web analytics

Daags na het verschijnen van het stuk van Ronit Palache over Mai Spijkers in de Volkskrant, stond ik op een feestje in de Noord-Hollandse polder aan een non-alcoholisch biertje te lurken terwijl enkele collega-auteurs druk doende waren het betreffende artikel te analyseren. Het was te lang, te particulier, er ontbrak achtergrond, onderzoek en de verteller leek aan het eind geen ontwikkeling te hebben doorgemaakt, niks te hebben geleerd, had enkel geklaagd en medelijden met zichzelf gehad, wellicht uit rancune. Allemaal waar, zei ik. Maar misschien moesten we toch ook niet vergeten waar het in de eerste plaats om ging, namelijk dat Mai Spijkers een enorme lul was.

Een enórme eikel! riepen alle aanwezigen. Niet te doen, wat een lul! Maar dat wist iedereen al jaren.

Zeker, beaamden de anderen, dat was zeker waar en ook het allerbelangrijkste maar, zo opperde iemand, we moesten ook niet vergeten – en dit kon iedereen die ooit met haar te maken had beamen – dat Ronit Palache in de tijd dat ze hoofd marketing was bij Prometheus een enorme bitch kon zijn. Ja goed, gaf ik toe, dat had ik zelf ook wel eens gedacht, maar anderzijds: was dit een reden om uit het oog te verliezen dat Mai Spijkers een enorme klootzak was? Tuurlijk niet, túúrlijk niet, riep iedereen. Geenszins! Maar dit gezegd zijnde: een van de aanwezige collega’s had contact gehad met de bewuste auteur die met Ronit en Mai in Parijs was, zoals in het stuk werd beschreven (een auteur dankzij wie de collega in kwestie ooit een literaire prijs had gewonnen maar dit geheel terzijde) en die had geappt van ‘wat voor flauwekul is dit allemaal zeg’ dus ja, dat zei toch ook wat. Mogelijk, zei ik, eventueel zelfs wellicht, maar goed, let’s keep the eye on the ball om het zo maar eens te zeggen: Mai Spijkers werd er geen minder grote eikel door. Een enórme eikel! riepen alle aanwezigen. Niet te doen, wat een lul! Maar dat wist iedereen al jaren. Het was uiteraard een goede zaak dat de romantiek er nu een beetje vanaf was, want er was al te vaak al te lacherig over gedaan op literaire borrels, maar alles in overweging nemende: wát een matig stuk van die Ronit, hè. En trouwens: waarom had ze dan niet gewoon ontslag genomen na een jaar? Welnu, daarover wist ik toevallig wel het een en ander te vertellen, maar het was een feestje, er arriveerden nieuwe gasten, de avondzon zakte langzaam weg in de polder, twee pony’s graasden in een weilandje verderop en de kinderen stonden met marshmellows bij het vuur, en ik merkte dat ik me langzaam onttrok aan het gesprek, dat nu over verbouwingen ging, en oude vrienden, en het weifelachtige verlangen om terug te keren naar het dorp van je jeugd.

Ik heb Mai Spijkers welgeteld één keer ontmoet en dat is geen toeval. Begin 2008 stond ik in de hal van het Prometheus-pand aan de Herengracht te wachten op mijn afspraak met redacteur Job Lisman, die interesse had in mijn debuutroman. Plots kwam er een kaal mannetje met bretellen de gang in gedribbeld. ‘En wie ben jij?’ vroeg hij. Ik stelde me voor. ‘Ah, ben jij dat?’ zei hij met een glimlachje. ‘Jij moet gewoon bij ons komen, jongen, dat is wat jij moet doen.’ En hij sloeg me op de schouder, liep door en op dat moment besliste ik dat ik zéker niet bij Prometheus ging tekenen (hetgeen een tikje lullig was voor Job, met wie ik daarna een erg leuk gesprek had).

Een enorme nederlaag, die je het liefst van al zo lang mogelijk uitstelt, en ook dát weet die klootzak.

Deze verstandige beslissing had ik te danken aan mijn jaren in de muziekindustrie, een business waarin het wemelt van de charismatische controlfreaks en manische ego’s. Als tweeëntwintigjarige was ik erin beland met het vaste voornemen dat die wereld mijn leven zou worden en aldus begrijp ik heel goed hoe het mogelijk is om verslaafd te raken aan iemands kennis en uitstraling, omdat je jong bent, ambitieus en nieuwsgierig en ervan overtuigd dat die persoon je alles kan leren wat je te leren hebt, en heel vaak is dat ook zo. Tegelijk weet ik exáct hoe het is om je stressmeter diep in het rood te jagen omdat je diegene niet wil teleurstellen, heb ik aan den lijve ondervonden wat dat oplevert aan slapeloze nachten, beginnende maagzweren en steken in je hartstreek, en heb ik geleerd dat loyaliteit een wispelturig, ondoorgrondelijk beestje is dat zich niet makkelijk laat temmen en je inderdaad jaren aan een stuk dingen kan laten doen die heel belangrijk lijken op het moment zelf maar er in wezen alleen maar voor zorgen dat je jezelf heel langzaam compleet sloopt. (En dat wéét die klootzak.) Ik ben nog steeds blij en gelukkig dat ik die wereld net op tijd (maar veel later dan de meeste mensen denken dat zomaar mogelijk is) achter me gelaten heb en ook kan ik er nog steeds verdrietig om zijn, zoals je verdrietig kan zijn om een lang vervlogen, onmogelijke liefde. Maar het heeft me enorm veel opgeleverd, waaronder één ding dat geweldig van pas kwam toen ik die dag in de gang bij Prometheus stond te wachten: het onfeilbare vermogen om binnen een seconde een enorme lul (m/v/x/) te herkennen wanneer ik er één zie, en er vervolgens voor te zorgen dat ik te allen tijde ver uit zijn buurt blijf.

