web analytics

’s Middags had ik twee gemiste oproepen van een nummer dat ik niet kende. Ik keek uit het raam en at een banaan. Er was geen begrafenis vandaag. Gisteren had de fanfare weer gespeeld terwijl de witte kist van de kerk over het plantsoen naar de Nieuwe Ooster werd gerold, maar nu was alles buiten stil, en ik had de hele ochtend in een diepe concentratie gewerkt, iets wat me steeds vaker lukt, tot mijn geluk, misschien dat ik daarom een tikje overmoedig werd en iets deed wat ik anders nooit doe: ik belde terug.

Mensen die vorig jaar nog hun mond vol hadden over een hoognodige ‘cultuuromslag’.

Ik trof een medewerker van debatcentrum De Balie. Ze vertelde over een interviewformat waarbij drie geheime interviewers een prominent figuur ondervroegen. Ik begreep het niet helemaal maar het klonk als een kruising tussen College Tour en The Masked Singer. De volgende gast zou Mai Spijkers zijn.
‘Nee,’ zei ik.
‘Nou,’ zei de medewerker van De Balie beteuterd. ‘Niemand wil. Het schijnt een heel incestueus wereldje te zijn, de uitgeverswereld.’

No shit, Sherlock. Maar ik had in dit stuk al gezegd wat ik te zeggen had, en wie een beetje aandachtig las of leest, ziet dat het stuk op een paar regels na – die eruit werden gepikt door lui die ook een paar clicks wilden – niet eens over Mai Spijkers gaat. Ik wilde uitleggen waarover het dan wel ging, en haar vragen waarom, in godsnaam, een vrijplaats voor het maatschappelijk betrokken debat mee zou gaan in de hedendaagse ophefcultuur middels dit soort interviewformats die op het eerste zicht best geinig lijken maar halverwege mijn eerste zin viel ik stil, staarde naar de bananenschil die op mijn bureau lag, dacht: laat maar. Ik was, kortom, misschien wat kortaf. Daar wil ik me via deze weg graag voor excuseren. De medewerker van de Balie trof me op een slecht moment, hetgeen natuurlijk vreemd was want ik had háár gebeld, en kort voordat ik dat deed was het nog een uitstekend moment geweest. Afijn.

Geeft dit mij energie, of kost het mij energie?

Wel wees ik haar op een aantal mensen die naar mijn mening geschikter waren, mensen die vorig jaar nog hun mond vol hadden over een hoognodige ‘cultuuromslag’ maar ondertussen zomerfeest na boekpresentatie alweer vrolijk bier stonden te drinken op Mai’s kosten. Deze week was er weer zo’n feestje ter ere van een boek dat, overigens, best wel eens uitstekend zou kunnen zijn, en op de foto’s die circuleerden op de roemruchte socials zag ik weer een paar van die kritische geesten de koning van de grachtengordel fêteren alsof er nooit iets gebeurd was. Wat moet hij een lol hebben wanneer hij zich bij zo’n gelegenheid even terugtrekt in een hoek van de ruimte en zijn blik laat gaan over de genodigden, en dat is volkomen terecht, zo terecht zelfs dat ik het hem haast gun, ja, zelfs een bepaalde vorm van sympathie begin te krijgen voor de beste man, want als je me nu zou vragen wat ik het meest veracht, bullebakkengedrag of lafhartig opportunisme, tja, dan zou ik het zo snel nog niet weten – of wel.

Anyhow, de kritische geesten die ik suggereerde, had ze allemaal al benaderd en die wilden ook niet. ‘Het spijt me,’ zei ik. ‘Maar ik heb andere dingen te doen.’ En dat klopt, ik heb tal van andere dingen te doen, en sinds een jaartje of wat staat daarbij één criterium centraal en dat is: geeft dit mij energie, of kost het mij energie? Ik kan je verzekeren, dat is het beste criterium dat ik tot dusver in mijn leven heb gehanteerd bij het maken van keuzes, en ik zeg niet dat ik daardoor nu altijd de slimste keuzes maak, fuck no, maar wel dat ik er een pak vrolijker en, ehm, ja, energieker bij loop dan een paar jaar geleden, bevrijd van een hele hoop dingen, waaronder het verlangen om bij wie of wat dan ook te moeten horen, een verlangen – dat mogen jullie best weten – dat mij lang heeft dwars gezeten maar dat on-ge-lo-fe-lijk veel energie kost, totdat ik mezelf erop betrapte dat ik in vrijwel elk gesprek dat ik voerde vertelde hoe moe ik wel was, hetgeen me doet denken aan die goeie ouwe editor-in-chief, ik mis hem soms, ook dat mogen jullie gerust weten, en hoe vaak heeft hij niet mijn gezeur moeten aanhoren, hoe vaak heb ik niet tegen hem geroepen hoe moe ik wel niet was, en dat was ik ook, en dat kwam allemaal welbeschouwd, in metaforische zin, omdat ik te graag gratis bier bij boekpresentaties dronk.

De grachtengordel, een schitterend kanaal dat ergens bij Bergen aan Zee vertrekt.

