Zeg het maar.

Het was tijdens het hardlopen dat ik aan deze plek moest denken en dat ik hier niet meer schrijf, sinds een tijdje, waarschijnlijk omdat ik elders des te harder schrijf. Tijdens het Das Mag Festival afgelopen zaterdag had ik een gesprek met iemand over het belang van plezier hebben in wat je doet zonder dat je het jezelf daarom makkelijk moet maken en de conclusie, kort door de bocht, was dat dit plezier nauw verbonden is met waarachtigheid. Iedereen zal je doorzien, altijd, en anders volstaat het wel dat er simpelweg iemand aanwezig is om ervoor te zorgen dat je jezelf doorziet – hetgeen nog erger is.
Afijn, ik liep hard, ik had op motregen gehoopt, een flinterdun laagje spikkelwater op mijn windjack en een zacht, regelmatig zuchten in mijn oren alsof iemand er grote zeeschelpen tegen aan drukte maar er was zon en de plas achter het Flevopark was glad en onverstoorbaar.
Pas veel later, aan een tafeltje in de stad, werd het koud en veel mensen vroegen mij: ‘En? Hoe zit het met jou? Wat doe je? Wat ga je doen?’
En ik zei: ‘Zeg het maar, zeg jij het maar wat ik moet doen.’
Niemand wist het.

De Witte Duivel.

Een nieuw Vlaams tijdschrift voor de betere voetbalverhalen is geboren: De Witte Duivel. Het eerste nummer is vanaf vandaag te downloaden en bevat onder meer een herwerking van mijn verhaal 'Het verraad van Vitosha' dat ik eerder publiceerde in Hard Gras. Check het HIER.

Fauser.

Afgelopen zaterdag werd op het Nijmeegs Boekenfeest de graphic novel Fauser voorgesteld. Een uitgave van Literair Productiehuis Wintertuin, over een hedendaagse antiheld, waarbij voor elk hoofdstuk een schrijver aan een tekenaar werd gekoppeld. Ik deed het met Chiel te Bokkel. Ook van de partij: Maartje Wortel, Henk van Straten, Anton Dautzenberg, Erik-Jan Harmens, Walter van den Berg en uiteraard de legendarische Vele Anderen. Info en bestellen HIER.

(Op die boekpresentatie kon ik helaas niet aanwezig zijn omdat ik het Boekenbal in zowel fysiek als mentaal opzicht nog lang niet had verwerkt. Vandaag gaat het (iets) beter, met name fysiek.)

Silke.

Deze week schreef ik elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Dit is het laatste verhaal van de week, gebaseerd op een bericht over Prins Laurent en een over de spooksuper van Soesterberg.

De slagbomen van de spoorwegovergang hangen voor Sebs neus die op zijn beurt boven het fietsstuur zweeft waarop zijn armen rusten, gekruist. Links van Seb ligt de oude begraafplaats. Aan de overkant van de spoorweg: ’t Ouwe Dorp, zoals ze zeggen. Een kleine verzameling zwijgende huizen met norse gevels, hun bewoners al zo lang dood en begraven dat de zerken zijn verzakt en het station haast opgelucht lijkt dat het is gesloten na veel te lang open te zijn gebleven terwijl er niemand meer kon vertrekken of naar hier wilde komen. Een plek die alleen doordeweeks nog door de Superette in leven werd gehouden, omdat zoveel mensen er langs moeten, op weg naar de dorpen en steden landinwaarts, mensen voor wie deze streek vertier is terwijl iedereen die hier woonde er juist van droomde om te vluchten. En nu is ook de Superette dicht.
De trein komt eraan. Seb legt aan met een denkbeeldig geweer en richt op de muur van rammelende wagons die voorbij dokkert, laat zachtjes de schoten tussen zijn lippen ontsnappen.
Hij steekt over, fietst langs de twee perrons, met onkruid bedekt, en het station - dichtgetimmerde ramen, een dode klok - tot voor de Superette, die dof en gesloten het ochtendlicht weerstaat. Seb komt tot stilstand, zet beide voeten op de grond en sluit de ogen. Iedere keer wanneer hij hier is wordt hij overvallen door het allesomvattende van deze plek, omringd door eindeloze weiden, onder de oeverloosheid van staalblauwe lucht. Alsof iemand twee werkelijkheden heeft genomen en in elkaar heeft geschoven. En te midden van dat alles: Silke, achter de kassa. Ze leest een tijdschrift en wit licht valt op haar, als ijs. Silke, gevangen in glas en rekken gevuld met producten waarvan de vervaldatum is verlopen. Silke, die hem een pakje Kent toeschuift en zegt: ‘Jij rookte toch rode Gauloise?’ Silke, roerloos oplichtend in de duisternis van zijn hoofd.
Het kost hem allemaal zo weinig moeite het te zien. Te weinig moeite. En dan zet Seb zijn rechtervoet op de rechtertrapper, duwt hem hard naar beneden, en opent de ogen.