Ik stoor me aan het gemak waarmee de voorbije dagen werd geroepen: dan ga je toch weg na een jaar? Alsof je tegen een auteur zou zeggen: als dat schrijven van romans je toch zo veel moeite kost, en zoveel slapeloze nachten en stress – en dat kost het ons allemaal – waarom stop je er dan niet mee? Welnu, om te beginnen omdat het geen baan is. Schrijven vergt natuurlijk een bepaald vakmanschap maar het is in de eerste plaats een passie, of als je dat een lelijk woord vindt: minimaal iets waarvan je diep in jezelf voelt dat je het, om God weet welke reden, moét doen. En omdat het je op de beste momenten net zo gelukkig maakt als dat het je op de slechtste momenten kapot maakt.

Iemand die niet wilde verliezen en dan vooral niet van zichzelf – een kwaliteit die je tegelijk kwetsbaar maakt.

Ik mag toch aannemen, gezien de actualiteit van de voorbije jaren, dat ik hier niet meer hoef uit te leggen hoe lastig het is om uit een giftige situatie / relatie te ontsnappen, niet in de laatste plaats vanwege het beeld dat je hebt van jezelf, je twijfels en onzekerheid versus het onwrikbare idee dat jij hier thuishoort, dat dit het voor je is – dat was hoe het voelde voor mij toen ik in de muziekindustrie belandde, en toen ik mijn eerste romans schreef, en het komt me voor dat het zo voelde voor Ronit toen ze in het boekenvak begon. En als je dan uiteindelijk moet toegeven dat de prijs te hoog is, dat jouw ultieme bestemming je kapot maakt, dan is dat een enorme nederlaag, die je het liefst van al zo lang mogelijk uitstelt, en ook dát weet die klootzak.

Maar goed, dat bedacht ik natuurlijk allemaal pas achteraf, onderweg naar huis, in de duisternis die definitief bezit had genomen van het weidse landschap dat ik doorkruiste, en hoe langer ik erover nadacht, hoe meer sympathie ik kreeg voor Ronit Palache, die ik helemaal niet ken overigens, maar die me nu voorkwam als simpelweg passioneel van aard, iemand die niet wilde verliezen en dan vooral niet van zichzelf – een kwaliteit die je tegelijk kwetsbaar maakt en die anderen romantisch en naïef noemen, een enkeling ‘flauwekul’ – en dat herkende ik allemaal, en hoe kon dit artikel nu toch zo verkeerd uitpakken?

Ik lees momenteel een boek over het schrijven van essays en memoirs: The Situation and the Story van Vivian Gornick. In de eerste hoofdstukken focust Gornick daarbij op de ik-verteller in non-fictie. Gornick laat glashelder zien hoe cruciaal het is om ervoor te zorgen dat de lezer die verteller gelooft en toont heel mooi aan hoe moeilijk dat is, hoe het soms jaren kan kosten om zo’n vertelstem te creëren en op te bouwen. Ze betoogt in feite dat het helemaal niet volstaat om het simpelweg te vertellen zoals het is gebeurd, daarvoor ga je maar naar de politie of de therapeut, maar als je erover gaat schrijven, ja, dan is dit, in wezen, de hele en enige kwestie, hoe spijtig soms ook: hoe, in godsnaam, ga je ervoor zorgen dat ze je zullen geloven?

De laatste ochtend stond ik met een kop koffie op het erf, en ik zag de zwaluwen in en uit de gaten in de oude, moedige muren van de longère vliegen, de longère die we bij nader inzien toch niet mogen verbouwen, of misschien toch wel, of misschien toch niet, want de voorbije weken hadden we geleerd: of dingen mogen of niet mogen is relatief, en sterk afhankelijk van het vertrouwen dat je opwekt, de manier waarop je je verhaal vertelt, zoals iedereen die wel eens een verhaal vertelt weet, de manier waarop bepaalt in hoge mate of mensen geloven dat het echt gebeurd is en/of het je kwalijk zullen nemen wanneer later blijkt dat je alles verzonnen hebt.

Het ging er uiteindelijk allemaal om hoe je naar de dingen keek, zo leek de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie ons te willen vertellen.

Kortom, bij het derde telefoontje met la mairie, was de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie plots in de wij-vorm beginnen praten. Ze zei dat ‘we’ bij nader inzien, nu ze de tijd had gehad om er even rustig over na te denken, wetende wat wij haar hadden verteld, en allerhande zaken verder in achtgenomen, ja, dat ‘we’ dan welbeschouwd en redelijkerwijs konden stellen dat de longère of een deel ervan verbouwd zou kunnen worden tot zo te zeggen een ‘kantoor’, of tenminste zo zouden ‘we’ dat noemen en een ‘kantoor’ behoefde geen bouwvergunning, zei de dame, ‘we’ zouden enkel moeten doorgeven wat ‘we’ met de buitenkant deden, de grote op het zuiden uitgevende schuifpui die ‘we’ in die oude, moedige muren zouden plaatsen en die mooie gieten vloer, en het metselwerk waarmee ‘we’ die oude, moedige stenen zouden verstevigen en het dak dat vernieuwd zou worden, maar wat ‘we’ binnen met die ruimte zouden doen, tja, daar zouden ‘we’ natuurlijk niets over hoeven te vertellen, hoe ‘we’ dat kantoor gingen inrichten ja dat was natuurlijk helemaal hoe ‘we’ het zelf wilden, niet waar? En ja, het leek ons inderdaad zeer goed voorstelbaar dat een medewerker op het kantoor van ons niet bestaande boerenbedrijf af en toe een dutje zou moeten doen of na gedane arbeid op het werk een douche zou moeten nemen en wie kon er iets op tegen hebben als wij in de secundaire voorwaarden van het arbeidscontract zouden opnemen dat ons personeel recht had om gebruik te maken van het zwembad dat wij op de plek van de oude stallen zouden aanleggen? Het ging er uiteindelijk allemaal om hoe je naar de dingen keek, zo leek de vriendelijke dame van de afdeling urbanisatie ons te willen vertellen. En als je anders naar de dingen kijkt, dan veranderen de dingen.

