Bonjour Congo.
Terwijl ik dit stukje schrijf kijk ik de derde aflevering van ‘Bonjour Congo'. Vandaag is Rudy Vranckx in de omgeving van Kisangani. Dat is in vogelvlucht 600 kilometer van Irumu, de plek waar mijn vader is geboren.
Het weinige dat ik weet over Congo heb ik gelezen in een bundel kortverhalen die mijn grootvader - die gewestbeheerder was in het koloniale Congo van de jaren vijftig - heeft geschreven en die een broer van mijn vader in eigen beheer heeft uitgegeven, een tijdje terug. Er waren naar verluidt uitgevers geïnteresseerd maar hij wilde de verhalen niet laten redigeren. Dat vond ik mooi. Ik heb er uit geput voor de paar fragmenten in Hoe ik nimmer... die naar de jeugd van mijn vader refereren.
Mijn vader wilde altijd nog een keer terug maar dat is niet gelukt. Een andere broer van mijn vader ging enkele jaren geleden, maar hij stond rap weer thuis. Te heftig, geloof ik. Een zus van mijn vader is er nooit weg gegaan. Maar sinds enkele weken is ze weer in België. Ze wil nog terug. Het is voor hen allen een verloren paradijs, of zo herinner ik mij dat ze erover praatten. Als kind heeft het mijn verbeeldingskracht gevoed. Ik zag hoe mij vader in de jungle tarzanesque van liaan tot liaan zweefde. Maar dan wel zoals ík hem kende: in kostuum en met een aktetas in de hand.
Momenteel heb ik een romanidee dat een trip naar Congo, voor research, zou rechtvaardigen.
‘Ik zou graag gaan,' zei mijn moeder onlangs. ‘Zou jij niet willen gaan?'
Ja, dacht ik, ik zou graag gaan maar ik ben een beetje bang.
‘Nee,' zei ik. ‘Dat is te gevaarlijk.'
Ook nog zo’n land waar ik ook nog een keer naar toe wil, Congo. Zullen we samen gaan, Victoria?
Rutger (URL) - 21-05-’10 09:16