Maar deze dagen heb ik andere dingen te doen, ik sta vroeg op, smeer mijn boterhammen, fiets naar kantoor en begin te tikken, tot mijn geluk. Ik lees veel. Staar vaak uit het raam. Eet elke dag rond een uur of drie een banaan, ga vroeg naar bed, en het overgrote merendeel van de tijd besteed ik geen enkele gedachte aan de zogenaamde grachtengordel, die in wezen natuurlijk geen gordel is maar wel een schitterend kanaal, dat ergens bij Bergen aan Zee vertrekt en via Broek in Waterland langs Amsterdam-Noord naar Baarn en Hilversum stroomt om uiteindelijk helemaal in het oosten van het land uit te monden in de voordeur van Özcan Akyol – en dat is, voor alle duidelijkheid, dus helemaal prima wat mij betreft want ik heb andere dingen te doen, ik schrijf, elke dag, en dat maakt me gelukkig, ik lach veel, met name om die bloedmooie slimme dochters van me, ik ben volleybalcoach van een onmogelijk te coachen meidenteam, loop hard, doe aan yoga, denk na over geesten, en ik drink mijn bier nu gewoon met mensen die mij lief zijn, een ander nieuw, goed voornemen waar ik enorm blij mee ben, zeker op dagen als deze, de hemel staalblauw, de zon ongenaakbaar fel, de lucht kakelfris, een van de betere weertjes die er zijn om buiten een biertje te drinken, met een sigaretje erbij, toch één van de grote geneugten van het menselijke bestaan, naast het eten van een deugdelijke banaan, dus als jij iemand bent die me lief is en ik heb je dit jaar nog niet gevraagd om bier met me drinken: geen zorgen, ik kom eraan.

En voor ik het wist was de avond gevallen, als een steen, en ik fietste met een donker gemoed naar huis terwijl ik in gedachten nog bij een smeulend vuurtje onder een rieten afdak zat, de maan een pingpongbal aan de met sterren besprenkelde hemel en in de verte de zingende, zoemende geluiden van de wildernis, die me de hele dag gelokt had, maar ik was eindeloos op dezelfde alinea blijven hangen dus dat was iets voor morgen. Nu moest ik koken voor de meisjes en bovendien hadden we vorige week een nieuwe televisie gekocht.

En de yogajuf, op wie ik stiekem verliefd ben, zoals het hoort, kwam heel dicht bij me staan.

Ik ben niet zo’n man. Althans, dat heb ik altijd gedacht. Ik ben niet zo’n man die twee uur op de bank met de afstandsbediening in de weer gaat om precies de juiste kleurbalans te configureren, niet zo’n man die eerst weken vergelijkend warenonderzoek heeft gedaan, niet zo’n man die met zijn vrouw naar de Mediamarkt reed, haar er subtiel toe aanzette talloze argeloze vragen aan een bediende te stellen die het zelf ook niet wist zodat ik zelf rustig door de gangpaden kon sluipen en de verschillende modelletjes kon checken zonder lastig te worden gevallen, om daarna weer naar huis te gaan en het perfecte toestel online te bestellen bij Coolblue omdat – hier waren Laura en ik het onlangs roerend over eens en het deed me plezier vast te stellen dat ik niet de enige was die het opviel – de mensen bij Coolblue simpelweg aardiger zijn, dat kan ja, ook bij een webshop kan het menselijke aspect van doorslaggevende aard zijn, niet iedereen lijkt het op te merken. (En het was goedkoper in dit geval, toegegeven, maar geld speelt in mijn leven geen enkele rol, dat weten jullie.)

Ik geloof bijvoorbeeld dat de dingen pas gebeuren nadat ze zichzelf hebben aangekondigd.

Anyhow, niet zo’n man dus maar wel een man die niet veel later, nadat er gekookt was en ik gecheckt had of de televisie het nog deed – o ja, schitterende beeld, misschien alleen nog even goed naar de groenwaarden kijken – ondersteboven in een bankje hing aan het eind van zijn wekelijkse critical alignment yogaklasje, en de yogajuf, op wie ik uiteraard stiekem verliefd ben, zoals het hoort, kwam heel dicht bij me staan en bestudeerde mijn buik, zei dat ik mijn navel nog iets meer naar me toe moest trekken, ja zo, voel je het, en ik zei dat ik het voelde, terwijl ‘je navel dichter naar je toe trekken’ zo ongeveer het hoogste abstractieniveau is dat ik tijdens een yogaklasje kan verdragen. Daarom zit ik ook al meer dan tien jaar in het therapieklasje, bedoeld voor mensen met rugklachten, omdat ze daar maximaal over je navel beginnen en verder niets ongrijpbaars van je verlangen, en het maar een uur duurt, en natuurlijk heb ik na die tien jaar al lang geen rugklachten meer – want dat critical alignment yoga wérkt mothafuckaaaa, wow! – maar dat zeg ik natuurlijk niet want dan moet ik door naar de ‘normale’ yogalessen, waar het spiritueel abstractieniveau van een geheel andere orde is, zeg maar, tenminste dat vrees ik met grote vrezen maar dat zeg ik natuurlijk niet wanneer ze het weer eens een keertje aan me voorstellen want ik wil beleefd blijven. (Hetgeen uiteraard niet wil zeggen dat ik verder niet spiritueel ben aangelegd of vies ben van een stevig abstractieniveautje hier en daar. Integendeel. Ik geloof bijvoorbeeld dat de dingen pas gebeuren nadat ze zichzelf hebben aangekondigd – maar al te vaak letten we niet goed op. How about that?)

Geesten zijn dichterbij, menselijker dan een god, en ook al bestaan ze niet, toch kan hun aanwezigheid troostrijk en hoopvol zijn.

