Loodgieter.

Om half drie ’s nachts werd het gehele gezin Victoria wakker omdat Lou moest plassen. Dus moest Lola ook plassen. En ik ook. Nadat iedereen geplast had, kropen we weer in bed en Lola riep: ‘Papa, het regent in mijn kamer!’
Dat bleek te kloppen. Dikke druppels aan het plafond. Huize Victoria worstelt al een jaar of twee met een hardnekkig lekkend balkon. Tien weken geleden spendeerden we een paar duizend euro spaargeld om dat euvel ‘voor eens en voor altijd’ te verhelpen. Al die tijd werkten we met een loodgieter over wie ik bijzonder tevreden was omdat hij altijd op tijd kwam, in staat bleek vlot via email te communiceren en wanneer verbale communicatie noodzakelijk bleek, uitstekend articuleerde wanneer hij zijn zorgvuldig opgebouwde volzinnen debiteerde. Kortom, een man die de indruk wekte bekwaam én omzichtig te zijn, een man met een plan die niet alleen het probleem wilde verhelpen maar ook oog had voor de esthetische kant van de zaak – want ik ben dol op ons kleine fijne balkonnetje met houten vlonder, bankje en bloemetjes – iemand van ‘mijn soort’ die niet over één nacht ijs ging. Maar twee jaar is lang.
Terwijl de kinderen bij liefje in bed kropen en ik emmer en dweil onder de druppels positioneerde, begon ik hevig te verlangen naar een klassieker type loodgieter. Eentje die te laat zou opdagen, afwezig mijn hand zou schudden – ‘Theo.’ – mijn exposé over de mogelijke oorzaken van de lekkage totaal zou negeren terwijl hij naar boven stampte onderwijl onverstaanbare, korte, brute zinnetjes mompelend. Waarna hij mijn andere loodgieter zou bellen om te overleggen en terwijl die feilloos articulerend zijn betoog hield, naar mij zou kijken, de telefoon van zijn oor weg zou houden en hevig rollend met de ogen diep zou zuchten waarna hij twee blikken op ons balkon zou werpen gevolgd door drie welgemikte dotten kit op een plek die wij al die tijd over het hoofd hadden gezien.
Vandaag kwam die loodgieter. Bij het afscheid drukte hij mij een zelf gemaakt, gelamineerd visitekaartje in de hand. ‘En nou niet meer naar die rare bellen, oké?'
Ik boog schuldbewust het hoofd. En nu wacht ik vol verlangen op de regen.

Fantasie.

Lola vroeg of de Paw Patrol echt bestaat. Ik zei van niet en dat vond ze jammer. Later die dag vertelde ze een verhaaltje dat ze had verzonnen en het verhaal was precies wat ze die dag allemaal had gedaan en de hoofdpersoon heette Lola en het verhaal eindigde op de plek waar wij zaten, op een stoel aan tafel in de woonkamer, Lola ongeduldig wiebelend op mijn knie terwijl ze zei dat ze een verhaal had verzonnen. Ik begon maar niet over het Droste-effect.
Ik zei: ‘Nu gaan we vertellen wat er vanaf nu gaat gebeuren.’
‘Jamaar,’ zei Lola. ‘Dat is nog niet gebeurd.’
‘Dat maakt niks uit,’ zei ik. ‘Dat is fantasie, dat mag gewoon als je een verhaal vertelt, fantasie is niet hetzelfde als liegen.’
Ik sloeg geen acht op de lege blik in haar ogen die deze woorden genereerden en vertelde over de draak die onder de bank verborgen zat waar zij dadelijk op zou gaan zitten en hoe die heel voorzichtig onder die bank uit zou komen en dat zij daar niets van zou merken omdat ze Paw Patrol aan het kijken was en hoe die draak vervolgens heel voorzichtig aan haar teentjes zou beginnen likken om te kijken of ze lekker waren.
Dat vond ze heel grappig en ik zei: ‘Oké en nu vertel jij het verhaal vanaf waar we nu zitten, verzin maar wat.’ En ze vertelde precies hetzelfde verhaal, over de draak onder de bank, dat ik net had verteld.
Over fantasie gesproken. De afgelopen weken lees ik elke avond een paar verhalen van Jorge Luis Borges. Ik vermaak me kostelijk. Vaak vraag ik me af hoe ik zelf met een verhaalgegeven zou zijn omgesprongen, maar veelal kan ik me nauwelijks iets anders voorstellen dan wat hij ermee heeft gedaan. Dat is meestal een goed teken.

