web analytics

Vandaag heel wat media aandacht voor Alles is OKÉ. Ik tik dit terwijl ik in de trein zit, onderweg om over het boek te gaan praten bij Spijkers met Koppen op de Nederlandse Radio 2. Daarnaast: een groot interview in De Morgen dat het heeft over ‘een bijzonder mooie roman’, prachtige recensies in de Volkskrant en Trouw, een interview in de Gazet van Antwerpen, en een voorpublicatie op de website van Vrij Nederland ter gelegenheid van Wereld Alzheimer Dag – dat is vandaag. Eerder was ik al een uur lang te horen bij Kunststof op de Nederlandse Radio 1, dat kan je HIER terug beluisteren. Groetjes van je mediaboy!

 

De dag voor de presentatie van je nieuwe boek is tevens de dag waarop vrienden en kennissen je appen dan wel mailen dat ze er morgenavond – helaas! – tóch niet bij kunnen zijn want geen oppas, ouderavond, en wisten jullie nu echt niet dat Ajax Champions League speelt.

Ik dacht: daar ga je, moederke. Het is begonnen. Ze gaan je lezen.

Dat zijn meestal de mensen die je bij het samenstellen van de genodigdenlijst had aangevinkt als zijnde ‘zekerheidjes’. Vanavond zal ik in de keuken staan koken wanneer mijn vrouw thuiskomt en nadat ze haar tas heeft neer gekwakt en haar jas uitgedaan, zal ik me omdraaien, haar verdrietig in de ogen kijken en zeggen: ‘Niemand komt naar mijn feestje.’

Rituelen. Vorige week deed ik een paar interviews over het boek, in Antwerpen. De eerste journaliste begon met: ‘Goed. Jij bent de ik-verteller, daar hoeven we niet ingewikkeld over te gaan doen, dus laten we die hele rituele rondedans maar meteen overslaan, dit boek gaat over jou, je kan er ‘roman’ opzetten zoveel je wil, maar het is gewoon overduidelijk dus BEKEN BEKEN BEKEN HET NU MAAR EN GA NIET DE LAFBEK LOPEN UITHANGEN MET DAT VERDOMDE ‘SPEL MET FEIT EN FICTIE’ ALTIJD MAAR WEER WANT IK BEN HELEMAAL KLAAR MET DIE FLAUWEKUL.’ Nu ja goed. Het is mogelijk dat ze het niet exact zo formuleerde. En ik dacht: prima. Waarom ook niet. Daarna verliep het interview alleraardigst en vlot en het fijne aan zo’n eerste interview, dat bijna twee uur duurde, is dat je rustig kan nadenken over het hoe en waarom, en dat helpt allemaal, voor de volgende interviews, maar ook om een eerste stap te zetten in de richting van ‘in het reine komen met het boek’, een proces dat makkelijk een jaartje of twee in beslag kan nemen. [Ik herinner me dat ik een half jaar na het verschijnen van Billie & Seb toevallig Gerbrand tegenkwam op de trein. Hij zei: ‘Wat jij daar gedaan hebt, in dat boek, dat was ook… raar.’ (Gerbrand mag zulke dingen tegen mij zeggen – jullie niet.) Ik zei dat ik daar eigenlijk geen zinnig woord over kon zeggen, dat ik zelf nog niet wist wat ik in dat boek had gedaan. En dat begreep hij meteen. Zo verliep ook die treinreis alleraardigst en vlot ook al kan ik me niet herinneren waarnaar ik toen op weg was maar mocht hij er vandaag weer over beginnen, dan zou ik hem wel min of meer kunnen antwoorden. Denk ik.]

Ze staat er altijd in, in elk boek, ze heeft alleen nog nooit zichzelf herkend.