En dat besef ik deze dagen steeds beter, iedere keer in feite wanneer ik weer eens in die wildernis vertoef, zoals nu, hier, op kantoor, we zijn alweer een dag later, vanochtend prinsheerlijk hardgelopen, slechts heel eventjes aan de yogajuf gedacht, en nu prikt dat smeulende vuurtje weer in mijn ogen, in de verte het castagnettenspel van krekels en cicaden, terwijl de groene maneschijn zich op mijn tropenuniform werpt, de lucht gevuld met het fluisteren van bodemgeesten en het ijle gezang van heksen – niet dat ik in heksen geloof, behalve misschien in Susan Smit maar dat komt omdat ik haar wel eens gesproken heb (geintje!) en ook geloof ik niet in geesten maar het idee van geesten bevalt me wel. Geesten zijn dichterbij, menselijker dan een god bijvoorbeeld, en ook al bestaan ze niet, toch kan hun aanwezigheid troostrijk en hoopvol zijn, en dat is toevallig ook hoe de hoofdpersoon in het boek waar ik aan schrijf – gaat nog járen duren! – erover denkt, of tenminste, dat geloof ik toch, wetende wat ik nu weet, na de voorbije maanden waarin ik de paar mensen heb gesproken die nog leven die hem gekend hebben, en zijn verhalen en notities en gedichten heb gelezen, zijn dossier heb doorgespit, en de foto’s en de Super 8 filmpjes heb bekeken, ja, ik durf nu zo stilaan wel te beweren dat hij een man was die ernaar verlangde betekenis te geven aan alles wat hij meemaakte en iedereen die hij zag, en ik vind dat mooi, ook al weet ik exáct hoe vermoeiend het is om zo iemand te zijn, en zeg, nog effe één vraag: wat als ik dat hele boek nu eens zou schrijven in het tempo van deze blog, jaaa, daar zou de gemiddelde lezer waarschijnlijk knettergek van worden, denk je niet?

Ik ging hardlopen bij zonsopgang, dat klinkt beter en vroeger dan kwart voor negen, maar feeërieke taferelen bleven uit want aan de oostzijde van het Nieuwe Diep ging de opkomende zon schuil achter een somber gordijn dat mij duidelijk maakte dat ook vandaag in niets zou verschillen van de voorgaande dagen en aldus een dag zou worden waarop ik uren en uren op een toetsenbord ging beuken in een vruchteloze poging iets tot leven te wekken waar om te beginnen toch al niemand op te wachten zat. Kortom, de sfeer zat goed, ik rende lekker door.

De huisarts van haar kant, zag onmiddellijk de ernst van de situatie in.

Tijdens de kerstvakantie was ik nachtblind geworden. Nu ja, mogelijk was het proces al iets langer aan de gang, maar op de donkere, regenachtige wegen van Bretagne bleek ik plots een gevaar op de weg. Ik reed voorovergebogen met mijn neus tegen het raam ‘Ik zie niks ik zie niks!’ roepend, pakte her en der wat stoeprandjes mee bij het afslaan, en daardoor moest ik ook terugdenken aan die arme scooter die ik enkele weken eerder op een druilerige avond in Amsterdam had aangereden en ik herinnerde me mijn eigen verbijstering – hoe kon ik haar niet hebben gezien, ze stond stil, ik reed vijf kilometer per uur – en toen ik even wat symptomen gegoogeld had, was het inderdaad zo dat ik me ook vaker stootte, in mijn vinger sneed, of iets niet zag liggen, allemaal aan de rechterzijde van mijn zichtveld en daarnaast manifesteerde zich sinds kort een ploppend geluid in mijn rechteroor dat hier ogenschijnlijk niks mee te maken had maar toch.

‘Kortom,’ zei ik tegen Rob toen we afgelopen vrijdag voor De Pels stonden te roken. ‘Schrik niet, en ik zeg dit onder licht voorbehoud, maar ik heb een hersentumor.’ Rob knikte en nam een slok van zijn biertje, gevolgd door een bedachtzame trek van zijn sigaret. Hij was niet verrast. En dat verraste mij dan weer niet. Ook de vorige keren dat ik een hersentumor had, was Rob kalm gebleven, had er eigenlijk nooit veel woorden aan vuil gemaakt, wie niet beter wist zou zeggen: balancerend op de rand van desinteresse. De huisarts van haar kant, zag onmiddellijk de ernst van de situatie in. Ze liet me allerhande testjes doen die ik stuk voor stuk met verve volbracht, ze mat mijn bloeddruk die excellent bleek te zijn, stelde een reeks vragen waarop mijn antwoorden haar stuk voor stuk geruststelden, beweerde ze, maar zo makkelijk liet ik me niet in de luren leggen.

Lichtzinnigere types zouden hierin een verklaring durven zien.