Wilco / Honderd / Sint-Truiden.

Twee jaar geleden publiceerde ik in Passionate Magazine een verhaal over mijn favoriete songtekst in de rubriek Losgezongen. Ik koos voor Jesus Etc. van Wilco. Raar eigenlijk, want ik ben zoals bekend vooral een fanatiek Elvis Costello-fan wanneer het op songteksten aan komt (Costello wordt vandaag 60 trouwens - hiep hiep!), wellicht hebben wij hier te maken met een typisch gevalletje van l'embaras du choix. Alleszins. De papieren Passionate bestaat helaas niet meer, maar hun website is springlevend, en sinds een dag of twee staat ook dat verhaal van mij online en wel HIER.

In dat Wilco-verhaaltje heb ik het over een trip naar New York in november 2001, twee maanden na de aanslagen. Een vrij memorabele trip was dat, om tal van redenen, behalve de reden waarom ik eigenlijk ging: ik begeleidde toenmalig Humo-journalist Gert van Nieuwenhove die daar De La Soul ging interviewen. (Wij spreken nu over de tijd dat ik nog in de wondere wereld der muziekindustrie werkzaam was.) Na die trip verloor ik Gert uit het oog en deze week dook hij plots weer op om mij te wijzen om zijn nieuwe blog Honderd waarin zijn persoonlijke hitparade aftelt. Nou en? Zal u denken. Maar ik herinner mij Gert als iemand met een vrij encyclopedische muziekkennis én een eigen mening. Dus dit is voor muziekliefhebbers wellicht een aanradertje.

Tot slot: aanstaande woensdag ben ik te gast in Sint-Truiden alwaar ik in het kader van Zin In Zomer geïnterviewd zal worden door Kurt van Eeghem. Ook Frank Pollet is van de partij en een en ander vindt plaats in een wonderschone Capucijnenkapel. Meer info HIER. Vooraf is er ook een martinoworkshop maar die is - i kid you not - uitverkocht.

Dat soort schrijver.

Die ochtend vertoefde ik aan de rand van een met kinderen gevuld zwembad op een Franse camping terwijl ik het leven overdacht en alles wat er tijdens mijn vakantie in de wereld gebeurde. Gaza, Israël, MH17, ISIS en ook dacht ik aan de hoogdravende stukken van collega’s die tot engagement opriepen terwijl ik zelf nog maar net mijn laatste lollige WK voetbal-stukje in de Standaard had gepubliceerd. Een licht gevoel van schaamte bekroop mij, daar, in de zon bij het water, en net op dat moment viel een brede schaduw over mij heen en hoorde ik een stem die vroeg: ‘Wat voor schrijver ben jij eigenlijk?’
Ik keek op en herkende een gezette man die de avond voordien deel had uitgemaakt van een gezelschap waartoe ik ongevraagd was gaan behoren tijdens de wekelijkse campingbarbecue waaraan ik onder dwang van mijn dochters deelnam. Meestal zeg ik op zulke gelegenheden dat ik in de ICT werk, maar nu was het me ontglipt voor ik het wist. Onmiddellijk was die ene vrouw die er altijd bij is beginnen giechelen en zenuwachtig had ze gezegd ‘dat iedereen dan maar beter op zijn woorden kon letten’. En zoals altijd had ik beleefd geglimlacht. Want wanneer mensen op hun woorden gaan letten, vertellen ze meestal de interessantste dingen.
‘Ehm. Ik schrijf verhalen en romans,’ zei ik.
‘Dat dacht ik al,’ zei hij op een toon die deed vermoeden dat de lokale autoriteiten gewaarschuwd waren. ‘Luister, ik heb niks tégen cultuur of zo maar ik wil niet in één van uw ‘verhalen’ voorkomen, oké?’
‘Oké,’ zei ik.
‘En mijn vrouw ook niet,’ zei hij.
‘Wie is uw vrouw ook alweer?’ vroeg ik.
‘Pas op hé vriend, ik heb u gewaarschuwd!’
Daarna liep deze overigens volstrekt fictieve man naar de rand van het zwembad en sprong er in.
Wat voor schrijver was ik? Aan het eind van die barbecue, had ik bedacht dat mijn nieuwe roman wel zo ongeveer in de steigers stond, zo mooi was het materiaal dat het gezelschap mij nietsvermoedend cadeau had gedaan. Maar nu, ingeklemd tussen wereldleed en campinganekdotiek, voelde ik me plots schuldig, nutteloos en zwak. Mijn tot engagement oproepende collega’s hadden gelijk: ik was geen schrijver, geen echte, ik was zo’n gast die schrijver wou zijn, ik schreef omdat ik dacht dat ik het was – maar misschien moest IK maar eens wat beter op mijn woorden gaan letten.
Ik liet mijn blik over het water gaan. De fictieve man kwam boven in het midden van het zwembad, schudde de schaarse haren op zijn hoofd als een hond, nam zijn vrouw bij de polsen vast en duwde haar lachend naar de kant. Dat ging bruusk, en zij gilde en riep ‘nee nee stop nou gek’ en al snel stond ze met haar rug tegen de zwembadrand. Rode striemen verschenen in haar vlees. Ze zat klem tussen de armen en de buik van de fictieve man en deze diepte een oranje spons op uit het kruis van zijn zwembroek en begon de vrouw daarmee op het hoofd te slaan, hard en lang, en zij onderging het, gelaten, terwijl de druppels die van haar natte haren over haar gelaat liepen zich vermengden met haar tranen.
En ik, ik haalde mijn notitieboekje boven, verontschuldigde mij in gedachten aan alle wereldleed en schreef het op. Want dát soort schrijver ben ik dus, en daar zal ik het mee moeten doen.

