web analytics

De laatste keer dat ik Wilco zag spelen was ook in Paradiso, een jaar of tien geleden. Ik stond met Irene op het eerste balkon, aan de zijkant ter hoogte van het podium, waardoor we bovenop de band zaten – die geen moment opkeek, volledig in zichzelf gekeerd – en het geluid rechtstreeks van het podium op ons insloeg, als een drie uur durende granaatexplosie.

Het scheelde het geen haar of de tranen liepen over mijn wangen.

Wilco was woedend die avond. Irene en ik zeiden het hele concert lang niets tegen elkaar, zoals het hoort in feite, omdat we verpletterd werden door de intensiteit van dat concert. Zelfs toen we later terug buiten stonden, op de Weteringschans, wisten we nauwelijks een woord uit te brengen.
Ook nu stond ik op het eerste balkon maar recht voor het podium. Deze keer was ik alleen en vanaf het moment dat de eerste tonen van Ashes of American Flags weerklonken, voelde ik mijn lichaam langzaam uitademen. Toen ze niet veel later I Am Trying To Break Your Heart speelden, scheelde het geen haar of de tranen liepen over mijn wangen. Dat dit niet gebeurde kwam omdat Wilco gisteravond helemaal niet woedend was, of verdrietig, maar warm en troostrijk speelde, ongelofelijk relaxed, haast vrolijk ja, alsof de hele band net iemand nieuw had leren kennen die ze heel leuk vonden en nu in hun nopjes het pad hunner oeuvre af struinde, hier en daar halt houdend om een bloemetje uit de berm te plukken. Goed. Misschien zegt dit allemaal meer over mij.

Dit neemt niet weg dat ik vandaag reeds bij het ochtendgloren naar de Albert Heijn fietste en daar alles kocht behalve wat ik nodig had: hooikoortpilletjes, paracetamol, geld voor de poetshulp. Op normale maandagen meer dan voldoende om ervoor te zorgen dat ik bloedchagrijnig naar kantoor zou fietsen maar tot mijn eigen verbazing doorkruiste ik gezwind de Indische buurt, keek bij het kruispunt met de Insulindeweg mild glimlachend toe hoe een oud vrouwtje ei zo na werd geschept door een idioot in een Hummer, en niet veel later arriveerde ik bruisend van energie ten kantore, gooide het raam en de gordijnen open, zette You and I op en stelde vast dat de parkeerplaatsen aan het plantsoen leeg waren: wellicht zijn de mensen die deze week worden begraven nog aan het sterven.

Het zal wel weer not done zijn om jezelf een visionair auteur te noemen.

Nu zit ik klaar om verder te werken aan het filmscenario van Billie & Seb, een proces dat al enige tijd gaande is, en dat nog geruime tijd gaande gaat blijven, zo durf ik te vermoeden – zeker als die dekselse actualiteit zich blijft ontwikkelen zoals ze recentelijk doet. Het is nu drie jaar geleden dat ik voor De Standaard een essay schreef met de titel ‘Voor wie zou ú nog vechten?’ en het is twee jaar geleden dat Billie & Seb verscheen – een roman over een jongen die in een afgelegen dorpje met zijn vrienden met airsoft guns speelt terwijl ze ieder op hun eigen manier radicaliseren – en het is een goed half jaar geleden dat Dries Van Langenhove en zijn kameraden met airsoft guns poseerden, en nog maar een paar weken geleden dat massaal op hun gedachtengoed gestemd werd en dan nog het massaalst van al in afgelegen dorpjes. Het zal wel weer not done zijn om jezelf een visionair auteur te noemen maar het begint er godverdomme wel aardig op te lijken. De vraag die ik mij nu moet stellen als scenarist is de vraag die ongeveer iedereen in mijn stilaan toch vrij beklagenswaardige vaderland zich stelt: hoe nu verder? Daaruit vloeit automatisch een andere vraag voort: wat is waar? Iemand wees me deze week op de ultieme definitie van country music: ‘Three chords and the thruth’. Dat deed me denken aan de workshop die ik een paar jaar geleden volgde bij scenario-goeroe Robert McKee. Die hamerde de hele tijd op de verantwoordelijkheid van de schrijver om de waarheid te vertellen.

De verhalenteller die de waarheid niet vertelt, bedriegt zijn publiek.

Niet de werkelijkheid, maar de waarheid: alles wat de personages beslissen en doen moet waar zijn, het moet kloppen met wie ze zijn, waar ze vandaan komen, het mag onbegrijpelijk zijn maar moet onvermijdelijk zijn, verrassend en volstrekt logisch, zoals elke grote waarheid en – zo zei McKee streng – de verhalenteller die de waarheid niet vertelt, bedriegt zijn publiek en is het vak van verhalenverteller niet waard. Het is, geloof ik, niet heel erg moeilijk om mensen te vinden die dit beweren over het leven. Ik denk steeds vaker dat deze mensen gelijk hebben.