Aldus fietste ik even later naar huis met een doorverwijzing voor de oogarts én een doorverwijzing voor een endoscopie. (Hoe ik plots aan die endoscopie kom, is me een raadsel. Dat zal ook wel weer de leeftijd zijn, zoals alles tegenwoordig.) Tussendoor ging ik voor de zekerheid ook maar naar de opticien, waar ik me een nieuwe bril liet aanmeten. Dat bleek vijf jaar geleden te zijn. Sommige, lichtzinnigere types zouden hierin een verklaring durven zien maar zelf had ik niet het idee dat het de situatie minder levensbedreigend maakte en daar deed de analyse van de optieker – die de achteruitgang van mijn zicht met een ijzingwekkende onverschilligheid als ‘volkomen normaal’ bestempelde – niets aan af. Zo’n man wil alleen maar brillen verkopen en dat deed hij, en wat voor één: ik kocht een goudkleurig Gucci-montuur waar menig pornoproducent uit de jaren zeventig mij om zou benijden, want ja, met het einde in zicht mag het wat kosten, mag het allemaal wel wat exuberanter en vrolijker, goddamnit, wat had ik eigenlijk al die jaren gedaan, hoe had ik mijn leven wel niet vergooid aan veilige keuzes, risicoloze ondernemingen, volkomen betrouwbare opties en die eeuwige godverdomse melancholie van mij, die weemoed, die ook maar niks anders is dan een kinderachtig verlangen naar verloren onschuld waar een man als ik zich in feite diep voor zou moeten schamen, ja, wie was ik in godensnaam geworden terwijl ik al die tijd ook een jaren zeventig-pornoproducent had kunnen zijn, en bij dat goudkleurige Gucci-montuur koos ik dan ook de allerduurste glazen die de beste kerel in de aanbieding had, zodat ik mijn laatste dagen kon slijten met een volkomen glasheldere kijk op de wereld en alle waanzin die er deel vanuit maakt.

Niet dat het mijn levensverwachting dus ook maar iéts omhoog heeft geholpen

Dat nam niet weg dat ik nog steeds prinsheerlijk aan het rennen was, zoals ik ondertussen al bijna tien jaar tweemaal per week doe. Niet dat het mijn levensverwachting dus ook maar iéts omhoog heeft geholpen, maar goed, wie kon dat voorzien? Ik had het Nieuwe Diep alweer enige tijd achter me gelaten, naderde nu in een fluks tempo mijn eigen buurtje, het was een woensdag dus was het markt en ik pakte al rennend met mijn wijd opengesperde mond en neusgaten zonder verpinken een flinke walm visstank mee, altijd fijn, alvorens rechtsaf te slaan bij de boekhandel waar ik pas binnen een aantal jaren weer in boekvorm te vinden zal zijn, liep uit tot bij het drinkfonteintje, dronk, slenterde naar huis, dook de douche in en toen ik niet veel later naar kantoor fietste, brak de zon door, stak laag en scherp in mijn ogen, en ik hief mijn hand op tussen mij en ’t licht, spreidde mijn vingers, en zo trapte ik door, ontweek fietsers, slalomde langs voetgangers, in een flink tempo, zag het gevaar overal, van links en van rechts, ruimschoots op tijd over het blinkende asfalt aan komen zoeven, een opmerkelijke ervaring voor iemand in mijn toestand, die me vreemd genoeg niet melancholiek stemde maar juist energie gaf, en zo raasde ik verder, voelde me driftig en vrij, parkeerde de fiets, gooide hem op slot, liep in gestrekte draf mijn werkkamer in en begon, zodra ik de computer had ingeplugd, als vanouds en onverwijld op de ondertussen van mij welbekende wijze kéihard op mijn toetsenbord te beuken.

Daags na het verschijnen van het stuk van Ronit Palache over Mai Spijkers in de Volkskrant, stond ik op een feestje in de Noord-Hollandse polder aan een non-alcoholisch biertje te lurken terwijl enkele collega-auteurs druk doende waren het betreffende artikel te analyseren. Het was te lang, te particulier, er ontbrak achtergrond, onderzoek en de verteller leek aan het eind geen ontwikkeling te hebben doorgemaakt, niks te hebben geleerd, had enkel geklaagd en medelijden met zichzelf gehad, wellicht uit rancune. Allemaal waar, zei ik. Maar misschien moesten we toch ook niet vergeten waar het in de eerste plaats om ging, namelijk dat Mai Spijkers een enorme lul was.

Een enórme eikel! riepen alle aanwezigen. Niet te doen, wat een lul! Maar dat wist iedereen al jaren.

Zeker, beaamden de anderen, dat was zeker waar en ook het allerbelangrijkste maar, zo opperde iemand, we moesten ook niet vergeten – en dit kon iedereen die ooit met haar te maken had beamen – dat Ronit Palache in de tijd dat ze hoofd marketing was bij Prometheus een enorme bitch kon zijn. Ja goed, gaf ik toe, dat had ik zelf ook wel eens gedacht, maar anderzijds: was dit een reden om uit het oog te verliezen dat Mai Spijkers een enorme klootzak was? Tuurlijk niet, túúrlijk niet, riep iedereen. Geenszins! Maar dit gezegd zijnde: een van de aanwezige collega’s had contact gehad met de bewuste auteur die met Ronit en Mai in Parijs was, zoals in het stuk werd beschreven (een auteur dankzij wie de collega in kwestie ooit een literaire prijs had gewonnen maar dit geheel terzijde) en die had geappt van ‘wat voor flauwekul is dit allemaal zeg’ dus ja, dat zei toch ook wat. Mogelijk, zei ik, eventueel zelfs wellicht, maar goed, let’s keep the eye on the ball om het zo maar eens te zeggen: Mai Spijkers werd er geen minder grote eikel door. Een enórme eikel! riepen alle aanwezigen. Niet te doen, wat een lul! Maar dat wist iedereen al jaren. Het was uiteraard een goede zaak dat de romantiek er nu een beetje vanaf was, want er was al te vaak al te lacherig over gedaan op literaire borrels, maar alles in overweging nemende: wát een matig stuk van die Ronit, hè. En trouwens: waarom had ze dan niet gewoon ontslag genomen na een jaar? Welnu, daarover wist ik toevallig wel het een en ander te vertellen, maar het was een feestje, er arriveerden nieuwe gasten, de avondzon zakte langzaam weg in de polder, twee pony’s graasden in een weilandje verderop en de kinderen stonden met marshmellows bij het vuur, en ik merkte dat ik me langzaam onttrok aan het gesprek, dat nu over verbouwingen ging, en oude vrienden, en het weifelachtige verlangen om terug te keren naar het dorp van je jeugd.