Rituelen. Gisteren was ik samen met een heleboel Lebowski-maatjes in De Nieuwe Boekhandel om Monique, die een zware tijd doormaakt, een hart onder de riem te steken. Een hartverwarmende middag. Ik las voor uit Alles is OKÉ en tijdens de veiling verkocht ik het allereerste exemplaar van het boek – samen met mijn volledige muzikale oeuvre op CD – per opbod. Simon de Waal was de gelukkige. Niet veel later zag ik dat er al een stapeltje van Alles is OKÉ bij de kassa lag en nog eens niet veel later, zag ik iemand het tweede exemplaar kopen. Ik dacht: daar ga je, moederke. Het is begonnen. Ze gaan je lezen. Je ligt er.
Rituelen. Na de interviews in Antwerpen maakte ik een wandeling langs enige kunstgalerieën, en liep even – for ol’ times sake – langs mijn oude appartementje en daarna had ik afgesproken om uit eten te gaan met mijn eerste grote liefde. Ze begon met me te zeggen dat ze – helaas! – niet bij de presentatie in Antwerpen op 24 september kon zijn. Jammer, want de running joke tussen mijn eerste grote liefde en mij is dat ik een nieuw boek altijd voor haar signeer met de woorden ‘Geen zorgen, je komt er (alweer) niet in voor!’. Deze keer, evenwel, komt ze er wel in voor. Terloops, maar toch, ze staat erin. Dat weet ze nu nog niet want dat heb ik haar tijdens het etentje niet verteld en wat ze ook niet weet is dat die running joke geen grap is maar een leugen. Ze staat er altijd in, in elk boek, ze heeft alleen nog nooit zichzelf herkend.

Rituelen. Een overheerlijk etentje, een wandeling door Borgerhout, bijna net als vroeger, afscheid nemen, alleen verder lopen, uiteindelijk aankomen bij Café Zeezicht, door de ramen naar binnen kijken, het licht, het bier, jezelf afvragen of je er daar nog eentje gaat nemen voor het slapen gaan, besluiten dat je – helaas – niet meer in dat café thuis bent.

De volgende dag bezoek ik mijn moeder in het bejaardentehuis waar ze sinds december woont.
Ze zegt: Hebdegij witte wijn bij?
Nee, moederke.
Nondedjol.
Daarna laat ik haar een foto zien van de meisjes en mijn vrouw en nadat ik heb uitgelegd wie dat zijn en hoe ze heten, bekijken we de vakantiefoto’s van Amerika op mijn telefoon.
Ja, zegt ze. Die kinderen van mij gaan overal naartoe. En die vragen nooit: gaat ge mee?
Ik lach.
Jamaar. Het liefste wat gij doet, is lachen met mij.
Ik lach harder.
En ik moet daar maar gewoon content mee zijn.
Och moederke.
Ge ziet dat ik bekan begin te schreeuwen, hè.
Ze lacht. We lachen. Rituelen. Wat heb je eraan?

Het eerste wat ik vanochtend deed toen ik op kantoor arriveerde, was het doosje punaises op mijn werktafel omstoten. Nee, dat heeft geen deksel. Daarmee heb ik aardig samengevat hoe de stemming deze dagen is.

Nooit meer een boek schrijven. Een heerlijk vooruitzicht.

Afgelopen vrijdag werd ik nog streng terecht gewezen door Gilles, die daarna zelf begon te zeuren over het feit dat zijn zoon op hockey gaat maar dit terzijde. Andere mensen hebben mij al vaker meegemaakt in de laatste weken voor het verschijnen van een nieuw boek. Deze mensen verbergen hun commentaren in achteloos uitgesproken zinnetjes als ‘Wat wil je lunchen?’ of in de manier waarop ze met hun rug tegen het aanrecht leunen terwijl ze me aankijken met een blik die zegt: waar heb ik jou toch opgeduikeld en vooral, hoe kom ik weer van je af? Maar elk schrijver weet wat de rest van de wereld verdomd moeilijk te begrijpen vindt: in deze laatste weken voor het verschijnen van een nieuw boek, draait alles om mij. Mij, mij, mij. Snap je?

Vorige week zorgde een pardoes veel te vroeg gearriveerde recensie nog voor een halve dag overmoed, en het idee dat het begonnen was, het circus. Yes, dacht ik, let’s get it over and done with. Daarna werd het gewoon weer stil, en dáárna maakte de afzegging door een televisieprogramma overduidelijk dat de zaak totaal kansloos is en het maar beter zou zijn om met deze gekkigheid te stoppen. Nooit meer een boek schrijven – een heerlijk vooruitzicht. Afijn. De punaises een voor een weer in het doosje gestopt, de gordijnen opengetrokken, het kantelraam open gezet, koffie gezet. Wat kan ik meer doen? Er is een to do-lijst, uiteraard. Dat lijstje is best lang want ik ben zes weken op vakantie geweest. Maar niks lijkt te moeten. Volgende week, wanneer het te laat is, zal ik er mij eens aan zetten. Nu hang ik in mijn stoel, staar naar het scherm, sta op, wandel door de kamer, bedenk me dat ik eindelijk die schilderijen op moet hangen, misschien eens iets van deze plek moet gaan máken, staar vervolgens minutenlang uit het raam; de parkeerplaats stroomt vol en aan de andere kant van het plantsoen, voor de kerk, warmt het rouworkest zich op. Straks mogen ze er weer eentje naar eindstation De Nieuwe Ooster begeleiden.

