.
Er kwamen twee Afrikaanse meisjes en hun vader mijn kant op gelopen. Eén van de meisjes had een witte duif in haar handen.
‘Wat zielig dat hij geblesseerd is,' zei ze toen ze mij zag staan. Enkele meters verderop, bij een steeg, hielden ze halt.
‘Gooi dan,' zei de vader. De meisjes giechelden en jammerden.
‘Gooi dan. Op het dak,' zei de vader. Hij wees naar het dak van de laagbouw die aan de steeg grensde. De meisjes telden af.
‘Drie, twee, één!' De duif viel achter een vuilniscontainer.
Nu lagen de vader en de meisjes op de grond en ze grabbelden naar de duif tot ze hem te pakken hadden. Opnieuw nam de ene de duif in haar handen terwijl de andere met haar mee jammerde.
‘Zielig!' riepen de meisjes.
‘Gooi dan,' zei de vader. Hij keek om, naar mij. De meisjes keken ook. Ze aarzelden.
‘Heb je geen pen,' zei het ene meisje, ‘dan schrijf ik onze naam en telefoonnum...' De vader griste de duif uit haar handen, keek mij opnieuw even aan, gooide het dier op het dak van de laagbouw, draaide zich om en liep verder.
Hoe weet je dat die meisjes Afrikaans waren?
Impa (E-mail ) (URL) - 04-05-’10 13:12