Dus dat is de vraag die ik me deze dagen stel wanneer ik bijna in tranen uitbarst wanneer Wilco zingt All my lies are only wishes / I know I would die if I could come back new en daarna vergeet te kopen wat ik nodig heb, gezwind door de stad fiets, bij het zicht van een verlaten parkeerplaats aan de mensen denk die nu liggen te sterven, en dus ook terwijl ik aan dat filmscenario werk: wat denkt deze jongen werkelijk? Hoe kan ik het onderscheid maken tussen wat hij werkelijk denkt en wat hij denkt te voelen? En als ik dat eenmaal weet: wat kan deze jongen dan doen wat werkelijk waar is?

Afgelopen vrijdag ging ik uit eten bij Toscanini op de Lindenbracht, met Gilles en Rob. Weinig mensen weten dit maar Gilles van der Loo is in Toscanini geboren en heeft er, toen hij nog jong en beloftevol was, alles gedaan wat God en klein Piereke hebben verboden. Je raadt het al: we werden als helden onthaald. Dienovereenkomstig posteerden we ons met een biertje op de stoep en bespraken wie in onze omgeving allemaal kanker heeft.

Daarnaast ontbijt ik steeds vaker met groenten.

Daar waren we even zoet mee. De slotconclusie werd – zoals dat gaat – door Rob Waumans geleverd die zei: Af en toe een biertje en een peuk erbij, de rest is gezeik. Dat was het sein voor Gilles om te vertellen dat hij, nu de verbouwing van zijn huis voltooiing naderde, weer begonnen was met schrijven maar dat het voor geen meter liep. Ik zei dat schrijven een duursport was.
Net als wielrennen, zei Gilles.
Inderdaad, zei ik. Je moet het elke dag doen. En het duurt net zolang om weer op je oude niveau te komen als de tijd dat je gestopt was.
Nee, dat laatste zei ik niet want ik wilde de sfeer erin houden maar het is wel gewoon waar. Hang in there, Gilles.

Omdat we helden waren, kregen we overheerlijke gang na overheerlijke gang geserveerd zonder dat we iets besteld hadden. Op een bepaald moment werd Gilles tot tranen toe geroerd door drie ravioli. Alleen de kalfswangetjes op het eind waren er te veel aan maar ik durfde ze niet te laten liggen omdat 1. ze onwaarschijnlijk mals waren en 2. Rob aan het begin van de avond al was weggehoond toen hij zei liever geen vlees te willen eten. Zelf eet ik al een jaartje of wat niet vaker dan een of twee keer per week vlees en het is bijzonder om vast te stellen hoe mijn lichaam hierop reageert, namelijk: heel erg blij. Daarnaast ontbijt ik steeds vaker met groenten. Groenten, ja. En ik kan u vertellen: dit is een knoert van een tip.

Welke vitrine? vroeg mijn moeder.

We sloten af in de Pels waar men raar opkeek van en zoniet een tikje vijandig reageerde op onze komst. Iemand weigerde mij zelfs een sigaret uit te lenen – dat was niet meer gebeurd sinds 1982. Toen was ik elf dus voor dat akkefietje had ik indertijd wel enig begrip gehad. Afijn. Ik dronk nog een biertje dat bijzonder slecht bleek te accorderen met de kalfswangetjes, en even later fietste ik voorovergebogen van de pijn naar huis.

De volgende middag stapte ik met de meisjes in de auto en reed naar Antwerpen voor de verjaardag van mijn moeder terwijl ik nadacht over de email die ik ’s ochtends had ontvangen en waarop ik een antwoord diende te formuleren, een antwoord waarop ik wellicht te hard mijn best zou gaan doen in een poging slim en geestig te zijn. De meisjes zaten op de achterbank filmpjes te kijken op de iPad en ter hoogte van Oosterhout zette ik Studio Brussel op. In het restaurant aangekomen bleek mijn moeder in grote vorm; ze voelde zich zichtbaar jarig en geliefd en ik vroeg hoe het ging met haar vriendinnen in het bejaardentehuis.
Welke vitrine? vroeg mijn moeder.
Dat was straf, want er is in Alles is OKÉ inderdaad een belangrijke rol weggelegd voor een vitrine, ik moet daar eerlijk in zijn.
Vriendinnen, zei ik.
Ja, zei mijn zus. M. bijvoorbeeld.
Nog een bijzonder toeval want ik ben vrijdag beginnen lezen in Kamers Antikamers van Niña Weijers waarin ook een M. een rol vertolkt maar dan een M. die ik wél ken – verder een erg goed boek trouwens al vind ik het vreemd dat vooralsnog niemand de wijze waarop de ik-verteller andere personages verhalen laat vertellen bij de naam noemt, dus zal ik het maar doen: Rachel Cusk. Ik hou wel van die techniek, al heb ik het nog nooit iemand zo soepel en elegant zien doen als F. Scott Fitzgerald in The Great Gasby wanneer hij plots, out of the blue maar geheel vanzelfsprekend, Jordan Baker het woord geeft. Afijn.
Wie is M.? vroeg ik
Dat is die mevrouw die altijd een fles witte wijn in een koelzak aan haar rollator heeft hangen, zei mijn zus.
Mijn moeder begon te giechelen.