Twintig frank.

Deze week elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over de Belgische frank nav de kredietsoap rond Griekenland.

We waren in Artis en Lola wilde in zo’n karretje. Ik zei dat ze daar niet meer in paste. Het is waar. Lola hield vol. Ik zei dat ik geen stuk van twee euro had maar Lola herinnerde mij eraan dat ze haar portemonnee in mijn tas had gestoken. IJverig rommelde ik door de Albert Heijn-munten, Dollarcenten en Lowlands 2001-muntjes die samen het kapitaal vormen waarmee wij onze oudste dochter op speelse wijze de basisbeginselen van het kapitalisme trachten bij te brengen en plots ontwaarde ik een muntstuk van twintig Belgische franken.

Ik herinner mij nog goed de introductie van het muntstuk van twintig frank, in het gezegende jaar 1980. Toen de euro nog slechts een droom was, en Griekenland een onbezorgd vakantieparadijs. Daarvoor had je alleen maar muntstukken van 25 centiem, één, vijf en tien frank en vanaf twintig frank begonnen de briefjes. Om te verdoezelen dat twintig frank in 1980 echt geen briefje meer waard was, hadden de ontwerpers er een prachtig glanzende goudkleurige munt van gemaakt. De eerste maanden na de introductie spaarde mijn moeder stukken van twintig frank. Het stond rijk: een pot vol goud, gewoon op het aanrecht bij je thuis.

Ik liet de munt door mijn vingers glijden. Hij was dof geworden van de jaren in eenzaamheid en duisternis. Ik liep naar Lola toe en stak ‘m in de gleuf van het karretje. Paste precies. 
Kortom. Als de euro straks verdwijnt, volstaat de herintroductie van het twintigfrankstuk om alvast te vermijden dat alle winkelkarretjes van Nederland en Vlaanderen verbouwd dienen te worden. Sterker nog, het lijkt mij verstandig om het twintigfrankstuk in heel Europa in te voeren. Twintig frank, dat is een halve euro. Denk aan hoe het zal voelen – een pot vol goud op het aanrecht terwijl buiten de depressie woedt.

Lola stapte in het karretje. Ook dat paste nog net. En zo werd het al bij al een uitermate geruststellende middag te midden van tal van exotische dieren die verder ook geen idee hadden.

Vreugde.

Deze week elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over de onredelijke vreugde van de voetballer, n.a.v. de Champions League, die weer van start is gegaan.

De laatste man en de keeper stoomden op tot aan de middenlijn. Achter hen lonkte een leeg doel. De stand was 2-2. Tien seconden op de klok. We hebben het over zaalvoetbal.