We cruiseden een zomer lang door Amerika. Als je wil weten waarom zoveel Amerikanen op Trump stemden: praat bij je volgende bezoek aan de States zoveel mogelijk met Uber-chauffeurs – het zijn de ronddolende zielen van mensen die door de American Dream zijn vermoord. Ook de natuur is erg mooi. We hielden alle vier een dagboek bij. Het mijne blijkt meer dan twintigduizend woorden te tellen. Dat is een kleine novelle. Maar wanneer ik nu een voorzichtige poging tot creatieve arbeid onderneem, tik ik met het gevoel al jaren niet meer te hebben geschreven. Ik blijk nauwelijks nog woorden te kennen. Soms sla ik het vooruitexemplaar van Alles is OKÉ even open en verbaas me over de woorden en zinnen die erin staan. Wie heeft dat allemaal verzonnen? Waar was ik toen dat werd opgeschreven?

En daar, op het strand aan de Pacific, ontwaarde ik de surfdude in mij.

Ik geloof dat ik het meest genoot van de laatste week, toen we langs de Californische kust reden, her en der op strandjes gingen liggen, naar de surfers keken, die vrij leken. Ik vroeg me af waar ik was toen ik twintig was, waarom ik niet in Californië was, toen, maar wel in een te klein appartement, met een slecht betaalde baan, niet wetende wat te doen, terwijl Californië en die golven daar al de tijd al waren. Ik lees nu een essaybundel van Adam Phillips met daarin heel wat ingewikkeld geneuzel over Freud maar ook enige glasheldere gedachten zoals het idee dat we samenleven met de mensen die we hadden kunnen zijn. We zijn voortdurend in dialoog met de levens die we niet hebben geleefd – dat herken ik wel. En daar, op het strand aan de Pacific, ontwaarde ik de surfdude in mij. Die had ik nog niet eerder gezien, die mocht mee het busje in, samen met de rockster, de profvoetballer, de attente, liefdevolle echtgenoot, de loyale vriend, de muziekindustriebobo, de winnaar van de Lotto Jackpot van afgelopen weekend en die ene superleuke vader die van gezelschapsspelletjes houdt. Gezellig. Maar wie mag er aan het stuur zitten, eindeloze kilometers lang door de woestijn rijden die het leven van een schrijver in de laatste dagen voor het verschijnen van zijn nieuw boek in wezen is? Right.

Dit alles in acht nemende, kwam het mij in feite bijzonder goed uit dat ik de voorbije twee weken in een Kafkaësk conflict met een webshop verzeild was geraakt. Ik schreeuwde, ik vloekte, ik maakte mezelf groot en klein en huilde ei zo na, mompelde uiteindelijk tegen de mevrouw van de klantenservice: maar wat moet ik dán doen opdat iedereen van me zou houden? Ik bedoel: wanneer wordt die fiets geleverd, bitch? Zeg het of ik doe aangifte. Afijn. Seconden nadat ik voor de zeventiende keer gefrustreerd ophing zonder het vooruitzicht een fiets geleverd te krijgen, stond mijn vrouw naast mij en zei: ‘Heb jij nu echt alle witte wijn opgedronken?’ Klassiek gevalletje van een terecht verwijt in combinatie met een verschroeiend slechte timing. Waarna ik die blik weer kreeg en er een woordenwisseling volgde waarvoor je allerminst een goede verstaander diende te zijn.

Een kleine protestmars. Lou Victoria fier voorop, Lola en mijn vrouw er achteraan.