Ik heb Mai Spijkers welgeteld één keer ontmoet en dat is geen toeval. Begin 2008 stond ik in de hal van het Prometheus-pand aan de Herengracht te wachten op mijn afspraak met redacteur Job Lisman, die interesse had in mijn debuutroman. Plots kwam er een kaal mannetje met bretellen de gang in gedribbeld. ‘En wie ben jij?’ vroeg hij. Ik stelde me voor. ‘Ah, ben jij dat?’ zei hij met een glimlachje. ‘Jij moet gewoon bij ons komen, jongen, dat is wat jij moet doen.’ En hij sloeg me op de schouder, liep door en op dat moment besliste ik dat ik zéker niet bij Prometheus ging tekenen (hetgeen een tikje lullig was voor Job, met wie ik daarna een erg leuk gesprek had).

Een enorme nederlaag, die je het liefst van al zo lang mogelijk uitstelt, en ook dát weet die klootzak.

Deze verstandige beslissing had ik te danken aan mijn jaren in de muziekindustrie, een business waarin het wemelt van de charismatische controlfreaks en manische ego’s. Als tweeëntwintigjarige was ik erin beland met het vaste voornemen dat die wereld mijn leven zou worden en aldus begrijp ik heel goed hoe het mogelijk is om verslaafd te raken aan iemands kennis en uitstraling, omdat je jong bent, ambitieus en nieuwsgierig en ervan overtuigd dat die persoon je alles kan leren wat je te leren hebt, en heel vaak is dat ook zo. Tegelijk weet ik exáct hoe het is om je stressmeter diep in het rood te jagen omdat je diegene niet wil teleurstellen, heb ik aan den lijve ondervonden wat dat oplevert aan slapeloze nachten, beginnende maagzweren en steken in je hartstreek, en heb ik geleerd dat loyaliteit een wispelturig, ondoorgrondelijk beestje is dat zich niet makkelijk laat temmen en je inderdaad jaren aan een stuk dingen kan laten doen die heel belangrijk lijken op het moment zelf maar er in wezen alleen maar voor zorgen dat je jezelf heel langzaam compleet sloopt. (En dat wéét die klootzak.) Ik ben nog steeds blij en gelukkig dat ik die wereld net op tijd (maar veel later dan de meeste mensen denken dat zomaar mogelijk is) achter me gelaten heb en ook kan ik er nog steeds verdrietig om zijn, zoals je verdrietig kan zijn om een lang vervlogen, onmogelijke liefde. Maar het heeft me enorm veel opgeleverd, waaronder één ding dat geweldig van pas kwam toen ik die dag in de gang bij Prometheus stond te wachten: het onfeilbare vermogen om binnen een seconde een enorme lul (m/v/x/) te herkennen wanneer ik er één zie, en er vervolgens voor te zorgen dat ik te allen tijde ver uit zijn buurt blijf.

Ik stoor me aan het gemak waarmee de voorbije dagen werd geroepen: dan ga je toch weg na een jaar? Alsof je tegen een auteur zou zeggen: als dat schrijven van romans je toch zo veel moeite kost, en zoveel slapeloze nachten en stress – en dat kost het ons allemaal – waarom stop je er dan niet mee? Welnu, om te beginnen omdat het geen baan is. Schrijven vergt natuurlijk een bepaald vakmanschap maar het is in de eerste plaats een passie, of als je dat een lelijk woord vindt: minimaal iets waarvan je diep in jezelf voelt dat je het, om God weet welke reden, moét doen. En omdat het je op de beste momenten net zo gelukkig maakt als dat het je op de slechtste momenten kapot maakt.

Iemand die niet wilde verliezen en dan vooral niet van zichzelf – een kwaliteit die je tegelijk kwetsbaar maakt.

Ik mag toch aannemen, gezien de actualiteit van de voorbije jaren, dat ik hier niet meer hoef uit te leggen hoe lastig het is om uit een giftige situatie / relatie te ontsnappen, niet in de laatste plaats vanwege het beeld dat je hebt van jezelf, je twijfels en onzekerheid versus het onwrikbare idee dat jij hier thuishoort, dat dit het voor je is – dat was hoe het voelde voor mij toen ik in de muziekindustrie belandde, en toen ik mijn eerste romans schreef, en het komt me voor dat het zo voelde voor Ronit toen ze in het boekenvak begon. En als je dan uiteindelijk moet toegeven dat de prijs te hoog is, dat jouw ultieme bestemming je kapot maakt, dan is dat een enorme nederlaag, die je het liefst van al zo lang mogelijk uitstelt, en ook dát weet die klootzak.

Maar goed, dat bedacht ik natuurlijk allemaal pas achteraf, onderweg naar huis, in de duisternis die definitief bezit had genomen van het weidse landschap dat ik doorkruiste, en hoe langer ik erover nadacht, hoe meer sympathie ik kreeg voor Ronit Palache, die ik helemaal niet ken overigens, maar die me nu voorkwam als simpelweg passioneel van aard, iemand die niet wilde verliezen en dan vooral niet van zichzelf – een kwaliteit die je tegelijk kwetsbaar maakt en die anderen romantisch en naïef noemen, een enkeling ‘flauwekul’ – en dat herkende ik allemaal, en hoe kon dit artikel nu toch zo verkeerd uitpakken?