We keken net op het goede moment opzij, zagen de machtige, donkerbruine flank van zijn lijf en zijn poten die het bos van de buren indoken.

En dat was inderdaad wat er gebeurde, in die paar weken dat we er waren, voor het eerst sinds we in december bij de notaris de papieren tekenden. Ik was hier natuurlijk al veel vaker geweest, had hier halve boeken geschreven, eindeloos sigaretjes gerookt en glaasjes rode wijn geslobberd in de avondzon maar nu, nu we hier voor het eerst waren sinds die papieren bij de notaris, en we een bankrekening hadden, zo vaak hadden moeten bellen en mailen om het internetbankieren werkende te krijgen dat we de lokale filiaalhouder inmiddels tot onze intieme vriendenkring rekenden, ja nu we hadden geleerd waar de waterpomp stond, hoe we konden switchen tussen het drinkwater van la commune en het regenwater dat die pomp uit de oude waterput op het erf haalde, en waar de compteur van de boer stond die dat water gebruikt om de koeien in de stallen achter de longère water te geven, en nu ik met een masker op, badend in het zweet, het terrein bij de bron te lijf was gegaan met een bosmaaier en we hebben het hier niet over zo’n aanstellerig grastrimmertje met een accu maar wel een beest van een bosmaaier die, zoals dat hoort in een streek als deze, op tweetakt draait, handmatig gemengde tweetakt die je de adem beneemt terwijl de braamtakken in het rond vliegen, ja nu dus, terwijl we wandelingen maakten waarbij we het eerste half uur wat we nog schroomvallig ‘ons terrein’ noemen niet eens konden verlaten als we het hadden gewild, gebeurde er dus precies wat de dame van de afdeling urbanisatie had gesuggereerd: de dingen veranderden, en dat kwam omdat we er anders naar keken. Laat het mij zo zeggen: ik kreeg zin om op pensioen te gaan.

Later die ochtend liep ik nog even het pad naar de bron af; onder de kromgegroeide hazelaars door, langs het kleine aardappelveld en de boomgaard aan mijn rechterhand, en het begin van het everzwijnenbos aan mijn linkerhand – waar nooit everzwijnen gezien worden maar eerder die week sprong er plots een hert uit tevoorschijn, we kwamen terug van een wandeling door de achterliggende weilanden, een aarzelende verkenningstocht door nieuw verworven gebied, toen dat hert plots over de weg bij de bron sprong, we keken net op het goede moment opzij, zagen de machtige, donkerbruine flank van zijn lijf en zijn poten die het bos van de buren indoken, en we keken elkaar aan en lachten, wauw, een hert, zomaar, op ons terrein – maar goed dat pad loopt dus langs het begin van dat bos, bij de oude hondenren, waar al lang geen jachthonden meer in staan te hijgen en die nu bijna geheel door klimop is overwoekerd, en gaat dan zo verder naar beneden, de bomen aan weerszijden grofweg gesnoeid door de boer die het achterliggende land pacht, die moet hier langs, dus die kapt alles wat in de weg hangt, dat mag, en dan linksaf en daar is dan de eerder gememoreerde bron.

Zo eentje waar je ’s avonds urenlang in het vuur kon staren of ’s ochtends je yogamatje neer kon leggen, en dan ademen op het ritme van ons kabbelende beekje.

De hele week was ik daar in de weer geweest. Ik trok onkruid uit en verwijderde het mos uit de nis, schepte de bladeren uit de put, maakte de stenen schoon met een stalen borstel tot het jaartal tevoorschijn kwam en weer helemaal leesbaar was: 1898. In dat jaar bouwde een over-over-overschoonvader die nis – la fontaine, zeggen we hier – om die bron heen, met grote, ruwe stenen. Het water komt uit de grond, door de spleten tussen de stenen die de bodem van put vormen – hij is niet diep, een halve meter, meer niet – en wat te veel is voor de put, stroomt via een geul ons beekje in en tien meter verderop loopt ons beekje alweer over in la ruisseau, die dat deel van ons terrein begrenst en verderop verdwijnt in het bos van de buren waarin ook dat hert verdwenen was.

Het water in de bron was glashelder. De kikkervisjes die ik er eerder die week nog in zag zwemmen, waren nu niet te zien, zaten wellicht verborgen in de spleten tussen de stenen, en eens te meer was ik geroerd bij de gedachte dat je zoiets eenvoudigs achter kan laten, als mens. Een eenvoudig bouwwerkje waarin drinkwater verzameld wordt en dat er honderdvijfentwintig jaar later nog steeds staat, te midden van de natuur, goddamnit, over een voltooid leven gesproken, dat is in feite net zo mooi als een roman of vijf schrijven, wellicht mooier. Ik liep over het veldje naast la fontaine, inspecteerde de resterende braamstruiken, bedacht dat we er de volgende keer met de ploeg doorheen moesten als we niet wilden dat alles binnen de kortste keren weer overwoekerd raakte, bewonderde eens te meer het vijf, zes meter hoge bamboebosje aan de andere zijde van het veldje, de appelbomen in volle bloei aan de rand van het pad, en beeldde me in hoe we hier een idyllische bezinningsplek van zouden maken, zo eentje waar je ’s avonds urenlang in het vuur kon staren of ’s ochtends je yogamatje neer kon leggen, en dan ademen op het ritme van ons kabbelende beekje, en plots begonnen hoog boven mij de bladeren van de bomen te fluisteren, onverstaanbaar maar geruststellend, en daar stond ik zo nog een tijdje naar te kijken en te luisteren, en daarna liep ik terug naar de boerderij, en we laadden de auto in en reden in stilte naar huis.