Aan een hoekje van de tafel zat Lou Victoria (7) het stilletjes gade te slaan terwijl ze met verf en kwasten in de weer ging. Mijn vrouw verdween naar de slaapkamer, de oudste kwam thuis en vroeg wat er was. Niets, riep ik. Niets! En fietste woedend naar de wijnwinkel. Toen ik terug thuis kwam met twee flesjes Douro, werd ik vanuit de woonkamer gesommeerd in de keuken te blijven tot nadere instructies zouden volgen. Nou, nou, dacht ik. Zó bont heb ik het nu ook weer niet gemaakt. Ik zette de flessen in de koelkast, ging alvast met mijn rug tegen het aanrecht leunen, klaar om ze een koekje van eigen deeg te serveren en toen kwam een kleine protestmars door de gang mijn kant op gemarcheerd. Lou Victoria fier voorop, Lola en mijn vrouw er achteraan. Ze hielden halt bij de koelkast en keken me aan. Ze hadden alle drie een vrolijke, schuldbewuste blik opgezet, zo’n blik die onmogelijk valt te weerstaan. Tot overmaat van ramp hield Lou Victoria een spandoek omhoog, een A4’tje, waarop drie rode hartjes geschilderd waren. Daaronder de slogan. In grote, vuurrode letters: wij houden van jou. Kortom. Daar stond ik, de lul, leunend tegen het aanrecht. En daar stonden zij, de schatten, te lachen en te houden van iemand die ik misschien beter niet was geweest.

De laatste keer dat ik Wilco zag spelen was ook in Paradiso, een jaar of tien geleden. Ik stond met Irene op het eerste balkon, aan de zijkant ter hoogte van het podium, waardoor we bovenop de band zaten – die geen moment opkeek, volledig in zichzelf gekeerd – en het geluid rechtstreeks van het podium op ons insloeg, als een drie uur durende granaatexplosie.

Het scheelde het geen haar of de tranen liepen over mijn wangen.

Wilco was woedend die avond. Irene en ik zeiden het hele concert lang niets tegen elkaar, zoals het hoort in feite, omdat we verpletterd werden door de intensiteit van dat concert. Zelfs toen we later terug buiten stonden, op de Weteringschans, wisten we nauwelijks een woord uit te brengen.
Ook nu stond ik op het eerste balkon maar recht voor het podium. Deze keer was ik alleen en vanaf het moment dat de eerste tonen van Ashes of American Flags weerklonken, voelde ik mijn lichaam langzaam uitademen. Toen ze niet veel later I Am Trying To Break Your Heart speelden, scheelde het geen haar of de tranen liepen over mijn wangen. Dat dit niet gebeurde kwam omdat Wilco gisteravond helemaal niet woedend was, of verdrietig, maar warm en troostrijk speelde, ongelofelijk relaxed, haast vrolijk ja, alsof de hele band net iemand nieuw had leren kennen die ze heel leuk vonden en nu in hun nopjes het pad hunner oeuvre af struinde, hier en daar halt houdend om een bloemetje uit de berm te plukken. Goed. Misschien zegt dit allemaal meer over mij.

Dit neemt niet weg dat ik vandaag reeds bij het ochtendgloren naar de Albert Heijn fietste en daar alles kocht behalve wat ik nodig had: hooikoortpilletjes, paracetamol, geld voor de poetshulp. Op normale maandagen meer dan voldoende om ervoor te zorgen dat ik bloedchagrijnig naar kantoor zou fietsen maar tot mijn eigen verbazing doorkruiste ik gezwind de Indische buurt, keek bij het kruispunt met de Insulindeweg mild glimlachend toe hoe een oud vrouwtje ei zo na werd geschept door een idioot in een Hummer, en niet veel later arriveerde ik bruisend van energie ten kantore, gooide het raam en de gordijnen open, zette You and I op en stelde vast dat de parkeerplaatsen aan het plantsoen leeg waren: wellicht zijn de mensen die deze week worden begraven nog aan het sterven.

Het zal wel weer not done zijn om jezelf een visionair auteur te noemen.