Waarna ik die email schreef en daarin precies zo slim en geestig bleek te zijn als gevreesd mocht worden.

Ik bedacht dat het jammer was dat ik nu pas over M. hoorde maar wie weet komt er nog een sequel van Alles is OKÉ en dan kan ik haar daarin alsnog opvoeren en pagina’s lang laten uitweiden over iets wat verder niks met het verhaal te maken heeft en zo verwarring zaaien in het hoofd van de literatuurwetenschapper (m/v) die binnen honderd jaar het waanzinnige idee zal hebben een vergelijkende studie te maken van het vroege werk van Weijers en Victoria en de rol van die M. daarin.

Goed, dit alles gezegd zijnde at ik voor de tweede keer deze week een stuk vlees, dit keer filet pur, van bijzonder matige kwaliteit helaas en precies zo duur geprijsd als enkel zichzelf overschattende brasserieën in de rand van de stad durven te doen, en daarna reden we weer terug naar huis, opnieuw met buikpijn, opnieuw peinzend over die email, terugschakelend naar de Nederlandse Radio 1 ter hoogte van Oosterhout en bij thuiskomst ontwaakten de meisjes, gingen we naar bed, sliepen, werden wakker, ontbeten met groenten, waarna ik die email schreef en daarin precies zo slim en geestig bleek te zijn als gevreesd mocht worden, waarna ik alsnog gewoon op send drukte want leren, nee, dat ga ik het nooit.

 

Vanochtend verzond ik een email naar iemand van wie ik niet zeker wist of ze wist wie ik was dus ik schreef: hier is mijn website, daar lees je meer over mij. Maar toen ik zelf op die website ging kijken, stond er een blogpost uit november 2018 op de homepage en ik dacht: o ja natuurlijk, ik heb in de voorbije maanden een boek afgerond, deze website is gewoon vergeten dat ik nog bestond – of omgekeerd.

Ze is niet in Brussel. Niemand weet waar ze is.

Dus even in het kort: aan het eind van 2018 verhuisde ik naar een bejaardentehuis. Tweehonderd kilometer verderop deed mijn moeder hetzelfde. Ik las dat de gemiddelde tijd die een bewoner in een bejaardentehuis doorbrengt negen maanden is. Zelf heb ik een huurcontract voor drie jaar getekend. De statistieken, evenwel, liegen nooit en volgens die statistieken is het dus vrij zeker dat er op de plek waar ik sedert enkele maanden werk, en nu eindelijk weer een stukje voor dit blog tik, tientallen mensen zijn dood gegaan. Mijn bureau heb ik voor het raam gezet. Daardoor werk ik met mijn rug naar de deur. Een vriend legde mij op vrij overtuigende wijze uit dat je dat nooit mag doen. Ik zei dat ik mijn laatste twee romans met de rug naar de deur had geschreven en mijn eerste twee met de deur aan mijn linkerhand.
Wat is het verschil tussen je eerste twee en je laatste twee romans, vroeg hij.
Ik zei: de eerste twee heeft mijn moeder nog gelezen.
Daarstraks belde ik haar op, in haar bejaardentehuis. Ik vroeg het ging. Ze zei: Prima zoet, maar waar ben ik nu eigenlijk? In Brussel?
Ze is niet in Brussel. Niemand weet waar ze is.

In mijn niet-meer-zo-nieuwe werkkamer kijk ik uit op parkeerplaatsen en een plantsoen. Rechts van het plantsoen is een kerk. Een eindje de linkerkant op is de hoofdentree van de Nieuwe Ooster begraafplaats. Het resultaat van dit alles: iedereen die voor mijn raam parkeert is in principe verdrietig. Gisteren stapten er veel oude mensen uit de auto’s. Dat vind ik altijd geruststellend. Vorige vrijdag waren het voornamelijk twintigers geweest. Jonge mensen, onhandig met verdriet; bumpers schurend tegen de stoeprand. Oude mensen dragen hun smart rustig en elegant, als een bontmantel die zich met de jaren aan de vorm van hun krimpende lijven heeft aangepast. De begrafenissen die plaats vinden in de kerk bij het plantsoen gaan veelal gepaard met een fanfare en soms ook met een paard en kar die de kist langs het plantsoen naar de Nieuwe Ooster voert, achterna gezeten door die fanfare. Vaak wordt er uitbundig bij gezongen, iedereen in het wit.

