web analytics

Welkom op de website van Ivo Victoria, schrijver en columnist. Door op de drie horizontale streepjes in de rechterbovenhoek te klikken, komt u terecht in het menu en kan u alles – nu ja, toch veel – te weten komen over mij, mijn boeken, verhalen en allerhande andere activiteiten zoals manuscriptbegeleiding en schrijfcoaching.

Normaal gezien staat op deze plek geen welkomsttekst maar een verhaal of blog – zo ben ik ooit, way back in 2005, met schrijven begonnen en nog steeds mag ik hier graag een stukje tekst publiceren. Alleen nu even niet. Via de navigatieknop onderaan deze pagina kunt u terugbladeren naar oudere stukken, of u kan natuurlijk ook linea recta door naar de Archieven.

Wat spook ik ondertussen uit? Ik schrijf aan een nieuwe roman, Behoefte om te drijven, die in januari 2022 zal verschijnen – iets wat mij tot een plezierig soort wanhoop drijft, zoals die op bijgaande foto van Alexia Leysen prima wordt uitgebeeld. Daarnaast werk ik aan nog tal van andere leuke en spannende projecten waarover u hopelijk ooit iets zal vernemen. Tot dan!

Op een van de laatste dagen voordat de horeca sloot, ging ik uit eten met Gilles. Eigenlijk heb ik nu al te veel gezegd. Gelieve dat ‘uit eten’ figuurlijk op te vatten. We gingen uit eten, bij wijze van spreken. We zouden eten, als het ware. Wanneer men uit eten gaat met Gilles van der Loo dient men de grootste discretie in acht te nemen. Ik ben zevende reserve op de lijst van professionele mee-eters die hem mogen vergezellen wanneer hij een Amsterdams restaurant bezoekt dat hij voor het Parool gaat recenseren. Misschien. Misschien ben ik zevende reserve. Misschien ook niet. Ik moet discreet blijven, maar wat ik wel kan zeggen is dat ik hard heb moeten werken om op te klimmen tot zevende reserve en dat ik die positie hier niet zomaar te grabbel ga gooien door minder discreet te zijn dan Gilles zou willen.

Misschien vindt alles waarover ik nu schrijf enkel en alleen plaats in het diepst van mijn gedachten.

Dus mogelijk ging ik uit eten met Gilles, voor de krant. Dat was het plan. Wellicht. En zoals gebruikelijk mocht ik niet weten waar we uit eten zouden gaan. Dat laat Gilles slechts enkele uren van tevoren weten, via een gecodeerd bericht dat zichzelf na dertig seconden vernietigt. En wanneer ik het dan weet – áls ik het dus weet – mag ik tot publicatie van de recensie in het Parool aan niemand vertellen waar we aten. En al helemaal niet hoe het eten was. Laat staan dat ik iets kwijt kan over het interieur, de straat of wijk waar het restaurant (of bistro of eettentje of snackbar) gevestigd is. En nog minder over wat voor weer het was die dag en welke tram ik nam om ernaartoe te gaan – terwijl er in mijn wijk maar één tramlijn rijdt, dus ik kan niet eens vertellen waar ik woon of van waar ik vertrok om naar dat etentje te gaan, ik kan niets zeggen over de wijze waarop de herfstbladeren rond dwarrelden toen ik de laatste meters naar de plek van afspraak te voet aflegde, niets over wat ik eerder die dag heb gedaan of waar ik ben geweest want dat zou de aandachtige lezer op een spoor kunnen zetten, een verkeerd spoor wellicht maar een spoor, en alle mogelijke sporen moeten vermeden worden. Sterker nog, ondanks het feit dat Gilles mij hier nog nooit om heeft verzocht – hetgeen mij verwondert – heb ik de gewoonte ontwikkeld om bij zulke gelegenheden de locatievoorzieningen op mijn telefoon uit te schakelen, en mijn social media apps tijdelijk te verwijderen.

Zit ik nu weeral thuis op een doordeweekse dinsdagavond?