Ik lees momenteel een boek over het schrijven van essays en memoirs: The Situation and the Story van Vivian Gornick. In de eerste hoofdstukken focust Gornick daarbij op de ik-verteller in non-fictie. Gornick laat glashelder zien hoe cruciaal het is om ervoor te zorgen dat de lezer die verteller gelooft en toont heel mooi aan hoe moeilijk dat is, hoe het soms jaren kan kosten om zo’n vertelstem te creëren en op te bouwen. Ze betoogt in feite dat het helemaal niet volstaat om het simpelweg te vertellen zoals het is gebeurd, daarvoor ga je maar naar de politie of de therapeut, maar als je erover gaat schrijven, ja, dan is dit, in wezen, de hele en enige kwestie, hoe spijtig soms ook: hoe, in godsnaam, ga je ervoor zorgen dat ze je zullen geloven?

De laatste ochtend stond ik met een kop koffie op het erf, en ik zag de zwaluwen in en uit de gaten in de oude, moedige muren van de longère vliegen, de longère die we bij nader inzien toch niet mogen verbouwen, of misschien toch wel, of misschien toch niet, want de voorbije weken hadden we geleerd: of dingen mogen of niet mogen is relatief, en sterk afhankelijk van het vertrouwen dat je opwekt, de manier waarop je je verhaal vertelt, zoals iedereen die wel eens een verhaal vertelt weet, de manier waarop bepaalt in hoge mate of mensen geloven dat het echt gebeurd is en/of het je kwalijk zullen nemen wanneer later blijkt dat je alles verzonnen hebt.

Het ging er uiteindelijk allemaal om hoe je naar de dingen keek, zo leek de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie ons te willen vertellen.

Kortom, bij het derde telefoontje met la mairie, was de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie plots in de wij-vorm beginnen praten. Ze zei dat ‘we’ bij nader inzien, nu ze de tijd had gehad om er even rustig over na te denken, wetende wat wij haar hadden verteld, en allerhande zaken verder in achtgenomen, ja, dat ‘we’ dan welbeschouwd en redelijkerwijs konden stellen dat de longère of een deel ervan verbouwd zou kunnen worden tot zo te zeggen een ‘kantoor’, of tenminste zo zouden ‘we’ dat noemen en een ‘kantoor’ behoefde geen bouwvergunning, zei de dame, ‘we’ zouden enkel moeten doorgeven wat ‘we’ met de buitenkant deden, de grote op het zuiden uitgevende schuifpui die ‘we’ in die oude, moedige muren zouden plaatsen en die mooie gieten vloer, en het metselwerk waarmee ‘we’ die oude, moedige stenen zouden verstevigen en het dak dat vernieuwd zou worden, maar wat ‘we’ binnen met die ruimte zouden doen, tja, daar zouden ‘we’ natuurlijk niets over hoeven te vertellen, hoe ‘we’ dat kantoor gingen inrichten ja dat was natuurlijk helemaal hoe ‘we’ het zelf wilden, niet waar? En ja, het leek ons inderdaad zeer goed voorstelbaar dat een medewerker op het kantoor van ons niet bestaande boerenbedrijf af en toe een dutje zou moeten doen of na gedane arbeid op het werk een douche zou moeten nemen en wie kon er iets op tegen hebben als wij in de secundaire voorwaarden van het arbeidscontract zouden opnemen dat ons personeel recht had om gebruik te maken van het zwembad dat wij op de plek van de oude stallen zouden aanleggen? Het ging er uiteindelijk allemaal om hoe je naar de dingen keek, zo leek de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie ons te willen vertellen. En als je anders naar de dingen kijkt, dan veranderen de dingen.

We keken net op het goede moment opzij, zagen de machtige, donkerbruine flank van zijn lijf en zijn poten die het bos van de buren indoken.

En dat was inderdaad wat er gebeurde, in die paar weken dat we er waren, voor het eerst sinds we in december bij de notaris de papieren tekenden. Ik was hier natuurlijk al veel vaker geweest, had hier halve boeken geschreven, eindeloos sigaretjes gerookt en glaasjes rode wijn geslobberd in de avondzon maar nu, nu we hier voor het eerst waren sinds die papieren bij de notaris, en we een bankrekening hadden, zo vaak hadden moeten bellen en mailen om het internetbankieren werkende te krijgen dat we de lokale filiaalhouder inmiddels tot onze intieme vriendenkring rekenden, ja nu we hadden geleerd waar de waterpomp stond, hoe we konden switchen tussen het drinkwater van la commune en het regenwater dat die pomp uit de oude waterput op het erf haalde, en waar de compteur van de boer stond die dat water gebruikt om de koeien in de stallen achter de longère water te geven, en nu ik met een masker op, badend in het zweet, het terrein bij de bron te lijf was gegaan met een bosmaaier en we hebben het hier niet over zo’n aanstellerig grastrimmertje met een accu maar wel een beest van een bosmaaier die, zoals dat hoort in een streek als deze, op tweetakt draait, handmatig gemengde tweetakt die je de adem beneemt terwijl de braamtakken in het rond vliegen, ja nu dus, terwijl we wandelingen maakten waarbij we het eerste half uur wat we nog schroomvallig ‘ons terrein’ noemen niet eens konden verlaten als we het hadden gewild, gebeurde er dus precies wat de dame van de afdeling urbanisatie had gesuggereerd: de dingen veranderden, en dat kwam omdat we er anders naar keken. Laat het mij zo zeggen: ik kreeg zin om op pensioen te gaan.