Ik weet niet welke van de twee opties ik prefereer, maar alleszins een van de twee.

Bij de Nieuwe Ooster zit ook een uitvaartmuseum, dat heet Tot Zover. Iemand vertelde me dat een kennis van hem die Alzheimer heeft er een afscheidsdienst had gehouden toen hij nog net voldoende in de wereld was, maar dus vóór zijn dood. Inclusief speeches, herinneringen, tranen, en bloemen noch kransen. Op Twitter beweerde Barry Smit (lees zijn nieuwe boek – het is mooi) een BN’er te kennen die eerst het overlijdensbericht uit liet sturen zodat hij de necrologieën in de krant nog kon lezen, en daarna pas de euthanasie liet uitvoeren. Ik weet niet welke van de twee opties ik prefereer, maar alleszins een van de twee.
In de komende tijd zijn er drie dingen die ik zeker ga doen: ik ga drie gedichten schrijven, ik ga vijf weken door Amerika reizen, en daarna ga ik mijn vijfde roman publiceren. Dat laatste zal gebeuren in september. Dat is inderdaad precies negen maanden na de simultane verhuizing van mijn moeder en ik naar onze respectievelijke bejaardentehuizen. De roman gaat dan ook over mijn moeder, en ook over iemand die mijn moeder had kunnen zijn. Ik heb hem geschreven met de rug naar de deur.

Het manuscript van Boek 5 is vandaag exact twee weken in bezit van de editor-in-chief en zo dadelijk zal hij mij bellen om een afspraak te maken tijdens dewelke wij dit manuscript zullen bespreken.

En ik neem me voor om in de rest van mijn leven en carrière alles maar dan ook ALLES anders te doen.

Dat weet hij zelf nog niet uiteraard, dat hij me gaat bellen, maar dat gaat wel gebeuren, dat is nu eenmaal de macht van de schrijver: zodra het op papier staat, is het gebeurd of staat het te gebeuren en daar valt helemaal niets aan te doen. Dat klinkt  misschien alsof ik erg in mijn nopjes ben met deze machtspositie maar net als talrijke collega’s heb ik er wel vaker gebruik van gemaakt, meestal zonder dat we het wisten weliswaar maar toch, en wat ik daarvan heb geleerd is: als datgene wat te gebeuren staat dan eenmaal ook gebeurd is zoals het al aan het papier werd toevertrouwd, nou, dan kan je dus alsnog flink in de aap gelogeerd blijken te zijn als schrijver, neem dat maar van me aan.

Afijn. Na het inleveren van een manuscript kunnen er twee dingen gebeuren. Of ik val ten prooi aan lethargie, apathie, leegte en verveling, voer dagenlang niets uit en vind alles stom. In dat geval is het boek af. Of ik word hyperactief, ga mijn kantoor opruimen, plan mijn agenda vol met zaken die erg belangrijk lijken en neem me voor om in de rest van mijn leven en carrière alles maar dan ook ALLES anders te doen. Dit laatste lijkt het geval. Kortom. Er is nog verduiveld veel werk aan dat boek. Neemt niet weg dat ik vanochtend al om half negen op de pont stond terwijl ik de avond ervoor het kantoor verlaten had om half tien. Ja, dat zijn nog eens werktijden. Immers in mijn voornemen ALLES anders te doen en nieuwe wegen in te slaan en het leven te leven to the max, heb ik mezelf nu één avond in de week toegewezen waarop ik niet naar huis ga maar zodra de laatste kantoorgenoot het pand verlaten heeft, de gitaar ter hand neem en liedjes schrijf. Dit deed ik gisteravond voor het eerst. Tot mijn genoegen stelde ik vast dat de duisternis in Amsterdam-Noord ongenadig toesloeg terwijl het aan de overkant altijd wel een beetje licht blijft, en voor het eerst in jaren zong ik onverstaanbare woorden op een halve melodie die seconden eerder nog niet bestond en zo leek het gedurende een uurtje of drie alsof ik helemaal alleen op de wereld was en dit hoeft verder niemand persoonlijk op te vatten maar ik was vergeten hoe lekker dat voelt.

En dáárna zal ik me bedenken dat ik me steeds meer een vreemde voel in de wereld.