Anders.

Ik was nooit eerder zo moe op vakantie vertrokken. En toen we eenmaal goed en wel aan de rand van het zwembad zaten, zeiden mijn hersenen: ‘Luister vriend, dat was allemaal leuk en aardig wat je dit voorjaar hebt uitgespookt, knap ook, hoe je van de ene opdracht naar de andere klus rende en tussendoor een boek uitbracht maarrrrr: nu gaan we het er eens over hebben.’
Zo. Dat waren lange gesprekken.
Soms werd ik midden in de nacht wakker en dacht terug aan de oogopslag die ik bij iemand had waargenomen drie maanden eerder en wat die te betekenen zou kunnen hebben gehad. Ondertussen stond de wereld in brand. Dat zorgde dan weer voor schaamte. Jezus, had ik, als schrijver, echt niks beters te doen? En toen las ik allemaal columns van collega-schrijvers die vonden dat wij iets beters te doen hadden en dacht ik: echt niet. Zinnen die ik anders had willen opschrijven, gesprekken die ik anders had moeten voeren, fouten en nalatigheden van anderen maar vooral mijn eigen slappe zelf die hen er mee weg had laten komen. Ja, de sfeer zat er goed in, in dat hoofd van mij. Na twee weken was ik compleet uitgeput.
De derde week haalde ik de oude vishengel van mijn vader boven die ik in een impulsieve bui op het laatste moment in de koffer had gegooid en liep naar de rivier die de camping doorkruiste. Ik begon te vissen. Had ik al jaren niet meer gedaan. Valt van alles over te zeggen en op aan te merken. Kan mij niks schelen. De eerste middag ving ik vier vissen en ik dacht aan niets. Daarna liep ik terug naar de tent, ging in de hangmat hangen, zette nog één keer de voornaamste zaken aangaande dit voorjaar op een rij die mij dwars zaten, schreef ze op en besloot: deze dingen ga ik anders doen. Welke dingen dat precies zijn? Nu ja. Alles.


Giel op 3FM.

Vanochtend was ik te gast bij Giel Beelen op 3Fm om te praten over de Lowlands literatuurprogrammering maar ook over Dieven van vuur, waaruit ik een stukje mocht voordragen onder soundscapegewijze begeleiding van Giel zelf. Je kan het hieronder terugkijken, want ja, radio is tegenwoordig ook televisie. Wat niet eigenlijk?

3FM / Bob Dylan / Lowlands.