Nu zit ik klaar om verder te werken aan het filmscenario van Billie & Seb, een proces dat al enige tijd gaande is, en dat nog geruime tijd gaande gaat blijven, zo durf ik te vermoeden – zeker als die dekselse actualiteit zich blijft ontwikkelen zoals ze recentelijk doet. Het is nu drie jaar geleden dat ik voor De Standaard een essay schreef met de titel ‘Voor wie zou ú nog vechten?’ en het is twee jaar geleden dat Billie & Seb verscheen – een roman over een jongen die in een afgelegen dorpje met zijn vrienden met airsoft guns speelt terwijl ze ieder op hun eigen manier radicaliseren – en het is een goed half jaar geleden dat Dries Van Langenhove en zijn kameraden met airsoft guns poseerden, en nog maar een paar weken geleden dat massaal op hun gedachtengoed gestemd werd en dan nog het massaalst van al in afgelegen dorpjes. Het zal wel weer not done zijn om jezelf een visionair auteur te noemen maar het begint er godverdomme wel aardig op te lijken. De vraag die ik mij nu moet stellen als scenarist is de vraag die ongeveer iedereen in mijn stilaan toch vrij beklagenswaardige vaderland zich stelt: hoe nu verder? Daaruit vloeit automatisch een andere vraag voort: wat is waar? Iemand wees me deze week op de ultieme definitie van country music: ‘Three chords and the thruth’. Dat deed me denken aan de workshop die ik een paar jaar geleden volgde bij scenario-goeroe Robert McKee. Die hamerde de hele tijd op de verantwoordelijkheid van de schrijver om de waarheid te vertellen.

De verhalenteller die de waarheid niet vertelt, bedriegt zijn publiek.

Niet de werkelijkheid, maar de waarheid: alles wat de personages beslissen en doen moet waar zijn, het moet kloppen met wie ze zijn, waar ze vandaan komen, het mag onbegrijpelijk zijn maar moet onvermijdelijk zijn, verrassend en volstrekt logisch, zoals elke grote waarheid en – zo zei McKee streng – de verhalenteller die de waarheid niet vertelt, bedriegt zijn publiek en is het vak van verhalenverteller niet waard. Het is, geloof ik, niet heel erg moeilijk om mensen te vinden die dit beweren over het leven. Ik denk steeds vaker dat deze mensen gelijk hebben.

Dus dat is de vraag die ik me deze dagen stel wanneer ik bijna in tranen uitbarst wanneer Wilco zingt All my lies are only wishes / I know I would die if I could come back new en daarna vergeet te kopen wat ik nodig heb, gezwind door de stad fiets, bij het zicht van een verlaten parkeerplaats aan de mensen denk die nu liggen te sterven, en dus ook terwijl ik aan dat filmscenario werk: wat denkt deze jongen werkelijk? Hoe kan ik het onderscheid maken tussen wat hij werkelijk denkt en wat hij denkt te voelen? En als ik dat eenmaal weet: wat kan deze jongen dan doen wat werkelijk waar is?

Afgelopen vrijdag ging ik uit eten bij Toscanini op de Lindenbracht, met Gilles en Rob. Weinig mensen weten dit maar Gilles van der Loo is in Toscanini geboren en heeft er, toen hij nog jong en beloftevol was, alles gedaan wat God en klein Piereke hebben verboden. Je raadt het al: we werden als helden onthaald. Dienovereenkomstig posteerden we ons met een biertje op de stoep en bespraken wie in onze omgeving allemaal kanker heeft.

Daarnaast ontbijt ik steeds vaker met groenten.

Daar waren we even zoet mee. De slotconclusie werd – zoals dat gaat – door Rob Waumans geleverd die zei: Af en toe een biertje en een peuk erbij, de rest is gezeik. Dat was het sein voor Gilles om te vertellen dat hij, nu de verbouwing van zijn huis voltooiing naderde, weer begonnen was met schrijven maar dat het voor geen meter liep. Ik zei dat schrijven een duursport was.
Net als wielrennen, zei Gilles.
Inderdaad, zei ik. Je moet het elke dag doen. En het duurt net zolang om weer op je oude niveau te komen als de tijd dat je gestopt was.
Nee, dat laatste zei ik niet want ik wilde de sfeer erin houden maar het is wel gewoon waar. Hang in there, Gilles.

Omdat we helden waren, kregen we overheerlijke gang na overheerlijke gang geserveerd zonder dat we iets besteld hadden. Op een bepaald moment werd Gilles tot tranen toe geroerd door drie ravioli. Alleen de kalfswangetjes op het eind waren er te veel aan maar ik durfde ze niet te laten liggen omdat 1. ze onwaarschijnlijk mals waren en 2. Rob aan het begin van de avond al was weggehoond toen hij zei liever geen vlees te willen eten. Zelf eet ik al een jaartje of wat niet vaker dan een of twee keer per week vlees en het is bijzonder om vast te stellen hoe mijn lichaam hierop reageert, namelijk: heel erg blij. Daarnaast ontbijt ik steeds vaker met groenten. Groenten, ja. En ik kan u vertellen: dit is een knoert van een tip.