Nu zit ik klaar om mijn to do-lijst erbij te nemen. We spreken hier over een erotisch verhaal, een verhaal over een strand, een column over kwesties van financiële aard, een scène voor een film, iets ludieks met de actualiteit, een dagelijkse talkshow op een festival, een opname van mijn stem en uiteraard ook dat ene plannetje dat ik er altijd bij schrijf, nu toch al zeker sinds een jaar of vijf, wanneer ik die to do lijst opnieuw maak, namelijk een briljant idee voor een opera zonder muziek, zonder zang, zonder liederen of wat dan ook maar wel een opera en wel een met de titel ‘De dood van Antonio Vissariou’ – don’t ask. Maar éérst nog even facebooken en éérst nog even twitteren en éérst nog even instagrammen en éérst nog even appen en dáárna nog even stiekem roken en dáárna een boterham eten en dáárna een essay van Alma in het NRC van vorige week lezen dat mij met verstomming zal slaan omdat het in feite een levenbeschouwelijke variant betreft van een grap die mijn oude moedertje altijd vertelde en die grap gaat als volgt:

– Lust uw broer graag kaas?
– Ik heb geen broer.
– Nee, maar áls ge nu een broer zoudt hebben, zou die dan graag kaas lusten?

En ik weet niet of u dat essay gelezen hebt maar geloof mij: de grap is beter. En dáárna zal ik me bedenken dat ik me steeds meer een vreemde voel in de wereld en me afvragen waar het toch in godsnaam met mij naartoe moet in dit leven en dáárna…

Wet van Victoria artikel 36bis: te allen tijde vrouwen met kleine hondjes wantrouwen.

Nu ja daarna kan ik waarschijnlijk gewoon naar huis en maak ik een fabelachtige Mee Goreng op de wijze van Ottolenghi en kijken mijn vrouw en ik een episode van Ozark – late to party, maar wát een lekkere serie – en ga ik lekker vroeg naar bed en wanneer ik er eenmaal in lig, begin ik me enorme zorgen te maken over geld en werk en liefde en toekomst en bedenk ik net op tijd dat dit niet de plek noch de tijd is om hierover na te denken dus sluit ik mijn gedachten af met behulp van een paar ademhalingsoefeningen die ik ooit van een osteopaat heb geleerd – don’t ask – en zink ik weg in een diepe slaap gevuld met de wildste dromen die alle kanten op schieten en waarvan ik er mij bij het ochtendgloren maar één herinner namelijk die waarin de beelden plots naar zwart-wit switchen en ik dicht tegen een vrouwelijke collega-schrijver aan sta, iemand die ik helemaal niet zo goed ken, iemand die ik zelden spreek, maar toch hangt er plots een enorme geilheid in de lucht en we zoenen en er is ook nog een klein hondje in het spel – Wet van Victoria artikel 36bis: te allen tijde vrouwen met kleine hondjes wantrouwen – en daarna word ik wakker met het gevoel waarmee ik de laatste tijd wel vaker ontwaak, ook wanneer ik helemaal niet gedroomd heb, ook wanneer de editor-in-chief helemaal niet gebeld heeft zoals hij al twee weken niet belt maar zo dadelijk wel zal doen namelijk: met het gevoel aan een ramp te zijn ontsnapt.

Om half tien werd ik wakker in een kleine kamer, op een luchtmatras, onder een dik en warm donsdeken in vaal ochtendlicht. Dat was niet de bedoeling geweest. Om zeven uur had ik gedacht: nog een uurtje.

Geen gelanterfant, geen uitstelgedrag, niet facebooken, niet nog effe zus, niet nog effe zo.

Maar mijn lijf en geest hadden anders besloten en ik begreep het ook wel, de voorbije weken zijn zo snel gegaan en er is zoveel in gebeurd en ik heb er zo weinig van onthouden en er nog minder van begrepen omdat ik zelfs geen tijd had om erover te schrijven, of beter, die tijd had ik mezelf niet gegund omdat ik over andere zaken schreef – dus ja, daar wordt een mens moe van, van al die opgekropte verhalen die in je lijf zitten opgesloten en niet naar buiten mogen en de hele tijd in je blijven sudderen tot er niks meer van overblijft dan flinterdunne flarden van beelden in een stoofpotje van herinneringen.
Een stoofpotje van herinneringen? Gaat het nog, Victoria? Ah well.