‘Ben je al aan het schrijven?’ vroeg Gilles toen we in het steegje voor Kapitein Zeppos heus niet stonden te roken.
‘Bijna,’ zei ik.
‘O, ben je het aan het uitstellen?’ riep hij verlekkerd. ‘Ben je het aan het opbouwen in je hoofd?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Zoiets.’
‘Heerlijk,’ zei Gilles. Hij zuchtte en keek me aan alsof hij aan seks dacht, en wellicht was dit ook zo.
Feit is: als ik op deze website weer wat blogjes begin te publiceren, dan weet je dat het bijna zo ver is. De motor draait warm, ik ga een aanloopje nemen, mezelf op gang trekken, en dan – net wanneer mijn blogjes een acceptabel niveau beginnen te halen – knijp ik er hier weer keihard tussenuit om mij aan the real deal te wijden, dan weten jullie dat vast, en het valt niet voorspellen hoeveel blogjes ik daarvoor nodig zal hebben.

Nooit het gevoel gehad dat ik een monster moest temmen, geen enkele keer vloekend door de ruimte gebeend.

Het is ondertussen alweer een paar jaar geleden dat ik nog werkelijk diep in een boek dook. In feite voelt het alsof ik sinds het voltooien van Alles is OKÉ niets meer heb geschreven. Ja, een handvol korte verhalen over de geweldige Louis Stevens, gevolgd een halfslachtige poging om daar een geheel van te maken, een poging die ik staakte door inzicht en omstandigheden, sure, en tijdens de eerste lockdown tikte ik een maffe novelle van een slordige dertigduizend woorden bij elkaar waar ik nog regelmatig met een dromerige glimlach op de lippen aan terugdenk, en uiteraard schreef ik zowat elke week een column voor de krant of de radio, tuurlijk, dat is allemaal waar, maar om dat nu schrijven te noemen – en o ja ik maakte die verhalenbundel voor De Standaard Boekhandel, leuk boekje was dat, maar schrijven? Echt schrijven schrijven? Nee, dat kwam er eigenlijk niet van, niet als in het totale verdwijnen in een proces waar je geen vat op hebt, nooit het gevoel gehad dat ik een monster moest temmen, geen enkele keer vloekend door de ruimte gebeend, geschreeuwd dat ik hier van mijn leven NOOIT meer aan begin, niet tot de uiterste wanhoop gedreven door iets wat ik niet begreep maar MOEST MOEST MOEST opschrijven – en dan niet om een welbepaalde reden of vanwege een of andere deadline maar gewoon, van mezelf. (Ik moet nu denken aan die keer, back in 2013, toen ik in Pittsburgh op een feestje belandde van een filosoof die eerder die dag zijn doctoraatsthesis met succes had verdedigd, en ik mij plots tussen alleen maar filosofen bevond, jonge kerels nog, die elkaar onafgebroken met stellingen en citaten om de oren sloegen terwijl de drank er flink doorheen werd gejaagd.

En ik riep wat ik altijd roep wanneer mij dat wordt gevraagd namelijk: ‘Because I have to!’

Ik noteerde titels van boeken over witchcraft, iemand ging eindeloos door over de Illuminati en daarna brulde een ander mij in het oor dat ik alles van George Bataille moest lezen en dan met name dat ene deel over de soevereiniteit van de artiest, en aan het eind van de avond, toen we in het appartement van de kersverse doctor waren beland, raakte ik in gesprek met een vreemd type, een hyperintelligente, kwetsbaar ogende dichter die in New York filosofie doceerde en de hele tijd dramatische vragen en stellingen door de kamer slingerde waarbij hij getormenteerd met zijn handen door zijn haren ging en hij vroeg mij ‘WHY do you write?’ en ik riep wat ik altijd roep wanneer mij dat wordt gevraagd namelijk: ‘Because I have to!’ Maar daar kwam ik bij deze jongen niet zo makkelijk mee weg.)

Maar nu dan, ja, zo stilletjes aan, lijkt zich dan toch het moment aan te dienen, daar ergens in de verte, het is nog klein maar het nadert snel genoeg om het met het blote oog te kunnen waarnemen, het is een kwestie van dagen, of nu ja misschien weken, ach laat het ons hooguit maanden noemen en dan begin ik er eindelijk aan, dan ga ik echt weer eens schrijven. Tot die tijd vallen er naast het bedenken van welke scène ik als eerste zal schrijven, en welke dáárna, en naast het dagdromen over een waanzinnige vertelvorm die de literatuur zonder twijfel op haar grondvesten zal doen daveren, en naast het glimlachend van de voorpret losjesweg wat door de verzamelde research scrollen, en het nalezen van een ideetje hier en het terugvinden van een vergeten inval daar, en naast het middernachtelijke twijfelen en piekeren over WAAROM ik in godsnaam precies dit boek moet gaan maken, naast al die dingen dus, vallen er genoeg andere dingen te doen. Zoals bedenken dat het 27 mei is en dat dit betekent dat ik vandaag exact twintig jaar geleden in de rij stond bij de vreemdelingenpolitie in Amsterdam Noord om mij in te schrijven als inwoner van Nederland.

Verdriet slijt en al daar soort dingen maar de lege plek die hij achterliet is in al die jaren helemaal niet kleiner geworden.