Welke vitrine? vroeg mijn moeder.

We sloten af in de Pels waar men raar opkeek van en zoniet een tikje vijandig reageerde op onze komst. Iemand weigerde mij zelfs een sigaret uit te lenen – dat was niet meer gebeurd sinds 1982. Toen was ik elf dus voor dat akkefietje had ik indertijd wel enig begrip gehad. Afijn. Ik dronk nog een biertje dat bijzonder slecht bleek te accorderen met de kalfswangetjes, en even later fietste ik voorovergebogen van de pijn naar huis.

De volgende middag stapte ik met de meisjes in de auto en reed naar Antwerpen voor de verjaardag van mijn moeder terwijl ik nadacht over de email die ik ’s ochtends had ontvangen en waarop ik een antwoord diende te formuleren, een antwoord waarop ik wellicht te hard mijn best zou gaan doen in een poging slim en geestig te zijn. De meisjes zaten op de achterbank filmpjes te kijken op de iPad en ter hoogte van Oosterhout zette ik Studio Brussel op. In het restaurant aangekomen bleek mijn moeder in grote vorm; ze voelde zich zichtbaar jarig en geliefd en ik vroeg hoe het ging met haar vriendinnen in het bejaardentehuis.
Welke vitrine? vroeg mijn moeder.
Dat was straf, want er is in Alles is OKÉ inderdaad een belangrijke rol weggelegd voor een vitrine, ik moet daar eerlijk in zijn.
Vriendinnen, zei ik.
Ja, zei mijn zus. M. bijvoorbeeld.
Nog een bijzonder toeval want ik ben vrijdag beginnen lezen in Kamers Antikamers van Niña Weijers waarin ook een M. een rol vertolkt maar dan een M. die ik wél ken – verder een erg goed boek trouwens al vind ik het vreemd dat vooralsnog niemand de wijze waarop de ik-verteller andere personages verhalen laat vertellen bij de naam noemt, dus zal ik het maar doen: Rachel Cusk. Ik hou wel van die techniek, al heb ik het nog nooit iemand zo soepel en elegant zien doen als F. Scott Fitzgerald in The Great Gasby wanneer hij plots, out of the blue maar geheel vanzelfsprekend, Jordan Baker het woord geeft. Afijn.
Wie is M.? vroeg ik
Dat is die mevrouw die altijd een fles witte wijn in een koelzak aan haar rollator heeft hangen, zei mijn zus.
Mijn moeder begon te giechelen.

Waarna ik die email schreef en daarin precies zo slim en geestig bleek te zijn als gevreesd mocht worden.

Ik bedacht dat het jammer was dat ik nu pas over M. hoorde maar wie weet komt er nog een sequel van Alles is OKÉ en dan kan ik haar daarin alsnog opvoeren en pagina’s lang laten uitweiden over iets wat verder niks met het verhaal te maken heeft en zo verwarring zaaien in het hoofd van de literatuurwetenschapper (m/v) die binnen honderd jaar het waanzinnige idee zal hebben een vergelijkende studie te maken van het vroege werk van Weijers en Victoria en de rol van die M. daarin.

Goed, dit alles gezegd zijnde at ik voor de tweede keer deze week een stuk vlees, dit keer filet pur, van bijzonder matige kwaliteit helaas en precies zo duur geprijsd als enkel zichzelf overschattende brasserieën in de rand van de stad durven te doen, en daarna reden we weer terug naar huis, opnieuw met buikpijn, opnieuw peinzend over die email, terugschakelend naar de Nederlandse Radio 1 ter hoogte van Oosterhout en bij thuiskomst ontwaakten de meisjes, gingen we naar bed, sliepen, werden wakker, ontbeten met groenten, waarna ik die email schreef en daarin precies zo slim en geestig bleek te zijn als gevreesd mocht worden, waarna ik alsnog gewoon op send drukte want leren, nee, dat ga ik het nooit.