U zal zeggen: dat gaat ver. Ja, dat gaat ver. Ik doe, denk ik, weinig dingen discreter dan uit eten gaan met Gilles van der Loo. Soms, wanneer ik na zo’n avondje thuiskom en de zaken rustig overdenk bij een laatste glas wijn in de woonkamer, word ik overvallen door de mogelijkheid dat het hele ‘etentje’ helemaal niet heeft plaats gevonden. Misschien vindt alles waarover ik nu schrijf – dat zogenaamde ‘uit eten gaan’ met Gilles van der Loo – enkel en alleen plaats in het diepst van mijn gedachten, zoals de meeste dingen in mijn leven. Alleszins. Kort nadat ik de coördinaten voor die avond had ontvangen, belde het beoogde restaurant af. Coronagevalletje onder het personeel. Kan gebeuren En aldus zaten wij alras gewoon bij Scheepskameel op het Marineterrein, dat kan ik hier vertellen zonder dat dit ook maar de minste gevolgen zal hebben voor mijn positie op de lijst van professionele mee-eters die al dan niet af en toe Gilles van der Loo mogen vergezellen. We begonnen met een glas champagne en Gilles zei: ‘Luister Ivo, nu even niet over jou.’

Geen wonder dat ik me verder vrijwel niets van deze avond kan herinneren. Anyways, waarom denk ik hier nu aan, terwijl ik in mijn schrijfkantoor zit, en uitkijk op het plantsoen waar de bomen machtig mooi geel kleuren, en waarlangs de mensen in vrede met hun mondkapje op de kin voorbijfietsen? Geen idee. Misschien omdat ik zaterdag eindelijk weer eens zal eten met Gilles, en met Rob, of drinken, of allebei, dat weet ik eigenlijk niet maar alles wel conform de regels uiteraard en in privé-kring – of misschien omdat ik me verveel terwijl ik toch meer dan genoeg te doen heb, maar toch is het zo: ik verveel me wezenloos deze dagen, lees een boek terwijl de meisjes een film kijken en denk: zit ik nu weeral gewoon thuis op een doordeweekse dinsdagavond?

Vorige week keek ik de hele week voetbal, elke avond, sfeerloze potjes met neppubliek die me nauwelijks deden opveren, een enkele keer misschien, bij die goal van Götze, en ook bij die gemiste kans van Promes omdat ik een paar weken daarvoor, toen we nog mochten voetballen, ook zo’n kans gekregen had, precies zo’n situatie, een bal van de zijkant, ik alleen voor de keeper en ook ik trapte hem met mijn slechte voet precies naar waar die keeper lag. Alleen ging mijn bal er wél in, misschien omdat ik wél met vertrouwen speelde en daardoor geluk had, misschien omdat ik genoot van de regen die de hele avond ongenadig hard op ons viel, we waren doorweekt zodra we het veld op liepen, een goddeloze avond in Amsterdam-Noord, oude mannen in versleten tenues, en dan die regen die viel in het kunstlicht, genieten was het, van de zuurstof in de lucht en het zweet en het water die zich met elkaar vermengden in onze shirts, en de flauwekul tussen de potjes door en soms ook wel tijdens de potjes, oude jongetjes met oude praatjes, bewegingen nabootsend die ooit vanzelfsprekend waren, gedachteloos en vloeiend, en die nu na de wedstrijd met kapotte enkels en knieën tevreden weer naar huis fietsten. Rob is er ook altijd bij, Rob scoorde ook, in hetzelfde potje als ik, doelpunten van Waumans en Victoria en toch verloren we – je verzint het niet.

Schrijvers die nu met een dystopische roman komen aanzetten hebben er niks van begrepen.

