Oog.
Ik was al vroeg wakker, een uur of elf of zo, nauwelijks vijf uur geslapen en toch voelde ik me oké. Alleen mijn rechteroog deed pijn. Wanneer ik gedronken heb, en ik geloof dat wij gevoeglijk kunnen stellen dat ik dat gisteren heb gedaan, slaap ik wel eens met één oog open.
Ik bakte een ei, liet een croissant aanbranden en daarna liep ik door het huis. Ik dacht aan iets om te doen en ik liep naar de woonkamer en toen ik daar aankwam wist ik niet meer wat ik wilde doen en liep ik terug naar de keuken in de hoop dat ik het me zou herinneren. Ondertussen zei ik luidop dingen tegen mezelf als ‘Zo. Wow. Wat was dat zeg?’ en dat vind ik dus niet gek. In tegenstelling tot het gezelschap waarin ik gisteravond verkeerde – die vonden dat zonder uitzondering heel gek, luidop tegen jezelf praten, maar ik doe het de hele tijd. Het helpt me om mijn gedachten te ordenen en ik kan me geen periode uit mijn leven herinneren dat ik niet op regelmatige basis tegen mezelf sprak. Dus dat deed ik ook vanochtend weer en ik liep naar de woonkamer, en weer terug naar de keuken of naar boven of beneden. Af en toe moest ik halt houden en mijn ogen dichtknijpen omdat mijn rechteroog opspeelde, hele heftige priemende pijn alsof iemand met 10 naalden tegelijk in mijn oogbal prikte. Veel tranen ook. Soms vraag ik me af wat dat oog allemaal ziet, in zo’n nacht nadat ik veel gedronken heb, en of dat de reden is dat het ’s ochtends zo’n pijn doet.