Die twintig jaar zijn helemaal niet voorbij zijn gevlogen maar hebben mijn leven wel stap voor stap, dag na dag, jaar na jaar, compleet veranderd op een manier die ik onmogelijk kon voorzien en dat betekent ook dat het in september twintig jaar geleden zal zijn dat mijn vader overleed, die nooit heeft geweten dat ik boeken zou gaan schrijven, op zijn beurt onmogelijk kon voorzien dat ik twintig jaar later met Gilles in een steegje in het hart van Amsterdam totaal niet zou staan roken (of oké, eerlijk is eerlijk, wellicht had hij juist dat wél voorzien, en gevreesd) maar wel nog dat ik naar Nederland verhuisde – het laatste dat we bespraken was het salaris dat ik bij mijn nieuwe Nederlandse werkgever verdiende en ik zal nooit de glimlach der opluchting vergeten die op zijn gelaat verscheen toen ik het bedrag noemde. Maar goddamnit. Twintig jaar. Verdriet slijt en al daar soort dingen, maar het gekke is: de lege plek die hij achterliet is in al die jaren helemaal niet kleiner geworden, heeft zichzelf totaal niet opgevuld, sterker nog, lijkt de laatste tijd alleen maar groter te worden, en het zou me niks verbazen als ook dat komt omdat ik bijna weer ga schrijven, daarginds aan de horizon die enorme, donkere stofwolk aan zie komen waarin ik vroeg of laat – laat ons zeggen: vanaf september – moet gaan verdwijnen, zonder te weten wat ik te weten ga komen of wat ik zal gaan begrijpen maar, gokje, het zal iets over mijn vader zijn, en iets over zijn vader, dus het moet al raar lopen als het uiteindelijk niet gewoon over mezelf zal gaan, ja, daar is hij weer hoor, altijd maar over mij, maar goed, geen nood, met wat geluk wordt het ook voor jullie als vanouds fun & entertainment.

Op een van de laatste dagen voordat de horeca sloot, ging ik uit eten met Gilles. Eigenlijk heb ik nu al te veel gezegd. Gelieve dat ‘uit eten’ figuurlijk op te vatten. We gingen uit eten, bij wijze van spreken. We zouden eten, als het ware. Wanneer men uit eten gaat met Gilles van der Loo dient men de grootste discretie in acht te nemen. Ik ben zevende reserve op de lijst van professionele mee-eters die hem mogen vergezellen wanneer hij een Amsterdams restaurant bezoekt dat hij voor het Parool gaat recenseren. Misschien. Misschien ben ik zevende reserve. Misschien ook niet. Ik moet discreet blijven, maar wat ik wel kan zeggen is dat ik hard heb moeten werken om op te klimmen tot zevende reserve en dat ik die positie hier niet zomaar te grabbel ga gooien door minder discreet te zijn dan Gilles zou willen.

Misschien vindt alles waarover ik nu schrijf enkel en alleen plaats in het diepst van mijn gedachten.

Dus mogelijk ging ik uit eten met Gilles, voor de krant. Dat was het plan. Wellicht. En zoals gebruikelijk mocht ik niet weten waar we uit eten zouden gaan. Dat laat Gilles slechts enkele uren van tevoren weten, via een gecodeerd bericht dat zichzelf na dertig seconden vernietigt. En wanneer ik het dan weet – áls ik het dus weet – mag ik tot publicatie van de recensie in het Parool aan niemand vertellen waar we aten. En al helemaal niet hoe het eten was. Laat staan dat ik iets kwijt kan over het interieur, de straat of wijk waar het restaurant (of bistro of eettentje of snackbar) gevestigd is. En nog minder over wat voor weer het was die dag en welke tram ik nam om ernaartoe te gaan – terwijl er in mijn wijk maar één tramlijn rijdt, dus ik kan niet eens vertellen waar ik woon of van waar ik vertrok om naar dat etentje te gaan, ik kan niets zeggen over de wijze waarop de herfstbladeren rond dwarrelden toen ik de laatste meters naar de plek van afspraak te voet aflegde, niets over wat ik eerder die dag heb gedaan of waar ik ben geweest want dat zou de aandachtige lezer op een spoor kunnen zetten, een verkeerd spoor wellicht maar een spoor, en alle mogelijke sporen moeten vermeden worden. Sterker nog, ondanks het feit dat Gilles mij hier nog nooit om heeft verzocht – hetgeen mij verwondert – heb ik de gewoonte ontwikkeld om bij zulke gelegenheden de locatievoorzieningen op mijn telefoon uit te schakelen, en mijn social media apps tijdelijk te verwijderen.

Zit ik nu weeral thuis op een doordeweekse dinsdagavond?

U zal zeggen: dat gaat ver. Ja, dat gaat ver. Ik doe, denk ik, weinig dingen discreter dan uit eten gaan met Gilles van der Loo. Soms, wanneer ik na zo’n avondje thuiskom en de zaken rustig overdenk bij een laatste glas wijn in de woonkamer, word ik overvallen door de mogelijkheid dat het hele ‘etentje’ helemaal niet heeft plaats gevonden. Misschien vindt alles waarover ik nu schrijf – dat zogenaamde ‘uit eten gaan’ met Gilles van der Loo – enkel en alleen plaats in het diepst van mijn gedachten, zoals de meeste dingen in mijn leven. Alleszins. Kort nadat ik de coördinaten voor die avond had ontvangen, belde het beoogde restaurant af. Coronagevalletje onder het personeel. Kan gebeuren En aldus zaten wij alras gewoon bij Scheepskameel op het Marineterrein, dat kan ik hier vertellen zonder dat dit ook maar de minste gevolgen zal hebben voor mijn positie op de lijst van professionele mee-eters die al dan niet af en toe Gilles van der Loo mogen vergezellen. We begonnen met een glas champagne en Gilles zei: ‘Luister Ivo, nu even niet over jou.’