Dat is wellicht ook het hele probleem met deze dagen: er valt niks meer te verzinnen. Mensen zeggen tegen me: jij zal zeker nogal veel inspiratie hebben om te schrijven ‘in deze tijden’? Maar de werkelijkheid slaat mij elke vondst uit handen nog voor hij mij te binnen kan schieten. Er valt helemaal niks te schrijven, fantasie is in een noodtempo irrelevant geworden, schrijvers die nu met een dystopische roman komen aanzetten hebben er niks van begrepen, dit is geen tijd om vooruit te kijken, dit is een tijd om weemoedig en melancholisch uit je raam staren, naar die bomen die machtig mooi geel kleuren, een tijd om je te vervelen terwijl je in het diepst van je gedachten ‘uit eten gaat’ met Gilles van der Loo, of in de gietende regen een slimme loopactie maakt waardoor je vrij voor de keeper komt, dan de bal van de zijkant, voor je slechte voet, er is geen tijd dus het moet in één keer, je raakt de bal compleet verkeerd, de verraste keeper grabbelt vergeefs, je scoort. En wanneer je jezelf omdraait en terug naar de eigen helft loopt, zie je Rob staan die met een brede grijns zijn duim opsteekt, naar ik vermoed omdat ook hij weet dat er een wereld bestaat waarin dit allemaal nooit voorbij zal gaan – dat soort gasten zijn wij namelijk, en dat soort gasten zullen wij altijd zijn.

De dag begon met een stevige track, voorzien van een krukdroge beat en een hypnotiserende parlando vrouwenstem. Het soort nummer waar je spontaan van gaat headbangen, maar dan cool, met korte knikjes en getuite lippen terwijl je met lichtjes toegeknepen ogen de dansvloer afspeurt en ternauwernood je heupen beweegt. Niet iedereen kan het, dus misschien moet je het niet proberen.

Ik heb meer dan eens een affaire met een receptioniste gehad door toedoen van zulke praatjes

Alleszins, ik kende dat nummer niet, kreeg het onverhoeds geserveerd door het almachtige algoritme toen ik ging rennen, en de eerste kilometer liep ik in 4 minuten en 47 seconden. Opmerkelijk. Ik ren elke week twee keer een half uur en de laatste tijd kom ik nauwelijks nog onder de 5 minuten per kilometer uit terwijl ik enkele maanden geleden nog vlotjes een seconde of twintig tot dertig sneller was. Tot ik een keer ging checken wanneer die paar maanden geleden ook alweer waren en het een paar jaar bleken te zijn. Kortom, ik wist: ik was te snel gestart, door die track, en als ik dat vol zou houden zou ik mezelf kapot rennen en dat kan lekker zijn maar niet nu, nu wilde ik mezelf niet kapot rennen want ik moest nog werken. Deze week was een werkweek. Elke dag reed ik met de auto naar een heus Business Center en daar klopte ik mijn uren, tegen een vastgesteld uurtarief, en ik moet zeggen dat het me beviel. Ik groet de receptionist, ik ga naar de werkruimte, begin aan mijn werk, ik neem een pauze, ik eet een boterham, werk verder, ik beëindig het werk op het afgesproken uur en daarna ga ik naar huis maar niet voordat ik wederom de receptionist gegroet heb, een vriendelijke kerel die zijn praatjes precies de juiste betekenisloze oppervlakkigheid weet mee te geven, hetgeen minder vanzelfsprekend is dan het lijkt, zulke praatjes kunnen uit de hand lopen weet ik uit ervaring, ik heb in het verleden meer dan eens een kortstondige affaire met een receptioniste gehad door toedoen van zulke praatjes en ik kan je verzekeren: daar komt alleen maar gedoe van.

Rustige, eenvoudige dagen. Koele herfstlucht waarin het heerlijk roken is. Mensen vragen me of ik wel genoeg werk heb ‘in deze tijden’ maar ik heb genoeg werk, meer dan genoeg werk en nog hou ik tijd over. Hoe komt dat? Waarom heb ik zoveel tijd over terwijl ik werk genoeg heb? Hoe is het mogelijk dat ik voldoende geld verdien en toch af en toe een beetje zielloos en verdrietig door mijn werkkamer dwaal, mezelf afvragend wat te doen?