Even een nieuwsbericht. Morgenochtend, tussen zeven en acht, ben ik te gast bij Giel Beelen op 3FM om er te praten over de Lowlands literatuurprogrammering en een stukje voor te dragen uit Dieven van vuur. Okidoki. Dezelfde avond nog sta ik een uitverkocht Concertgebouw met allemaal mensen die veel beroemder zijn dan ik om eer te betonen aan Bob Dylan. Ik heb een gedicht geschreven samengesteld uit zinnen uit vijftien verschillende Bob Dylan-songs. Je moet wat. Daags nadien vertrek ik naar Lowlands waar ik 's zondags ook nog optreed met Waumans & Victoria. Ter voorbereiding daarop las ik Feest van het begin, de AKO-winnende roman van Joke van Leeuwen die bij ons te gast is op Lowlands. Dat is een goed boek. Over goede boeken gesproken. Op vakantie las ik On Chesil Beach van Ian McEwan, Monte Carlo van Peter Terrin, Poppy en Eddie van Herman Brusselmans en Een geval van ordeverstoring van Richard Yates. Dat zijn allemaal - i kid you not - goede tot zeer goede boeken. En kort. Korte goede boeken zullen de literatuur van de ondergang redden. Wellicht daarom dat ik nu Cloud Atlas lees van David Mitchell. Een heel dik en raar boek; ik ben op 100 bladzijden van het eind en pas nu begin ik het erg goed te vinden, maar toch kostte het me weinig moeite om die eerste 400 pagina's door te komen, dus ja.
Afijn. Dit is al lang geen nieuwsbericht meer. Maar het was een eeuwigheid geleden, van toen de Belgen nog Wereldkampioen voetbal waren, dat ik hier nog iets schreef. De vakantie is voorbij. Ik heb weer zin om te schrijven. Ik ga het vanaf volgende week doen. Ook hier.

WK-column De Standaard (5): geen reserves.

Zondagochtend. Ik sta in de keuken en ik snij appelsienen in vieren. Het zijn die tien, vijftien minuten wanneer de moeder en de kinderen nog slapen. Buiten het zomerse ochtendlicht, binnen de stilte; alleen het rinkelende gezang van glazen flessen die op de koelkast staan, dicht bij elkaar, alsof ze huilen, en het getik van mijn mes dat het hout raakt.
Ik denk aan de avond voordien, toen ik tussen tweehonderd Amsterdamse Belgen stond. Er was niets gegaan zoals gewoonlijk. Om te beginnen had Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond een professioneel scherm geïnstalleerd, in tegenstelling tot de vorige keer, toen er naar goed oud-Belgisch gebruik een vergeeld projectiedoek had gehangen en de beamer met behulp van een paar bierviltjes net niet waterpas stond. Wat was daar mis mee? En tijdens de wedstrijd liet het beeld op dat professionele scherm het ook nog eens afweten. Al in de eerste helft waren er digitale blokjes verschenen, die het spel van de Belgen exact weergaven zoals het was: haperend. Ach, hoe vaak heb ik al niet de genen in mijn lichaam vervloekt die ervoor zorgen dat ik in álles symboliek zie. Maar ik bleef hopen, net als u, tegen beter weten in, ik bleef hopen. Op de bank. Onze reserves. Op de geniale wissel die alles zou veranderen – en hij was gekomen, een uur of vijf te laat, en hij zal mij blijven achtervolgen voor de komende vier jaar.
Ik trek het vruchtvlees met mijn blote handen van de schillen en gooi het in de sapcentrifuge. Ik kijk naar de kwartjes appelsien die voor mij op de snijplank liggen en zie mezelf zitten in de kleedkamer tijdens de rust van mijn laatste voetbalwedstrijd voor het roemruchte KFC Michiel uit Emblem, vlak voor de verhuis naar Amsterdam. (Als speler had ik veel weg van Dries Mertens. Ik had weliswaar niet zijn snelheid, noch zijn dribbel of schot maar verder: twee druppels water.) Hoe de délégué van onze ploeg binnenkwam met een plateau van één of ander biermerk, vol met kwartjes appelsien. Wanneer je in die appelsienen beet, vermengde het zweet dat op je hals en borstkas stond zich met het sap dat uit je mond droop en je kaakspieren trokken strak van het zuur. En terwijl wij elk twee of drie kwartjes aten, opende onze kapitein de deur van de kleedkamer en stak een sigaret op. Het was een stille, bonkige kerel, het type Mascherano zeg maar, die op de meest onverwachte momenten in woede kon ontsteken – er huisde iets in zijn lijf dat ik nooit heb begrepen, maar het was er altijd, smeulend als een vuur.
Ik giet het sap in een beker. Drink. Zuur. En ik besef dat ik vannacht, bij thuiskomst, precies zo op ons balkon heb gestaan: rokend, smeulend, als die kapitein in de open deur van onze kleedkamer terwijl hij uitkeek over het veld dat leeg was. Of misschien liepen er een paar reservespelers zich op te warmen, dat kan. Spelers van de tegenstander; wij hadden geen reserves.


Tijdens het WK verscheen de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn vijfde en laatste bijdrage, van maandag 7 juli.