Zet 'm op.
De volgende maandagochtend zag ik de Welshe moeder opnieuw. We stonden naast elkaar voor het raam van de klas, te zwaaien naar ons nageslacht.
Ze keek me aan. Een lach op haar gezicht brak door, als de zon en ze vertelde me hoe het was gegaan.
‘Wauw,’ zei ik.
‘Ja,’ zei ze.
‘Echt geweldig,’ zei ik.
‘Ja, hé. Zoveel meer dan ik had gedacht,’ zei ze.
Het was half negen en ze was geschminkt. Dunne lijntjes mascara. Een ogenblik lang leek het alsof er in de spiegeling van haar oogvocht een regenboog gloorde.
‘Nou,’ zei ik. ‘Goed hoor. Zet ’m op!’
En ik zwaaide weer naar Lola, en zij zwaaide naar haar zoon en zo stonden we daar allebei te zwaaien, en ik kon zien dat ze hem eigenlijk helemaal niet zag en zelf was ik de vermoeide drager van een verkrampte lach en ik merkte hoe ik mijn ogen samenkneep, niet omdat ik zelf mijn dochter niet kon zien maar wel omdat het de enige manier was om ze open te houden.