De voorbije dagen werkte ik in Gent aan een filmtreatment voor Billie & Seb, de eerste keer in al die jaren dat ik samen met iemand aan een tekst schreef, letterlijk, naast elkaar gezeten aan een tafel, praten, denken, tikken, schrappen. Wat goed is aan met twee schrijven: geen gelanterfant, geen uitstelgedrag, niet facebooken, niet nog effe zus, niet nog effe zo, maar gewoon knallen want het moet af. Misschien zou het beter zijn als ik ook mijn romans met twee zou schrijven, of gewoon met iémand die naast mij zit en de hele tijd met mij in discussie gaat en ervoor zorgt dat ik blijf zitten en blijf tikken, ja, dan zou dat verdomde boek al lang af zijn maar daar zal die dekselse editor-in-chief wel weer geen tijd voor hebben.

Roerloos en onaangedaan, niet geïnteresseerd in wat dan ook laat staan in mijn leven.

Speaking of which: terwijl ik dit tik, zit ik in de trein op weg naar huis. Dat betekent dat ik op weg ben naar het boek en dat ik daar dadelijk weer zal zitten, aan mijn bureau, alleen, tegenover dat scherm, tikken en knippen en plakken – maar goddamnit er is zoveel gebeurd de voorbije weken, dingen die ik ben vergeten, dingen die ik niet begreep, dingen die ik droomde en bij het ontwaken opschreef en die toen plots niet meer briljant bleken te zijn (Wat dacht u van de zin: ‘Het is niet duidelijk waar wij beginnen, net zomin als het duidelijk is waar wij eindigen.’? Dat was in de betreffende droom echt een waanzinnige en buitengewoon belangrijke vondst maar nu moeten we toch vaststellen dat het niet hetzelfde aplomb heeft als ‘een stoofpotje van herinneringen’, vindt u niet?) zoveel gebeurd dus dat ik het idee heb dat ik helemaal niet meer weet waar ik in dat boek was gebleven en wat ik er mee van plan was. Het enige wat ik me nog herinner is dat ik mezelf kort voor vertrek naar Gent op de gedachte betrapte dat het binnen een week of twee wel eens gewoon een boek zou kunnen zijn. Nog geen boek dat af is, maar wel een dat gelezen kan worden. Daaruit volgde de angstaanjagende conclusie dat dit inderdaad was wat er op niet al te lange termijn moest gaan gebeuren: iemand moet dit gaan lezen. Dat zal die dekselse editor-in-chief wel weer worden, daar kan je donder op zeggen. Maar misschien ook wel iemand anders, iemand die mij niét kent, een doodgewone lezer zeg maar; kandidaturen mogen via de email worden gesteld.

Maar wat was er dan, wat gebeurde er dan, hoe verliep het een en ander? Welnu, ik herinner me feestjes, ik herinner me een lang verstild gesprek in bed, starend naar het plafond, ik herinner me dat ik zong, ik herinner me een bos en hoe we daar doorheen liepen, ik herinner me boten in water naast meeuwen in water en hoe ze op precies dezelfde wijze dreven, roerloos en onaangedaan, niet geïnteresseerd in wat dan ook laat staan in mijn leven, én ik herinner me – O ja! Haha! – een collega met wie ik stond te praten. Ik was midden in een zin toen Beau Ervens van Dorens de ruimte betrad en zij zich – alsof ze hem rook – zonder mij verder een woord of blik te gunnen omdraaide, de volledige honderdtachtig graden tot ze met haar rug naar me toe stond, om hem uitbundig te begroeten. (Er zijn jaren geweest dat ik fan van Beau was, toen ik pas in Nederland woonde en hij RTL Boulevard presenteerde maar in die tijd was ik zo jong dat ik nog ongestraft op ironische wijze van flauwekul kon genieten, hetgeen me nu wederom doet denken aan F.B. Hotz, de schrijver door wiens werk ik al beïnvloed was nog voordat ik het gelezen had, en die Hotz schreef: ‘Alles eindigt in ironie. Als we twintig zijn believen wíj ironisch te doen; als we oud zijn is het leven het.’ Touché, Hotz.)

Eerst je flauwekul afmaken, en pas dáárna door naar de volgende flauwekul.