Later die ochtend liep ik nog even het pad naar de bron af; onder de kromgegroeide hazelaars door, langs het kleine aardappelveld en de boomgaard aan mijn rechterhand, en het begin van het everzwijnenbos aan mijn linkerhand – waar nooit everzwijnen gezien worden maar eerder die week sprong er plots een hert uit tevoorschijn, we kwamen terug van een wandeling door de achterliggende weilanden, een aarzelende verkenningstocht door nieuw verworven gebied, toen dat hert plots over de weg bij de bron sprong, we keken net op het goede moment opzij, zagen de machtige, donkerbruine flank van zijn lijf en zijn poten die het bos van de buren indoken, en we keken elkaar aan en lachten, wauw, een hert, zomaar, op ons terrein – maar goed dat pad loopt dus langs het begin van dat bos, bij de oude hondenren, waar al lang geen jachthonden meer in staan te hijgen en die nu bijna geheel door klimop is overwoekerd, en gaat dan zo verder naar beneden, de bomen aan weerszijden grofweg gesnoeid door de boer die het achterliggende land pacht, die moet hier langs, dus die kapt alles wat in de weg hangt, dat mag, en dan linksaf en daar is dan de eerder gememoreerde bron.

Zo eentje waar je ’s avonds urenlang in het vuur kon staren of ’s ochtends je yogamatje neer kon leggen, en dan ademen op het ritme van ons kabbelende beekje.

De hele week was ik daar in de weer geweest. Ik trok onkruid uit en verwijderde het mos uit de nis, schepte de bladeren uit de put, maakte de stenen schoon met een stalen borstel tot het jaartal tevoorschijn kwam en weer helemaal leesbaar was: 1898. In dat jaar bouwde een over-over-overschoonvader die nis – la fontaine, zeggen we hier – om die bron heen, met grote, ruwe stenen. Het water komt uit de grond, door de spleten tussen de stenen die de bodem van put vormen – hij is niet diep, een halve meter, meer niet – en wat te veel is voor de put, stroomt via een geul ons beekje in en tien meter verderop loopt ons beekje alweer over in la ruisseau, die dat deel van ons terrein begrenst en verderop verdwijnt in het bos van de buren waarin ook dat hert verdwenen was.

Het water in de bron was glashelder. De kikkervisjes die ik er eerder die week nog in zag zwemmen, waren nu niet te zien, zaten wellicht verborgen in de spleten tussen de stenen, en eens te meer was ik geroerd bij de gedachte dat je zoiets eenvoudigs achter kan laten, als mens. Een eenvoudig bouwwerkje waarin drinkwater verzameld wordt en dat er honderdvijfentwintig jaar later nog steeds staat, te midden van de natuur, goddamnit, over een voltooid leven gesproken, dat is in feite net zo mooi als een roman of vijf schrijven, wellicht mooier. Ik liep over het veldje naast la fontaine, inspecteerde de resterende braamstruiken, bedacht dat we er de volgende keer met de ploeg doorheen moesten als we niet wilden dat alles binnen de kortste keren weer overwoekerd raakte, bewonderde eens te meer het vijf, zes meter hoge bamboebosje aan de andere zijde van het veldje, de appelbomen in volle bloei aan de rand van het pad, en beeldde me in hoe we hier een idyllische bezinningsplek van zouden maken, zo eentje waar je ’s avonds urenlang in het vuur kon staren of ’s ochtends je yogamatje neer kon leggen, en dan ademen op het ritme van ons kabbelende beekje, en plots begonnen hoog boven mij de bladeren van de bomen te fluisteren, onverstaanbaar maar geruststellend, en daar stond ik zo nog een tijdje naar te kijken en te luisteren, en daarna liep ik terug naar de boerderij, en we laadden de auto in en reden in stilte naar huis.

‘Ben je al aan het schrijven?’ vroeg Gilles toen we in het steegje voor Kapitein Zeppos heus niet stonden te roken.
‘Bijna,’ zei ik.
‘O, ben je het aan het uitstellen?’ riep hij verlekkerd. ‘Ben je het aan het opbouwen in je hoofd?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Zoiets.’
‘Heerlijk,’ zei Gilles. Hij zuchtte en keek me aan alsof hij aan seks dacht, en wellicht was dit ook zo.
Feit is: als ik op deze website weer wat blogjes begin te publiceren, dan weet je dat het bijna zo ver is. De motor draait warm, ik ga een aanloopje nemen, mezelf op gang trekken, en dan – net wanneer mijn blogjes een acceptabel niveau beginnen te halen – knijp ik er hier weer keihard tussenuit om mij aan the real deal te wijden, dan weten jullie dat vast, en het valt niet voorspellen hoeveel blogjes ik daarvoor nodig zal hebben.

Nooit het gevoel gehad dat ik een monster moest temmen, geen enkele keer vloekend door de ruimte gebeend.