Uren per dag scheelt het, zo’n geen roman om aan te schrijven

Het duurde een paar maanden voor ik het door had: ik schrijf geen roman. Voor het eerst sinds februari 2008 schrijf ik geen roman, is er geen roman die door mijn hoofd spookt, geen roman die mijn gedachten doet afdwalen, geen roman waarvoor ik boeken lees, geen roman die me urenlang wakker houdt, in bed, in de wetenschap dat ik alle geniale invallen die ik op dat moment heb tegen het ochtendgloren vergeten zal zijn, geen roman die me vloekend en gefrustreerd door de kamer jaagt omdat ik aan die roman wil werken maar te veel ander werk heb, geen roman die me het gevoel geeft dat alles en iedereen de hele tijd alleen maar in de weg zit, in de weg loopt, en met opzet ook nog, enkel en alleen om mij te pesten en te verhinderen om aan die roman te werken, klootzakken, ga uit de weg, weg weg weg, ik heb een roman te schrijven, kan je dat niet zien. Dat is er nu dus allemaal niet. Maar wel schrijf ik nu weer even hier, misschien doe ik het om weer op gang te komen, omdat alles hier begonnen is, misschien ga ik het wel vaker doen dan alleen vandaag want er is tijd. Uren per dag scheelt het, zo’n geen roman om aan te schrijven, ik had het me nooit eerder ten volle gerealiseerd, meestal wanneer ik door mijn eigen boeken blader, denk ik: waar was ik toen dit geschreven werd? Maar nu weet ik dus vaak niet zo goed wat ik met die uren moet doen. Luxeproblemen hebben in tijden van ontwrichtende pandemieën, laat dat maar aan mij over.

Nu weet ik: het is die pretentie van wandelaars die me irriteert, het verhevene dat ze denken te vertegenwoordigen

Heb ik verder nog iets gelezen? Goed dat je het vraagt. Ik lees veel. Confrontaties van Simone Antangana Bekono (heel goed), verhalen van Colin Barrett (heel goed), Gerda Blees (meestal goed), en Emma Cline (van tja tot geweldig). Ik kocht het verzameld werk van dichter Paul Snoek (fantastisch) en heb één keer tot diep in de nacht tot tranen toe geroerd zitten lezen in Het stad in mij, de superdeluxe editie van de dichtbundel van Maud Vanhauwaert maar daar was ook wijn bij in het spel, we moeten daar eerlijk in zijn. Ik las De laatste zomer in de stad van Gianfranco Calligarich (heel mooi), ik (her)las wat essays van Patricia de Martelaere (super) en Joan Didion (vloeken in de kerk maar die pas verschenen bloemlezing essays deed me minder dan ik had gehoopt). Ik las wat David Henry Thoreau te vertellen had over wandelen (en nu haat ik wandelen nog meer, nu weet ik: het is die pretentie van wandelaars die me irriteert, het verhevene dat ze denken te vertegenwoordigen, hoe ze elkaar groeten, alsof ze adelijke buschauffeurs zijn) en nu lees ik Dagen zonder eind, een geweldige western roman van Sebastian Barry, een boek dat Gilles me gaf en ik anders nooit gelezen zou hebben en wanneer ik die uit heb zal ik eindelijk aan Schaduwkind beginnen van P.F. Thomése, een boek dat ik al jaren bezit maar waarvoor ik altijd te bang ben geweest om het te gaan lezen, maar nu ga ik het doen, nu ga ik het echt doen en dat is niet voor een roman waarover ik zo zoetjesaan begin na te denken, nee heus niet, wees niet bang, romans daar doen we even niet meer aan maar toch verschijnt er in april een nieuw boek – daarover later meer.

Afijn, dat alles terwijl ik kilometer na kilometer het tempo verlaagde, ik schrijf het maar op alsof het mijn bedoeling was, maar in werkelijkheid ging ik natuurlijk kapot, door die vliegende start, en nadat ik een half uur had gerend, kwam ik tot stilstand bij de speeltuin, ach, het speeltuintje waar ik nooit meer kom, nooit meer een kind van het klimrek moet tillen, nooit meer veelbetekenende blikken uitwissel met de andere ouders, nooit meer een brutaal joch per ongeluk een bal in zijn gezicht trap, en ik hijgde uit, dronk van het fonteintje, en zocht die eerste track op. Het was het nummer No van Billy Nomates. Een dame die eruit ziet alsof ze uitstekend cool kan dansen met getuite lippen, een geweldige track is het, die klinkt alsof hij in 1981 gemaakt is. Goddomme, 1981, toen was ik tien en ik had geen dromen, alleen maar Playmobil.