Vroeger was ik blijven staan, had waarschijnlijk gedurende een kwartier staan grijnzen en knikken tegen de rug van die collega voordat ik het had aangedurfd me stilletjes te verexcuseren en het gesprek waaraan ik niet deelnam te verlaten, hetgeen niemand zou hebben gehoord of opgemerkt, maar deze dagen ben ik hier heel gemakkelijk in: zodra ik zag wat er gebeurde, ging ik ervandoor. Niet beledigd of misnoegd, maar ook niet gek. Ik weet best hoe dat soort feestjes werken, het is zien en gezien worden, maar de laatste tijd hecht ik er steeds meer belang aan om mijn tijd, zélfs op feestjes, te besteden aan mensen die ook werkelijk iets te vertéllen hebben en de moeite nemen je daarbij langer dan tien minuten in de ogen te kijken. Jezus Christus, ik zit acht uur per dag alleen in een kamer tegenover een computerscherm enorm te kutten op een boek dat me gek maakt, áls ik dan eens onder mensen kom, dan graag onder mensen die in iets anders geïnteresseerd zijn dan in de weerspiegeling van hun eigen ego. Kortom, mijn geduld is op, daar lijkt het op, de tijd dringt, er valt nog veel te doen, ja, misschien is dat het, misschien is dat wat er gebeurd is, keer en keer opnieuw in de voorbije weken, misschien wel maanden, mijn vrouw zei het onlangs nog: je bent veranderd. Nu weten kenners van mijn oeuvre – een woord dat ik ook op zevenenveertigjarige leeftijd nog steeds niet zonder ironie weet te bezigen – dat ik niet geloof in mensen die veranderen, ik geloof enkel in mensen die steeds meer zichzelf worden, maar toch zei ze het, enigszins droevig, alsof ze me miste, terwijl ik me zelf aanweziger voelde dan ooit.

Alleszins, ter geruststelling van mensen die mij nog op feestjes tegen zullen komen: dit alles betekent niet dat ik niet graag meer flauwekul verkoop. Natuurlijk niet, ik hou nog steeds enorm van flauwekul, zolang die flauwekul niet op ironische wijze maar wel met liefde en aandacht geserveerd wordt en ik beloof plechtig dat als ik met u op een feestje flauwekul sta te verkopen, ik me echt niet midden in uw flauwekul met de rug naar u toe ga draaien, ongeacht wie er de ruimte binnen komt. Eerst je flauwekul afmaken, en pas dáárna door naar de volgende flauwekul, dat is hoe ík ben opgevoed.

Nu de ex van mijn vrouw onze platenspeler heeft hersteld – lang verhaal, don’t ask – heb ik de platenkast officieel als zijnde volledig beschikbaar ende vrijelijk te exploreren verklaard aan mijn beide dochters. Als ze zelf niet een maxisingle van Mudhoney of een best of van Jacques Dutronc opleggen, duw ik ze eigenhandig Lou Reed, The Clash of Hank Williams door de strot.

Ik was nooit schrijver geworden zonder Playmobil.

Van die laatste krijgt Lou Victoria iedere keer weer de slappe lach vanwege zijn ‘gekke stemmetje’ en op de koop toe heet hij Henk, dat is uiteraard helemaal om je te bescheuren. Je leest wel eens in interviews met muzikanten of kunstenaars dat ze opgroeiden in een huis vol boeken of muziek en dat het daarom komt dat ze bladibla enzovoort. Deze dagen vraag ik me steeds vaker af hoe mijn dochters mij zullen herinneren, wat voor vader ik ben en wat de doorslag zal geven: dat er altijd muziek op stond in hun huis, dat de woonkamer werd gedomineerd door een enorme kast met daarin tweeduizend vinylplaten waaruit ze vrijelijk mochten kiezen en aldus hele middagen doorbrachten met het opleggen van elpees en ruzie maken over wie het antistatisch borsteltje tegen de plaat aan mocht houden. Of: dat hun vader het merendeel van de tijd zat te lezen en elk mogelijk excuus verzon en benutte om niet mee te hoeven doen met de gezelschapsspelletjes die ze zo graag wilden spelen.

In een interview met Penelope Lively in Paris Review lees ik dat haar ouders geen lezers waren, en er in feite geen enkele aanwijzing was dat ze schrijver zou worden. Maar wel: ‘I suspect the obsessive internal storytelling does have something to do with ending up as a fiction writer…’ Dat geloof ik graag. En als het waar is, betekent het dat ik nooit schrijver was geworden zonder de Playmobil waarmee ik eindeloze uren vulde en met behulp waarvan de meest spectaculaire avonturen vorm kregen in mijn hoofd. Het was zonder twijfel in die jaren, alleen spelend op de grond in onze woonkamer, donkerbruin vast tapijt waaraan ik mijn knieën open haalde, dat mijn innerlijke stem zich ontwikkelde, een stem die nooit meer zou zwijgen, die mij vierentwintig uur per dag toespreekt, ja ook in mijn dromen, alsmaar doorgaat en mij met regelmaat tot waanzin drijft zonder dat iemand daar iets van merkt uiteraard, tot nader order geniet ik nog steeds de wijdverbreide reputatie van immer stabiel en te allen tijd volkomen rustig de zaken volledig onder controle hebbende. Maar als het waar is dat tal van apps op je telefoon stiekem gebruik maken van je microfoon om je gesprekken af te luisteren, dan beschikken bepaalde partijen ondertussen over uren aan monologen en discussies die ik, ijsberend door het huis of mijn werkkamer, met mezelf heb gevoerd over tal van zaken aangaande het leven en de liefde en zowat alles wat daarin zoal goed en verkeerd kan gaan en mag het een wonder heten dat ik in mijn timeline op Twitter of Facebook nog geen advertenties gepusht krijg voor antidepressiva of de zelfmoordlijn.