Hij dacht: ik ga doorjagen. Hij wist niet waarom. Het was niet zijn stijl, doorjagen. Hij was meer het type dat aan het doel stond te wachten tot iemand hem een intikkertje aanbood. Maar nu legde de keeper de bal breed op de laatste man en hij joeg door. Daar had de laatste man duidelijk niet op gerekend en in wat Johan Cruijff zou omschrijven als een klassiek oeh-ah-moment (de bal klemde tussen hun beide rechtervoeten en dreigde – oeh! – over zijn wreef heen te wippen totdat hij hem met een uiterste krachtinspanning – ah! – onverwachts in zijn voordeel via zijn scheenbeen wegduwde) ontfutselde hij de bal. Nu ja. Onfutselde. De bal was weliswaar niet meer in het bezit van de laatste man maar ook nog niet in het zijne. Tergend langzaam dreigde hij over de zijlijn heen te rollen. Terwijl een onzichtbare kracht het bloed uit hun kuitspieren zoog, sleurden en trokken de laatste man en hij elkaar tot bij de bal alwaar hij erin slaagde hem met een wel zeer onzaalvoetbalachtige sliding een fractie van een seconde eerder te raken. 
Daar lagen ze, de laatste man en hij. Samen keken ze een bal na die over een afstand van zo’n 20 meter in de richting van het lege doel zweefde, recht op de linkerpaal af, een half metertje boven de grond, totdat een speling van het lot dat laatste zwiepertje gaf waardoor de bal alsnog de paal ontweek en tegen de netten sloeg.
Hij keek op en zag de laatste seconde wegtikken op het elektronische scorebord. Meteen daarna barstte een verpletterend gejuich los en zag hij zichzelf met gebalde vuisten richting zijn ploegmaats lopen.
En toen gebeurde het. 
Hij ervoer vreugde. 
Het was een akelige vreugde, met een ongepaste intensiteit, het was een oerknal van geluk, zonder reserve, zonder nijd, het soort van vreugde dat alleen maar gevolgd kan worden door spijt.

En terwijl heet water in harde stralen op hem neersloeg, vroeg hij zich af wanneer hij voor het laatst zo blij was geweest. Hij kon niet meteen een moment verzinnen. Een geboorte, een huwelijk, een overwinning op tragisch onrecht na jaren. Dát waren momenten die zo’n vreugde rechtvaardigden, dat was zeker, maar vreugde is niet rechtvaardig, ze kiest zelf haar momenten, niet gehinderd door enige mate van redelijkheid of proportie. Vreugde is een bitch.

Het was schaamtelijk. Hij dacht aan de geboorte van zijn oudste dochter. Hij overwoog het moment waarop hij besefte dat zijn vrouw zijn vrouw was. Was hij toen zo blij? Het was mogelijk. Maar hij durfde het niet zeker zeggen. Het was slechts mogelijk. 
En aan die mogelijkheid klampte hij zich vast.

Jamal.

Deze week elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over Carnaval, dat gisteren eindigde.

Toegegeven, niet iedereen binnen onze carnavalsvereniging, De Deurdouwers, vond het een goed idee van Jamal om zich dit jaar als jihadist te verkleden maar hij was niet van zijn plan af te brengen.
‘Jullie hebben toch altijd de mond vol over integreren?’ zei hij. ‘Nu doe ik eindelijk eens mee, is het weer niet goed.’
Ik begreep het wel. We zijn hier samen opgegroeid, Jamal en ik. Zijn vader was de eerste Marokkaan in onze straat. ‘Ja, zo’n buurt was dat hier toen nog,’ zegt mijn moeder wel eens maar eerlijk gezegd zou ik niet weten wat voor buurt het nu dan is. Al jaren proberen we Jamal te overhalen om met de Deurdouwers carnaval te vieren maar hij wou er nooit van weten.
‘Ik begrijp het gewoon niet,’ zei Jamal. ‘Het is niet alleen carnaval. Geef een Nederlander een vrijgezellenavond, een verjaardagfeestje, een 5-jarig bestaan van de bridgeclub, een bedrijfsuitje of gewoon heel veel bier zonder welbepaalde reden en hupakee daar zetten Koningin Beatrix, Ruud Gullit, een stewardess van Easyslet en een meloen eensgezind de polonaise in. Anders is het niet ‘gezellig’. Wat is dat toch met die nationale drang om je alsmaar voor te doen als iemand anders? Ik vind het al moeilijk genoeg om mezelf te zijn.’
Maar dit jaar had hij zich plots spontaan aangemeld en dat werd aanvankelijk op groot enthousiasme onthaald binnen De Deurdouwers, tot hij dus zijn plan ontvouwde.
‘Kom op,’ zei hij. ‘Jihadist. Ik laat er verdorie al een jaar lang mijn baard voor staan, die opplakdingen jeuken zo.’
‘Nu ja,’ zei de voorzitter. ‘Uiteindelijk is carnaval ook het ultieme feest van de vrijheid van meningsuiting. Iedereen moet kunnen zijn wie hij of zij wil.’
‘Oké,’ zei ik. ‘Maar dan moet er ook iemand als cartoonist gaan.’
‘En iemand als Jood,’ zei een ander.
‘Een paramilitair,’ riep een derde.
‘Ik doe wel een onthoofde gijzelaar,’ stelde iemand voor.
‘Mooi, prima.’ zei Jamal. ‘Heeft er dan misschien iemand nog een automatisch geweer liggen dat ik mag lenen?’
Daar moesten we allemaal erg om lachen. En ik moet toegeven: tijdens de optocht zagen De Deurdouwers er dit jaar best apart uit, maar we zongen uit volle borst en we dronken er geen biertje minder om. Alleen Jamal leek een beetje gespannen en niemand wist waar hij die buitengewoon realistische replica van een AK-47 vandaan had. En toen ontplofte er ook nog, vlak naast zijn oor, een enorme confettibom. En zo werd het al bij al toch weer een carnaval om nooit meer te vergeten.