Vlak voor ik naar bed ging had ik nog even naar Femke Halsema bij Op1 gekeken en daarna had ik héél eventjes Twitter open geklikt. Kortom, ik kon de slaap niet vatten. Er woelde iets in mij, iets dat het midden hield tussen woede, verdriet en moedeloosheid. Dat heb ik altijd wanneer er iets gebeurt in de publieke arena wat zich heel eenvoudig laat misbruiken door vrijwel iedereen, omdat je bij voorbaat al weet hoe het schijndebat zich zal ontwikkelen en dat wanneer de rook is opgetrokken, er niets veranderd zal zijn – behalve dan dat de loopgraven nog wat dieper uitgegraven zullen zijn.

Wat is dat, iets ‘politiek’ niet kunnen uitleggen?

Waar ik het langst op bleef kauwen waren evenwel niet alle voorspelbare opportunistische reacties van politieke tegenstanders van Femke Halsema en ook niet de emo-uitingen van alle mensen die – na eerder bondscoach-in-bijberoep te zijn geweest, en zich recentelijk te hebben omgeschoold tot amateur-viroloog – nu plots over bovengemiddelde kennis van crowd control bleken te beschikken. Maar wel op een tweet van Bas Heijne die bij een foto van de demonstratie op de Dam schreef: ‘Dit valt politiek niet uit te leggen.’ Ondertussen heeft hij die tweet verwijderd. Heel goed van hem want wat een non-opmerking is dat toch, je leest ‘m vaker. Wat is dat, iets ‘politiek’ niet kunnen uitleggen? Het suggereert dat er een andere manier is waarop het wél uit te leggen valt, alleen politiek niet. Op welke andere manier dan wel? De menselijke manier misschien? De manier die rekening houdt met het feit dat daar duizenden woedende en moe getergde mensen stonden die gebruik maakten van hun grondwettelijk recht en dat dit grondwettelijk recht niet kan worden aangetast door een virus en ook niet door de pijn en de woede van duizenden andere mensen, hoe terecht dié pijn en dié woede óók is. Maar op welke manier is die menselijke benadering dan niet ‘politiek’? Hoe kan een genuanceerde benadering van de werkelijkheid niet politiek zijn? Het is juist wat politiek moét doen: de complexiteit van de werkelijkheid vormgeven in een beleid dat met iedereen rekening houdt. Ik snak naar politiek die de tragedie die de werkelijkheid maar al te vaak is, erkent.

Allemaal jonge mensen met mondkapjes in de open lucht, precies wat Jort graag wilde, behalve dan dat deze mensen niets consumeerden.

En een tragedie is wat er ontstaat wanneer twee of meer zaken die an sich legitiem zijn tegelijkertijd onverzoenbaar met elkaar blijken. Wie in deze kwestie diepgeworteld racisme gaat vergelijken met zij die met gevaar voor eigen leven in de zorg hebben gewerkt de voorbije maanden, of zij die naasten hebben verloren, of zij die hun onderneming moesten sluiten, of zij die hun oma niet mochten bezoeken, slaat de plank volledig mis. Het is niet óf Corona bestrijden óf racisme bestrijden. Beide dienen te gebeuren. Gisteren bleken ze onverzoenbaar met elkaar. Dat maakt beide kwesties niet minder urgent of legitiem. Ze bestaan allebei, je kan tegen slachtoffers van racisme niet zeggen ‘nu even niet’, net zomin als je dat tegen slachtoffers van Corona kan zeggen. Dat is lastig, ingewikkeld, pijnlijk en maakt mensen kwaad. Begrijpelijk. Maar niemand heeft gelijk.