Dat verdomde leven dat maar door gaat, hoe wij allemaal onderweg zijn, de hele tijd, naar god weet waar.

Dit alles neemt niet weg dat mijn dochters momenteel helemaal niet al Mudhoney of Hank Williams zingend door het leven gaan maar wel al zingend. En dan met name het liedje Verleden tijd door Frenna & Lil Kleine, de bewerking van Onderweg, de grote hit van Abel waarvan niemand in Vlaanderen ooit gehoord zou hebben indien ik er mij niet tegenaan had bemoeid. Dat is gewoon een true story, weinig mensen weten dit, maar ik werkte indertijd bij PIAS, een super credibele platenmaatschappij met super credibele artiesten als Nick Cave, Soulwax en Laurent Garnier totdat een Nederlandse collega mij een cassette opstuurde met demo opnames van een nieuw bandje dat hij getekend had. Abel. Kan je daar wat mee in Vlaanderen? Nee, zei ik. Behalve met dat ene nummer. Want ik werd getroffen door een bepaalde sereniteit, die zeldzaam is voor Nederlandse artiesten, een gebrek aan het typische effectbejag en de holle bombast waardoor Nederlandse bands in die tijd zelden voet aan de grond kregen in Vlaanderen (hoi Bløf) en bovendien een liedje dat een oprecht verhaal leek te vertellen, zonder echt refrein maar met een verslavende melodie. Er is in de loop der jaren veel gelachen met de tekst maar wat mensen daarbij vergeten is dat de tekst van een liedje maar een ding moet doen en dat is de luisteraar het gevoel geven dat dit nummer over hem of haar gaat. Of dit op grammaticaal correcte wijze gebeurt, boeit niks. Ik doe de deur dicht. Straten lijken te huilen. Wolken lijken te vluchten. Ik stap de bus in. Negentig procent van de luisteraars herkent dit moment, weet meteen wat hier aan de hand is, en alles wat volgt: het verdriet, de eenzaamheid, en dat verdomde leven dat maar door gaat, hoe wij allemaal onderweg zijn, de hele tijd, naar god weet waar, terwijl we tegen beter weten in blijven verlangen naar momenten die al lang door de tanden van de tijd vermalen zijn. Heel simpel, heel mooi, en universeel.

Ze moeten ergens in mij schuilen, in de een of andere microcel, inclusief de wijze waarop de hemel die ochtend rood kleurde.

Uiteraard werd ik door mijn collega’s te Brussel collectief uitgelachen met mijn plan om dit nummer in Vlaanderen uit te brengen, hetgeen mij buitengewoon motiveerde, en bovendien had ik wel eens zin om platen te verkopen in plaats van alsmaar super credibel te zijn. Ik maakte een plannetje, betrok hierin enige handlangers via mijn oude netwerk uit de tijd dat ik nog roddeljournalist voor TV Story was – lang verhaal, don’t ask – en begaf mij in de wondere wereld van mainstream radio en televisie, en het plannetje werkte als een tierelier. Onderweg stond zeven weken lang op nummer 2 in Vlaanderen omdat een rare technodeun van een skatemannetje met dreadlocks ons de weg naar nummer 1 versperde. Dit alles vertelde ik gisteren aan mijn dochters en nu aan u, en mijn dochters waren niet in het minst onder de indruk, dat dient gezegd, en van u verwacht ik sowieso niks maar het is allemaal waar, het wordt, op dit moment, terwijl ik dit schrijf, allemaal opnieuw afgespeeld in dat arme, rusteloze hoofd van mij, als de oude Super 8 films van mijn vader waar ik deze dagen weer vaak naar zit te kijken terwijl ik me afvraag waar ze opgeslagen liggen, de woorden die ik geluidloos op lippen zie verschijnen, en die verdwijnen tussen de pixels, als strandzand door een zeef. Ze moeten ergens in mij schuilen, in de een of andere microcel, inclusief de wijze waarop de hemel die ochtend rood kleurde, de geur van opdrogende regen op het kleverige hars van dennenbomen, het knappen van een tak in de verte… Ik kijk en ik kijk. Film. Een techniek die aan de hand van bewegende beelden de illusie creëert dat dit alles ooit in de realiteit is gebeurd, dat deze mensen werkelijk hebben bestaan, in alle dimensies die in dit aardse voorhanden zijn en dat het allemaal waar is en dat ik het allemaal op moet schrijven.

Pin It on Pinterest