Geen wonder dat ik me verder vrijwel niets van deze avond kan herinneren. Anyways, waarom denk ik hier nu aan, terwijl ik in mijn schrijfkantoor zit, en uitkijk op het plantsoen waar de bomen machtig mooi geel kleuren, en waarlangs de mensen in vrede met hun mondkapje op de kin voorbijfietsen? Geen idee. Misschien omdat ik zaterdag eindelijk weer eens zal eten met Gilles, en met Rob, of drinken, of allebei, dat weet ik eigenlijk niet maar alles wel conform de regels uiteraard en in privé-kring – of misschien omdat ik me verveel terwijl ik toch meer dan genoeg te doen heb, maar toch is het zo: ik verveel me wezenloos deze dagen, lees een boek terwijl de meisjes een film kijken en denk: zit ik nu weeral gewoon thuis op een doordeweekse dinsdagavond?

Vorige week keek ik de hele week voetbal, elke avond, sfeerloze potjes met neppubliek die me nauwelijks deden opveren, een enkele keer misschien, bij die goal van Götze, en ook bij die gemiste kans van Promes omdat ik een paar weken daarvoor, toen we nog mochten voetballen, ook zo’n kans gekregen had, precies zo’n situatie, een bal van de zijkant, ik alleen voor de keeper en ook ik trapte hem met mijn slechte voet precies naar waar die keeper lag. Alleen ging mijn bal er wél in, misschien omdat ik wél met vertrouwen speelde en daardoor geluk had, misschien omdat ik genoot van de regen die de hele avond ongenadig hard op ons viel, we waren doorweekt zodra we het veld op liepen, een goddeloze avond in Amsterdam-Noord, oude mannen in versleten tenues, en dan die regen die viel in het kunstlicht, genieten was het, van de zuurstof in de lucht en het zweet en het water die zich met elkaar vermengden in onze shirts, en de flauwekul tussen de potjes door en soms ook wel tijdens de potjes, oude jongetjes met oude praatjes, bewegingen nabootsend die ooit vanzelfsprekend waren, gedachteloos en vloeiend, en die nu na de wedstrijd met kapotte enkels en knieën tevreden weer naar huis fietsten. Rob is er ook altijd bij, Rob scoorde ook, in hetzelfde potje als ik, doelpunten van Waumans en Victoria en toch verloren we – je verzint het niet.

Schrijvers die nu met een dystopische roman komen aanzetten hebben er niks van begrepen.

Dat is wellicht ook het hele probleem met deze dagen: er valt niks meer te verzinnen. Mensen zeggen tegen me: jij zal zeker nogal veel inspiratie hebben om te schrijven ‘in deze tijden’? Maar de werkelijkheid slaat mij elke vondst uit handen nog voor hij mij te binnen kan schieten. Er valt helemaal niks te schrijven, fantasie is in een noodtempo irrelevant geworden, schrijvers die nu met een dystopische roman komen aanzetten hebben er niks van begrepen, dit is geen tijd om vooruit te kijken, dit is een tijd om weemoedig en melancholisch uit je raam staren, naar die bomen die machtig mooi geel kleuren, een tijd om je te vervelen terwijl je in het diepst van je gedachten ‘uit eten gaat’ met Gilles van der Loo, of in de gietende regen een slimme loopactie maakt waardoor je vrij voor de keeper komt, dan de bal van de zijkant, voor je slechte voet, er is geen tijd dus het moet in één keer, je raakt de bal compleet verkeerd, de verraste keeper grabbelt vergeefs, je scoort. En wanneer je jezelf omdraait en terug naar de eigen helft loopt, zie je Rob staan die met een brede grijns zijn duim opsteekt, naar ik vermoed omdat ook hij weet dat er een wereld bestaat waarin dit allemaal nooit voorbij zal gaan – dat soort gasten zijn wij namelijk, en dat soort gasten zullen wij altijd zijn.

De dag begon met een stevige track, voorzien van een krukdroge beat en een hypnotiserende parlando vrouwenstem. Het soort nummer waar je spontaan van gaat headbangen, maar dan cool, met korte knikjes en getuite lippen terwijl je met lichtjes toegeknepen ogen de dansvloer afspeurt en ternauwernood je heupen beweegt. Niet iedereen kan het, dus misschien moet je het niet proberen.

Ik heb meer dan eens een affaire met een receptioniste gehad door toedoen van zulke praatjes

Alleszins, ik kende dat nummer niet, kreeg het onverhoeds geserveerd door het almachtige algoritme toen ik ging rennen, en de eerste kilometer liep ik in 4 minuten en 47 seconden. Opmerkelijk. Ik ren elke week twee keer een half uur en de laatste tijd kom ik nauwelijks nog onder de 5 minuten per kilometer uit terwijl ik enkele maanden geleden nog vlotjes een seconde of twintig tot dertig sneller was. Tot ik een keer ging checken wanneer die paar maanden geleden ook alweer waren en het een paar jaar bleken te zijn. Kortom, ik wist: ik was te snel gestart, door die track, en als ik dat vol zou houden zou ik mezelf kapot rennen en dat kan lekker zijn maar niet nu, nu wilde ik mezelf niet kapot rennen want ik moest nog werken. Deze week was een werkweek. Elke dag reed ik met de auto naar een heus Business Center en daar klopte ik mijn uren, tegen een vastgesteld uurtarief, en ik moet zeggen dat het me beviel. Ik groet de receptionist, ik ga naar de werkruimte, begin aan mijn werk, ik neem een pauze, ik eet een boterham, werk verder, ik beëindig het werk op het afgesproken uur en daarna ga ik naar huis maar niet voordat ik wederom de receptionist gegroet heb, een vriendelijke kerel die zijn praatjes precies de juiste betekenisloze oppervlakkigheid weet mee te geven, hetgeen minder vanzelfsprekend is dan het lijkt, zulke praatjes kunnen uit de hand lopen weet ik uit ervaring, ik heb in het verleden meer dan eens een kortstondige affaire met een receptioniste gehad door toedoen van zulke praatjes en ik kan je verzekeren: daar komt alleen maar gedoe van.