Van ‘gewone mensen’ kan ik nog wel accepteren dat hun reacties emotioneel zijn, dat hun particuliere situatie hen het zicht ontneemt op het totale plaatje. Maar al die schaamteloze oneliners van politici en opiniemakers die nu munt proberen te slaan uit de situatie. Holy shit zeg, wat een armoede, wat een voorspelbaarheid. Daar werd ik dus zo woedend, zo verdrietig en zo moedeloos van dat ik de slaap niet kon vatten, en nog een uurtje of wat lag te luisteren naar de ademhaling van mijn vrouw totdat ik zelf ook enigszins tot rust was gekomen, zij het in de wetenschap dat dit dus nooit meer zal veranderen, dat we nu in een wereld leven waarin iedereen altijd maar gelijk wil hebben, en het liefst op zo simplistisch mogelijke wijze. (Ik ben overigens, wel benieuwd naar de mening van Jort Kelder in deze – u weet wel, de man die vindt dat we uw mollige oma gewoon dood mogen laten gaan ter meerdere eer en glorie van de economie en de hele Corona-crisis bagatelliseerde als een massapsychose. Hij zal wel erg voor deze demonstratie geweest zijn, allemaal jonge mensen met mondkapjes in de open lucht, precies wat Jort graag wilde, behalve dan dat deze mensen niets consumeerden. Dat was jammer, maar dat komt vast nog wel.)

Elke politicus of opiniemaker die deze complexe werkelijkheid miskent is ofwel geniaal ofwel een complete idioot.

Afijn. Dit alles betekent verder natuurlijk niet dat de social media-analisten van de Gemeente Amsterdam niet allemaal op bijscholingscursus moeten; zij waren blijkbaar de enigen die niet door hadden dat er veel mensen naar de Dam zouden trekken. En dit alles betekent verder ook niet dat er gisteren niet mogelijk een superspreader event plaats vond. Maar hoe ontwrichtend Corona ook is, er zullen ook gewoon andere dingen blijven gebeuren, niet iedereen lijkt dat door te hebben, je kan de werkelijkheid niet uit zetten omdat je toevallig even een virus te bestrijden hebt. Er zal racisme zijn, er zal homofobie zijn, er zal een economische crisis zijn, er zal aanhoudende droogte zijn, er zal moord en doodslag zijn, en ook leuke dingen, en er zullen ook nog tal van andere zaken gebeuren die nu niet te voorzien zijn. Allemaal tijdens Corona. Elke politicus of opiniemaker die deze complexe werkelijkheid weet terug te brengen tot een oneliner of een column van 400 woorden is ofwel geniaal ofwel een complete idioot.

Een conclusie die me weinig voldoening gaf, toegegeven, maar die ik wel even op moest schrijven, eerst in gedachten, en toen hier, en die verder gelukkig afwezig bleef in de diepe, droomloze slaap waarin ik uiteindelijk alsnog enige uurtjes mocht vertoeven.

Ik woonde net twee jaar in Amsterdam toen ik op een avond plaats nam op de bank in ons appartement in de Van der Pekstraat in Noord en de vier andere leden van de band een voor een opbelde. Bij elk telefoontje sloeg ik de beleefdheidsformules over en kwam meteen ter zake: ik stopte ermee, per direct. Ik was 33, speelde in bandjes sinds ik vijftien was, het merendeel van de tijd met dezelfde mensen, waaronder mijn broer Stef op gitaar en mijn beste vriend Ief op drums. Hij was de laatste die ik belde die avond. Pas later hoorde ik van zijn vriendin dat hij dacht dat ik hem belde om hem te feliciteren met zijn verjaardag. Daarom weet ik dat het op 29 september 2004 was dat er een einde kwam aan een periode van bijna twintig jaar waarin ik diverse dappere pogingen ondernam om rockster te worden, pogingen die allemaal op meer of minder verdienstelijke wijze mislukt waren. Een jaar later startte ik dit blog – the rest is history.