 

Vanochtend verzond ik een email naar iemand van wie ik niet zeker wist of ze wist wie ik was dus ik schreef: hier is mijn website, daar lees je meer over mij. Maar toen ik zelf op die website ging kijken, stond er een blogpost uit november 2018 op de homepage en ik dacht: o ja natuurlijk, ik heb in de voorbije maanden een boek afgerond, deze website is gewoon vergeten dat ik nog bestond – of omgekeerd.

Ze is niet in Brussel. Niemand weet waar ze is.

Dus even in het kort: aan het eind van 2018 verhuisde ik naar een bejaardentehuis. Tweehonderd kilometer verderop deed mijn moeder hetzelfde. Ik las dat de gemiddelde tijd die een bewoner in een bejaardentehuis doorbrengt negen maanden is. Zelf heb ik een huurcontract voor drie jaar getekend. De statistieken, evenwel, liegen nooit en volgens die statistieken is het dus vrij zeker dat er op de plek waar ik sedert enkele maanden werk, en nu eindelijk weer een stukje voor dit blog tik, tientallen mensen zijn dood gegaan. Mijn bureau heb ik voor het raam gezet. Daardoor werk ik met mijn rug naar de deur. Een vriend legde mij op vrij overtuigende wijze uit dat je dat nooit mag doen. Ik zei dat ik mijn laatste twee romans met de rug naar de deur had geschreven en mijn eerste twee met de deur aan mijn linkerhand.
Wat is het verschil tussen je eerste twee en je laatste twee romans, vroeg hij.
Ik zei: de eerste twee heeft mijn moeder nog gelezen.
Daarstraks belde ik haar op, in haar bejaardentehuis. Ik vroeg het ging. Ze zei: Prima zoet, maar waar ben ik nu eigenlijk? In Brussel?
Ze is niet in Brussel. Niemand weet waar ze is.

In mijn niet-meer-zo-nieuwe werkkamer kijk ik uit op parkeerplaatsen en een plantsoen. Rechts van het plantsoen is een kerk. Een eindje de linkerkant op is de hoofdentree van de Nieuwe Ooster begraafplaats. Het resultaat van dit alles: iedereen die voor mijn raam parkeert is in principe verdrietig. Gisteren stapten er veel oude mensen uit de auto’s. Dat vind ik altijd geruststellend. Vorige vrijdag waren het voornamelijk twintigers geweest. Jonge mensen, onhandig met verdriet; bumpers schurend tegen de stoeprand. Oude mensen dragen hun smart rustig en elegant, als een bontmantel die zich met de jaren aan de vorm van hun krimpende lijven heeft aangepast. De begrafenissen die plaats vinden in de kerk bij het plantsoen gaan veelal gepaard met een fanfare en soms ook met een paard en kar die de kist langs het plantsoen naar de Nieuwe Ooster voert, achterna gezeten door die fanfare. Vaak wordt er uitbundig bij gezongen, iedereen in het wit.

Ik weet niet welke van de twee opties ik prefereer, maar alleszins een van de twee.

Bij de Nieuwe Ooster zit ook een uitvaartmuseum, dat heet Tot Zover. Iemand vertelde me dat een kennis van hem die Alzheimer heeft er een afscheidsdienst had gehouden toen hij nog net voldoende in de wereld was, maar dus vóór zijn dood. Inclusief speeches, herinneringen, tranen, en bloemen noch kransen. Op Twitter beweerde Barry Smit (lees zijn nieuwe boek – het is mooi) een BN’er te kennen die eerst het overlijdensbericht uit liet sturen zodat hij de necrologieën in de krant nog kon lezen, en daarna pas de euthanasie liet uitvoeren. Ik weet niet welke van de twee opties ik prefereer, maar alleszins een van de twee.
In de komende tijd zijn er drie dingen die ik zeker ga doen: ik ga drie gedichten schrijven, ik ga vijf weken door Amerika reizen, en daarna ga ik mijn vijfde roman publiceren. Dat laatste zal gebeuren in september. Dat is inderdaad precies negen maanden na de simultane verhuizing van mijn moeder en ik naar onze respectievelijke bejaardentehuizen. De roman gaat dan ook over mijn moeder, en ook over iemand die mijn moeder had kunnen zijn. Ik heb hem geschreven met de rug naar de deur.

Pin It on Pinterest