Twee beren.

Deze week schrijf ik elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over Grizzlyberen, naar aanleiding van dit bericht.

Toen Leon eenmaal goed en wel wakker was, kroop hij ietwat stijf en stram zijn comfortabele grot uit, de frisse buitenlucht in. Onmiddellijk werd hem duidelijk dat er iets niet helemaal in de haak was.
‘Martha!’ riep hij. ‘Martha! Kom buiten. Nu!’
Vanuit de grot weerklonk enig moeizaam gekreun.
‘Martha!’ riep Leon. ‘Kom nu naar buiten of je kan een klauw voor je bek krijgen.’ Weinig mensen weten dit maar binnen de populatie van grizzly beren heeft de vrouwenemancipatie nog een lange weg te gaan. Alleszins. Daar kwam Martha.
‘Jezus, man,’ zei ze. ‘Ik lag nog lekker te soezen. Mag het even?’
‘Martha,’ zei Leon. ‘Wat voor dag zijn we vandaag?’
‘Weet ik veel,’ zei Martha. ‘Vijftien maart toch? Jij hebt de wekker gezet.’
‘Dat is het ‘m juist, Marthaatje,’ zei Leon en hij ademde diep in, door zijn neus. ‘Dat is het ‘m juist. De wekker is nog helemaal niet afgegaan. En dit is niet hoe maart ruikt, zoveel kan ik je wel vertellen.’
‘O,’ zei Martha. ‘Dus ik had gewoon nog even kunnen blijven liggen? Lekker is dat.’
En zo stonden ze daar, gedurende enkele minuten, in stilte. Leon wreef bedachtzaam met zijn berenpoot langs zijn berenkin terwijl hij zijn berenogen vernauwde en de schaduwen bestudeerde van het rijtje imposante Douglas Firs sparren die iets verderop het begin van een niet onaardig bos markeerden, waar Leon en zijn vrouw des zomers graag een wandelingetje mochten maken.
‘Ik heb nog nooit zulke lange schaduwen gezien,’ zei Leon. ‘Niet half maart. En geen sneeuw.’
‘Misschien krijgen we het nog. In april, of mei,’ zei Martha. 'Zou leuk zijn voor de kinderen.'
‘Het is raar,’ zei Leon. ‘Ik vertrouw dit hele zaakje niet.’
‘Tja,’ zei Martha. ‘Wat doe je eraan. Ik zal je een ding zeggen: het voordeel van vroeg opstaan is dat de bizonkadavers tenminste nog niet verrot zullen zijn, hé, weet je nog, vorig jaar?’
‘Nou,’ zei Leon. ‘Dan ga ik maar op pad. Eens kijken of de buren al wakker zijn.’
‘Maak je maar niet te druk,’ zei Martha. ‘De natuur die gaat zijn gangetje wel. Nou, wil je nog koffie voor je vertrekt?’
‘Nee, nee,’ zei Leon. ‘Straks misschien.’ En hij bleef verwonderd om zich heen kijken. Martha draaide zich om en maakte aanstalten om weer naar binnen te gaan.
‘En wat ga jij doen?’ vroeg Leon. Hij klonk plots leeg, en breekbaar. ‘Ga je nog wat slapen?’
‘Ben je gek?’ zei Martha. ‘Straks worden die twee kleine griezels van ons wakker en o wee als ik dan nog geen broodjes heb gesmeerd.’