Van alle bands waarin ik speelde is Kamino de enige die muziek heeft gemaakt waarnaar ik ook vandaag nog zonder schaamte kan luisteren. Tussen 1999 en 2004 verschenen twee albums en een EP die we opnamen bij bassist Mark thuis, in een aanvankelijk vrij knullige en later behoorlijk professionele home studio, meestal onder het genot van ettelijke goeie flessen wijn en nog betere wiet – want Mark had tevens een kleine edoch fijne wietplantage aangelegd in zijn woonst. Het is volgens drummer Ief daarom dat ik zoveel vergeten ben uit die periode. Deze dagen ga ik door de Kamino-archieven – ik heb alle krantenknipsels, playlists, flyers en foto’s uit die tijd bewaard – en ik val van de ene verbazing in de andere. Speelden wij werkelijk de support tour van de Duitse band Seesaw die in die tijd een hitje had met het nummer Smoke? Ik herinner me geen enkele van die concerten. Stonden wij in 013 in het voorprogramma van Das Pop toen toetsenist Jonas zijn debuut maakte, zoals de concertrecensie in OOR beweert? Geen idee dat wij ooit in Tilburg waren. Heeft onze single I Have Got To Love Me het werkelijk ooit tot TTT-hit geschopt op de laatste pagina van HUMO waarbij de volledige songtekst werd afgedrukt? Compleet vergeten.
Wat ik me wel herinner: de fysieke sensatie die het is om te zingen, om met je lijf iets voort te brengen in het moment en ondertussen aan helemaal niets te denken – een sensatie die schrijven zelden voortbrengt. De kracht van een goed ingespeelde band, hoe het geluid op zo’n podium je optilt wanneer de monitors precies goed staan afgesteld. Doorweekt van het zweet de kleedkamer inlopen en dan het eerste koude biertje. De verveling tussen soundcheck en optreden in, het eindeloze wachten, altijd overal maar wachten, de nachtelijke ritten naar huis, moe en vaak net iets te dronken. De ego-kick wanneer een net afgemixte song loeihard door de studio speakers knalt. Eindeloze met drank en wiet doordrenkte nachten in mijn appartementje op ’t Zuid in Antwerpen, urenlang in mijn eentje gitaar spelen, zingen, liedjes schrijven. De chronische frustratie over gebrek aan airplay, concertdata, roem.

Maar met dat laatste viel het, nu ik die archieven doorzoek, blijkbaar nogal mee: Kamino scoorde dikke radiohits op Radio21 in Wallonië hetgeen uitmondde in een vrij euforisch concert, samen met Tahiti 80, ergens in een kasteel in de Ardennen – na afloop waarvan twee leden van de band nog even de plaatselijke fauna en flora gingen bewonderen in het gezelschap van twee charmante dames uit het publiek. Dat soort dingen herinner ik me toevallig ook nog wel. Ook op Radio 1 werd de band veel gedraaid, onze clips waren te zien op TMF, we traden op in De Laatste Show (de DWDD van de VRT in die jaren) en de pers was steevast lovend: van De Morgen, HUMO, VPRO 3voor12 of OOR tot in de NME en Melody Maker aan toe. In onze beste periode speelden we zo’n vijftig concerten per jaar. Paradiso, Melkweg, Rotown, AB, Nijdrop, Velinx, Vera, Hedon… Diverse radiosessies, een support tour voor Novastar, shows op Dour Festival, EuroSonic, De Nachten, Marktrock Leuven, en een vrij memorabele passage in de legendarische showcase club The Barfly in Camden, London, waar ik aan bijgaande foto’s te zien, helemaal los ging. Misschien mis ik dat het meest: het los gaan. De overmoed en energie die zich meester van mij maakten zodra ik een podium opstapte – het is lastig om die vibe in een voordracht op een literair avondje te leggen.

Er staat nog steeds een gitaar in de woonkamer. Ergens op mijn computer moeten nog tien demo’s terug te vinden zijn van songs die ik schreef voor het derde Kamino-album, dat er nooit kwam. Vorig jaar schreef ik in een kortstondige bevlieging op tien avonden tijd nog tien nieuwe liedjes. De laatste tijd knutsel ik af en toe een beat in elkaar met behulp van muzieksoftware Ableton; misschien dat er ooit nog iets van komt.
Dit alles om u te vertellen dat zestien jaar na de avond waarop ik de band zo tactvol opdoekte, eindelijk alle muziek van Kamino op Spotify (en Apple Music, en Deezer, en Google Play) staat. Onze debuut EP Donut, en de albums Universal Love Music en Men Leave Women Go Crazy. Je kan ze HIER beluisteren. Op de Instagram @kaminotheband post ik elke dag een foto, video of ander archiefstuk met bijbehorend verhaaltje. Mensen die denken dat er nu ook reünie-concerten gaan volgen, hoeven zich niet in het minst zorgen te maken.