Rustige, eenvoudige dagen. Koele herfstlucht waarin het heerlijk roken is. Mensen vragen me of ik wel genoeg werk heb ‘in deze tijden’ maar ik heb genoeg werk, meer dan genoeg werk en nog hou ik tijd over. Hoe komt dat? Waarom heb ik zoveel tijd over terwijl ik werk genoeg heb? Hoe is het mogelijk dat ik voldoende geld verdien en toch af en toe een beetje zielloos en verdrietig door mijn werkkamer dwaal, mezelf afvragend wat te doen?

Uren per dag scheelt het, zo’n geen roman om aan te schrijven

Het duurde een paar maanden voor ik het door had: ik schrijf geen roman. Voor het eerst sinds februari 2008 schrijf ik geen roman, is er geen roman die door mijn hoofd spookt, geen roman die mijn gedachten doet afdwalen, geen roman waarvoor ik boeken lees, geen roman die me urenlang wakker houdt, in bed, in de wetenschap dat ik alle geniale invallen die ik op dat moment heb tegen het ochtendgloren vergeten zal zijn, geen roman die me vloekend en gefrustreerd door de kamer jaagt omdat ik aan die roman wil werken maar te veel ander werk heb, geen roman die me het gevoel geeft dat alles en iedereen de hele tijd alleen maar in de weg zit, in de weg loopt, en met opzet ook nog, enkel en alleen om mij te pesten en te verhinderen om aan die roman te werken, klootzakken, ga uit de weg, weg weg weg, ik heb een roman te schrijven, kan je dat niet zien. Dat is er nu dus allemaal niet. Maar wel schrijf ik nu weer even hier, misschien doe ik het om weer op gang te komen, omdat alles hier begonnen is, misschien ga ik het wel vaker doen dan alleen vandaag want er is tijd. Uren per dag scheelt het, zo’n geen roman om aan te schrijven, ik had het me nooit eerder ten volle gerealiseerd, meestal wanneer ik door mijn eigen boeken blader, denk ik: waar was ik toen dit geschreven werd? Maar nu weet ik dus vaak niet zo goed wat ik met die uren moet doen. Luxeproblemen hebben in tijden van ontwrichtende pandemieën, laat dat maar aan mij over.

Nu weet ik: het is die pretentie van wandelaars die me irriteert, het verhevene dat ze denken te vertegenwoordigen

Heb ik verder nog iets gelezen? Goed dat je het vraagt. Ik lees veel. Confrontaties van Simone Antangana Bekono (heel goed), verhalen van Colin Barrett (heel goed), Gerda Blees (meestal goed), en Emma Cline (van tja tot geweldig). Ik kocht het verzameld werk van dichter Paul Snoek (fantastisch) en heb één keer tot diep in de nacht tot tranen toe geroerd zitten lezen in Het stad in mij, de superdeluxe editie van de dichtbundel van Maud Vanhauwaert maar daar was ook wijn bij in het spel, we moeten daar eerlijk in zijn. Ik las De laatste zomer in de stad van Gianfranco Calligarich (heel mooi), ik (her)las wat essays van Patricia de Martelaere (super) en Joan Didion (vloeken in de kerk maar die pas verschenen bloemlezing essays deed me minder dan ik had gehoopt). Ik las wat David Henry Thoreau te vertellen had over wandelen (en nu haat ik wandelen nog meer, nu weet ik: het is die pretentie van wandelaars die me irriteert, het verhevene dat ze denken te vertegenwoordigen, hoe ze elkaar groeten, alsof ze adelijke buschauffeurs zijn) en nu lees ik Dagen zonder eind, een geweldige western roman van Sebastian Barry, een boek dat Gilles me gaf en ik anders nooit gelezen zou hebben en wanneer ik die uit heb zal ik eindelijk aan Schaduwkind beginnen van P.F. Thomése, een boek dat ik al jaren bezit maar waarvoor ik altijd te bang ben geweest om het te gaan lezen, maar nu ga ik het doen, nu ga ik het echt doen en dat is niet voor een roman waarover ik zo zoetjesaan begin na te denken, nee heus niet, wees niet bang, romans daar doen we even niet meer aan maar toch verschijnt er in april een nieuw boek – daarover later meer.

Afijn, dat alles terwijl ik kilometer na kilometer het tempo verlaagde, ik schrijf het maar op alsof het mijn bedoeling was, maar in werkelijkheid ging ik natuurlijk kapot, door die vliegende start, en nadat ik een half uur had gerend, kwam ik tot stilstand bij de speeltuin, ach, het speeltuintje waar ik nooit meer kom, nooit meer een kind van het klimrek moet tillen, nooit meer veelbetekenende blikken uitwissel met de andere ouders, nooit meer een brutaal joch per ongeluk een bal in zijn gezicht trap, en ik hijgde uit, dronk van het fonteintje, en zocht die eerste track op. Het was het nummer No van Billy Nomates. Een dame die eruit ziet alsof ze uitstekend cool kan dansen met getuite lippen, een geweldige track is het, die klinkt alsof hij in 1981 gemaakt is. Goddomme, 1981, toen was ik tien en ik had geen dromen, alleen maar Playmobil.

Vlak voor ik naar bed ging had ik nog even naar Femke Halsema bij Op1 gekeken en daarna had ik héél eventjes Twitter open geklikt. Kortom, ik kon de slaap niet vatten. Er woelde iets in mij, iets dat het midden hield tussen woede, verdriet en moedeloosheid. Dat heb ik altijd wanneer er iets gebeurt in de publieke arena wat zich heel eenvoudig laat misbruiken door vrijwel iedereen, omdat je bij voorbaat al weet hoe het schijndebat zich zal ontwikkelen en dat wanneer de rook is opgetrokken, er niets veranderd zal zijn – behalve dan dat de loopgraven nog wat dieper uitgegraven zullen zijn.