Het is ondertussen alweer een paar jaar geleden dat ik nog werkelijk diep in een boek dook. In feite voelt het alsof ik sinds het voltooien van Alles is OKÉ niets meer heb geschreven. Ja, een handvol korte verhalen over de geweldige Louis Stevens, gevolgd een halfslachtige poging om daar een geheel van te maken, een poging die ik staakte door inzicht en omstandigheden, sure, en tijdens de eerste lockdown tikte ik een maffe novelle van een slordige dertigduizend woorden bij elkaar waar ik nog regelmatig met een dromerige glimlach op de lippen aan terugdenk, en uiteraard schreef ik zowat elke week een column voor de krant of de radio, tuurlijk, dat is allemaal waar, maar om dat nu schrijven te noemen – en o ja ik maakte die verhalenbundel voor De Standaard Boekhandel, leuk boekje was dat, maar schrijven? Echt schrijven schrijven? Nee, dat kwam er eigenlijk niet van, niet als in het totale verdwijnen in een proces waar je geen vat op hebt, nooit het gevoel gehad dat ik een monster moest temmen, geen enkele keer vloekend door de ruimte gebeend, geschreeuwd dat ik hier van mijn leven NOOIT meer aan begin, niet tot de uiterste wanhoop gedreven door iets wat ik niet begreep maar MOEST MOEST MOEST opschrijven – en dan niet om een welbepaalde reden of vanwege een of andere deadline maar gewoon, van mezelf. (Ik moet nu denken aan die keer, back in 2013, toen ik in Pittsburgh op een feestje belandde van een filosoof die eerder die dag zijn doctoraatsthesis met succes had verdedigd, en ik mij plots tussen alleen maar filosofen bevond, jonge kerels nog, die elkaar onafgebroken met stellingen en citaten om de oren sloegen terwijl de drank er flink doorheen werd gejaagd.

En ik riep wat ik altijd roep wanneer mij dat wordt gevraagd namelijk: ‘Because I have to!’

Ik noteerde titels van boeken over witchcraft, iemand ging eindeloos door over de Illuminati en daarna brulde een ander mij in het oor dat ik alles van George Bataille moest lezen en dan met name dat ene deel over de soevereiniteit van de artiest, en aan het eind van de avond, toen we in het appartement van de kersverse doctor waren beland, raakte ik in gesprek met een vreemd type, een hyperintelligente, kwetsbaar ogende dichter die in New York filosofie doceerde en de hele tijd dramatische vragen en stellingen door de kamer slingerde waarbij hij getormenteerd met zijn handen door zijn haren ging en hij vroeg mij ‘WHY do you write?’ en ik riep wat ik altijd roep wanneer mij dat wordt gevraagd namelijk: ‘Because I have to!’ Maar daar kwam ik bij deze jongen niet zo makkelijk mee weg.)

Maar nu dan, ja, zo stilletjes aan, lijkt zich dan toch het moment aan te dienen, daar ergens in de verte, het is nog klein maar het nadert snel genoeg om het met het blote oog te kunnen waarnemen, het is een kwestie van dagen, of nu ja misschien weken, ach laat het ons hooguit maanden noemen en dan begin ik er eindelijk aan, dan ga ik echt weer eens schrijven. Tot die tijd vallen er naast het bedenken van welke scène ik als eerste zal schrijven, en welke dáárna, en naast het dagdromen over een waanzinnige vertelvorm die de literatuur zonder twijfel op haar grondvesten zal doen daveren, en naast het glimlachend van de voorpret losjesweg wat door de verzamelde research scrollen, en het nalezen van een ideetje hier en het terugvinden van een vergeten inval daar, en naast het middernachtelijke twijfelen en piekeren over WAAROM ik in godsnaam precies dit boek moet gaan maken, naast al die dingen dus, vallen er genoeg andere dingen te doen. Zoals bedenken dat het 27 mei is en dat dit betekent dat ik vandaag exact twintig jaar geleden in de rij stond bij de vreemdelingenpolitie in Amsterdam Noord om mij in te schrijven als inwoner van Nederland.

Verdriet slijt en al daar soort dingen maar de lege plek die hij achterliet is in al die jaren helemaal niet kleiner geworden.

Die twintig jaar zijn helemaal niet voorbij zijn gevlogen maar hebben mijn leven wel stap voor stap, dag na dag, jaar na jaar, compleet veranderd op een manier die ik onmogelijk kon voorzien en dat betekent ook dat het in september twintig jaar geleden zal zijn dat mijn vader overleed, die nooit heeft geweten dat ik boeken zou gaan schrijven, op zijn beurt onmogelijk kon voorzien dat ik twintig jaar later met Gilles in een steegje in het hart van Amsterdam totaal niet zou staan roken (of oké, eerlijk is eerlijk, wellicht had hij juist dat wél voorzien, en gevreesd) maar wel nog dat ik naar Nederland verhuisde – het laatste dat we bespraken was het salaris dat ik bij mijn nieuwe Nederlandse werkgever verdiende en ik zal nooit de glimlach der opluchting vergeten die op zijn gelaat verscheen toen ik het bedrag noemde. Maar goddamnit. Twintig jaar. Verdriet slijt en al daar soort dingen, maar het gekke is: de lege plek die hij achterliet is in al die jaren helemaal niet kleiner geworden, heeft zichzelf totaal niet opgevuld, sterker nog, lijkt de laatste tijd alleen maar groter te worden, en het zou me niks verbazen als ook dat komt omdat ik bijna weer ga schrijven, daarginds aan de horizon die enorme, donkere stofwolk aan zie komen waarin ik vroeg of laat – laat ons zeggen: vanaf september – moet gaan verdwijnen, zonder te weten wat ik te weten ga komen of wat ik zal gaan begrijpen maar, gokje, het zal iets over mijn vader zijn, en iets over zijn vader, dus het moet al raar lopen als het uiteindelijk niet gewoon over mezelf zal gaan, ja, daar is hij weer hoor, altijd maar over mij, maar goed, geen nood, met wat geluk wordt het ook voor jullie als vanouds fun & entertainment.

Pin It on Pinterest