Nu duidelijk wordt dat de toestand in de Vlaamse bejaardentehuizen nogal hachelijk is, werd het tijd om te bellen met de grootste bejaardentehuizen-expert die ik ken: mijn oude moedertje. Ook in haar rusthuis zijn mensen met het virus besmet. Daarom moet mijn moeder het merendeel van de tijd in haar kamer blijven, en kan ze niet meer dagelijks aperitieven met haar vriendinnen – een groot gemis voor mijn moeder, en tevens een hard gelag voor producenten van goedkope witte wijn.

Hoe is het, vroeg ik.
Och manneke, zei mijn moeder. Gezéllig dat dat hier is.
Want ja, een virus dat het talent voor sarcasme van mijn moeder kan aantasten, moet nog worden uitgevonden.
Ik mag hier niks niet meer, zei mijn moeder. Ik zeg u, zoeteke: als dat hier nog lang gaat duren, dan zal ’t rap gedaan zijn. Vandaag of morgen hebben ze het zitten.
Wat hebben ze dan zitten, moederke?
Dan ga ik heel stout zijn.
O ja, en wat gaat ge dan doen?
Ontsnappen, zei mijn moeder.
Ontsnappen.
Ja. Ik heb al een pet gekocht.
Een pet. Zodat ze u niet herkennen?
Ja.
En hoe gaat ge dan ontsnappen?
Awel, zei mijn moeder. Ik heb hier dat ding, ge weet wel, dat ding dat op uw bed ligt en waar ge op slaapt.
Uw matras.
Ja, mijn matras, die heb ik dus al van mijn bed gehaald en die heb ik – zo! – door het raam gezwierd.
Oké, moederke. En nu?
Springen he.
We moesten allebei lachen.
Ik zei: moederke, dat is vanwege Corona dat gij niet meer naar buiten moogt.
Ja, zei mijn moeder. Maar ik doe daar niet aan mee.
Hoe bedoelt ge?
Ik doe mijn goesting.
Aha. Dus gij wílt Corona krijgen?
Maar natuurlijk. Mankeert daar misschien iets aan? vroeg mijn moeder.
Aan Corona? Ja moederke, daar wordt ge ziek van.
O, zei mijn moeder. Dat wist ik niet. Maar wacht nu eens efkens jongen, want er wordt hier op de deur geklopt.

Mijn moeder legde de hoorn naast het toestel. Ik kon horen hoe ze de deur opendeed, kort met iemand sprak, en de deur weer sloot. Daarna stommelde ze door haar kamer. Even werd het stil. Toen spoelde ze het toilet door. Daarna: opnieuw gestommel in de kamer. Een raam dat openging. Het zachte ruisen van de lentewind. Moederke, riep ik aan de andere kant van de lijn. Zijt ge daar nog?
Maar ik wist dat ze nu in haar stoel voor het raam zat, en genoot van de bloesems aan de takken van de bomen die zachtjes heen en weer wiegden, de vogels die af en aan vlogen, het gras, de bloemen, de eindeloos uitdijende tijd. Mijn moeder was vergeten dat ze met mij aan het telefoneren was, en dat was misschien verdrietig, maar ik wist dat ze niet alleen mij vergeten was. Nee, ze was de hele wereld vergeten en alles wat daar nu gebeurde was voor haar van geen enkel belang – en voor het eerst in lange tijd ervoer ik dit als een buitengewoon geruststellende gedachte, sterker nog, heel even voelde ik een zweem van jaloezie. Daarna heb ik zo liefdevol als dat kon, de verbinding verbroken.

Pin It on Pinterest