Wat is dat, iets ‘politiek’ niet kunnen uitleggen?

Waar ik het langst op bleef kauwen waren evenwel niet alle voorspelbare opportunistische reacties van politieke tegenstanders van Femke Halsema en ook niet de emo-uitingen van alle mensen die – na eerder bondscoach-in-bijberoep te zijn geweest, en zich recentelijk te hebben omgeschoold tot amateur-viroloog – nu plots over bovengemiddelde kennis van crowd control bleken te beschikken. Maar wel op een tweet van Bas Heijne die bij een foto van de demonstratie op de Dam schreef: ‘Dit valt politiek niet uit te leggen.’ Ondertussen heeft hij die tweet verwijderd. Heel goed van hem want wat een non-opmerking is dat toch, je leest ‘m vaker. Wat is dat, iets ‘politiek’ niet kunnen uitleggen? Het suggereert dat er een andere manier is waarop het wél uit te leggen valt, alleen politiek niet. Op welke andere manier dan wel? De menselijke manier misschien? De manier die rekening houdt met het feit dat daar duizenden woedende en moe getergde mensen stonden die gebruik maakten van hun grondwettelijk recht en dat dit grondwettelijk recht niet kan worden aangetast door een virus en ook niet door de pijn en de woede van duizenden andere mensen, hoe terecht dié pijn en dié woede óók is. Maar op welke manier is die menselijke benadering dan niet ‘politiek’? Hoe kan een genuanceerde benadering van de werkelijkheid niet politiek zijn? Het is juist wat politiek moét doen: de complexiteit van de werkelijkheid vormgeven in een beleid dat met iedereen rekening houdt. Ik snak naar politiek die de tragedie die de werkelijkheid maar al te vaak is, erkent.

Allemaal jonge mensen met mondkapjes in de open lucht, precies wat Jort graag wilde, behalve dan dat deze mensen niets consumeerden.

En een tragedie is wat er ontstaat wanneer twee of meer zaken die an sich legitiem zijn tegelijkertijd onverzoenbaar met elkaar blijken. Wie in deze kwestie diepgeworteld racisme gaat vergelijken met zij die met gevaar voor eigen leven in de zorg hebben gewerkt de voorbije maanden, of zij die naasten hebben verloren, of zij die hun onderneming moesten sluiten, of zij die hun oma niet mochten bezoeken, slaat de plank volledig mis. Het is niet óf Corona bestrijden óf racisme bestrijden. Beide dienen te gebeuren. Gisteren bleken ze onverzoenbaar met elkaar. Dat maakt beide kwesties niet minder urgent of legitiem. Ze bestaan allebei, je kan tegen slachtoffers van racisme niet zeggen ‘nu even niet’, net zomin als je dat tegen slachtoffers van Corona kan zeggen. Dat is lastig, ingewikkeld, pijnlijk en maakt mensen kwaad. Begrijpelijk. Maar niemand heeft gelijk.

Van ‘gewone mensen’ kan ik nog wel accepteren dat hun reacties emotioneel zijn, dat hun particuliere situatie hen het zicht ontneemt op het totale plaatje. Maar al die schaamteloze oneliners van politici en opiniemakers die nu munt proberen te slaan uit de situatie. Holy shit zeg, wat een armoede, wat een voorspelbaarheid. Daar werd ik dus zo woedend, zo verdrietig en zo moedeloos van dat ik de slaap niet kon vatten, en nog een uurtje of wat lag te luisteren naar de ademhaling van mijn vrouw totdat ik zelf ook enigszins tot rust was gekomen, zij het in de wetenschap dat dit dus nooit meer zal veranderen, dat we nu in een wereld leven waarin iedereen altijd maar gelijk wil hebben, en het liefst op zo simplistisch mogelijke wijze. (Ik ben overigens, wel benieuwd naar de mening van Jort Kelder in deze – u weet wel, de man die vindt dat we uw mollige oma gewoon dood mogen laten gaan ter meerdere eer en glorie van de economie en de hele Corona-crisis bagatelliseerde als een massapsychose. Hij zal wel erg voor deze demonstratie geweest zijn, allemaal jonge mensen met mondkapjes in de open lucht, precies wat Jort graag wilde, behalve dan dat deze mensen niets consumeerden. Dat was jammer, maar dat komt vast nog wel.)

Elke politicus of opiniemaker die deze complexe werkelijkheid miskent is ofwel geniaal ofwel een complete idioot.

Afijn. Dit alles betekent verder natuurlijk niet dat de social media-analisten van de Gemeente Amsterdam niet allemaal op bijscholingscursus moeten; zij waren blijkbaar de enigen die niet door hadden dat er veel mensen naar de Dam zouden trekken. En dit alles betekent verder ook niet dat er gisteren niet mogelijk een superspreader event plaats vond. Maar hoe ontwrichtend Corona ook is, er zullen ook gewoon andere dingen blijven gebeuren, niet iedereen lijkt dat door te hebben, je kan de werkelijkheid niet uit zetten omdat je toevallig even een virus te bestrijden hebt. Er zal racisme zijn, er zal homofobie zijn, er zal een economische crisis zijn, er zal aanhoudende droogte zijn, er zal moord en doodslag zijn, en ook leuke dingen, en er zullen ook nog tal van andere zaken gebeuren die nu niet te voorzien zijn. Allemaal tijdens Corona. Elke politicus of opiniemaker die deze complexe werkelijkheid weet terug te brengen tot een oneliner of een column van 400 woorden is ofwel geniaal ofwel een complete idioot.

Een conclusie die me weinig voldoening gaf, toegegeven, maar die ik wel even op moest schrijven, eerst in gedachten, en toen hier, en die verder gelukkig afwezig bleef in de diepe, droomloze slaap waarin ik uiteindelijk alsnog enige uurtjes mocht vertoeven.

Pin It on Pinterest