Ome Lex in De Morgen.

Vandaag in de boekenbijlage van De Morgen: een hele pagina over Ome Lex, de hoofdfiguur uit Gelukkig zijn we machteloos, en meer bepaald over de gelijkenis tussen Ome Lex en acteur Dirk Roofthooft. Dit alles in de rubriek Fictief personage, echt bestaan. Inclusief een geweldige illustratie door Brecht Evens die ik maar wat graag aan de muur van mijn werkkamer zou willen - misschien moet ik hem vragen aan Sinterklaas.

Spinnen.

Boven ons trommelen de slagregens op het dakraam, een complex ritme dat de melodie van het water ondersteunt dat door de goot naar het balkon stroomt. Ik lig op mijn rug, met beide armen langs mijn lichaam en de benen gestrekt, de ogen gesloten en ik denk aan het gat in het plafond in de gang dat de loodgieter eerder deze week heeft gemaakt. Hij had niks gevonden.
‘Alleen spinnen,’ zei hij. ‘Het zit daar vol met spinnen.’ Hij leek verbaasd. Ik had niet anders verwacht. Ik zie ze elke nacht. Ze kruipen tussen isolatiemateriaal en timmerwerk door, ze zitten in de spouw van de muur, het zijn er honderden, duizenden en indien niet, dan meer. Als je alle dode materialen in huis weg zou denken dan hield je ons vieren over, zwevend boven de vloer, omgeven door zwarte, krioelende, harige muren. Dat zou uiteraard schrikken zijn, zeker voor de poezen.
De regen valt. Er zit een gat in het plafond. De spinnen wachten nog slechts op het juiste moment. Ik draai me om, mijn hand landt op een arm. Ik besluit dat je ook zou kunnen zeggen: ze houden ons warm.

Favoriet.

Meestal ga ik al om half twaalf een broodje halen omdat het dan nog rustig is en er wellicht tijd is voor een praatje met de dames die de winkel runnen, vrolijke dames, en uiteraard heb ik een favoriet – wijs mij een klein gezelschap van dames aan en binnen luttele seconden zal ik er feilloos mijn favoriet tussenuit pikken en vervolgens zal ik er alles aan doen om ook haar favoriet te worden, dat zit nu eenmaal in mijn aard en volgens mij is er weinig mis mee, een kleinigheid misschien, soms, wie zal het zeggen.
Maar nu was het al na enen en de winkel stond ramvol en mijn favoriet maakte geen broodjes maar de sapjes – ik neem nooit een sapje zij het in de herfst wel eens een soepje – en de twee andere dames werkten snel en zwijgzaam, dat was ook al raar en de vierde, een nieuw Italiaans meisje, was boven de broodjes aan het bakken en stormde af en toe de steile trap af met een lading rosbief of kaas en de andere drie riepen dan simultaan, zonder op of om te kijken ‘Piano, piano!’ en inderdaad: het is een steile trap, bijna net zo steil als de onze thuis waar ik nu bijna drie jaar geleden vanaf flikkerde, mijn achterhoofd raakte met een droge klap de vijfde trede en daardoor weet ik nu precies weet hoe lang ik kan typen voordat de hoofdpijn in zet – handig voor mij maar verder heeft er vrijwel niemand iets aan.

Raar.

Het aperitief was ingeschonken en er was op de gezondheid van de gastvrouw geklonken toen iedereen naar mij keek en iemand zei: ‘Amai. Jullie hebben het goe vlagge daar in Nederland hé, met die Zwarte Piet-discussie. Hohoho.’
‘Ja,’ pikte een tweede in. ‘Wadisdazeg? Gelukkig hebben wij daar hier geen last van.’
‘Ongelofelijk,’ volgde de derde. ‘Terwijl iedereen toch weet dat Zwarte Piets zwart ziet van het roet en…’
Ik hief mijn hand op, ik reageerde razend snel, op mijn erewoord. Ik wilde nog roepen: pas op, het is net als wanneer je je huis verkoopt; zodra je inhoudelijk ingaat op de argumenten van de bieder, kan de prijs nog maar een kant op: omlaag. Maar het was te laat.
Na twintig minuten viel er een stilte en ik zei: ‘Jullie hebben nu een Zwarte Piet discussie.’
De stilte werd dieper, stiller – als dat kon. Er viel werkelijk niets te horen, alleen maar het geluid van hout op hout, de blokjes waarmee Lola en Lou speelden aan mijn voeten, op de parketvloer, die blonk.
Op de terugweg naar huis wees ik naar weilanden aan onze rechterzijde en de lucht die er boven hing als een zwevende plas rode verf waarin iemand druppels wit had laten vallen.
 ‘Wow,’ zei Lola. ‘België is een raar land.’

Brug.

Bovenop de Magere Brug hield ik halt. Ik fiets er elke ochtend overheen, op weg naar werk, meestal nietsontziend maar er zijn van die dagen. De sluizen ter hoogte van Carré lagen er onbewogen bij, in sluiers van mist, waardoor ze niet langer meer een vakantiefoto waren van een Japanse toerist maar een oud en breekbaar schilderij, seconden voor het definitief verkruimelt.
Ik leunde met beide armen op het stuur, in gedachten verzonken, maar zonder dat er een werkelijke, concrete gedachte vorm kreeg. Er cirkelden een paar boten over het water, tenminste, vage silhouetten die mogelijk wezen op iets wat echt bestond – boten? – maar mogelijk, of net zo goed, niet. Zij wachtten tot de sluizen open zouden gaan en zo raakten ze me aan, als geruchten of het schijnsel van de sterren maar ik, ik wachtte op het schijnsel van de zon en wanneer die verdwenen mocht zijn en de bol om redenen die ons nog lang zouden bezig houden niet langer meer zichtbaar bleek, dan wachtte ik wel op de felle leegte in de hemel.

Vet.

’s Ochtends loopt Lola door de woonkamer, over en weer, staat stil voor de televisie, zwaait naar haar eigen beeltenis in het donkere scherm.
Ik zeg: ‘Wat doe je?’
Lola zegt: ‘Ik speelde dat ik dacht dat ik een inbreker zag en toen belde ik de politie en de politie zei: nee hoor, dat is alleen maar je spiegelbeeld.’
En ze loopt naar me toe, leunt tegen me aan, duwt met haar hoofd tegen mijn schouder als een poes, neemt het boek dat ik aan het lezen ben, slaat het open op een willekeurige pagina en begint luidop voor te lezen. Een scène waarin een kat wordt gewurgd en opgehangen.
De avond valt, de kinderen kijken Paw Patrol.
‘Wow papa, dit is een heftige film,’ zegt Lola.
‘Gewoon heftig?’ vraag ik. ‘Of mega super vet heftig?’
‘Dat vet heb je van mij,’ zegt Lola.

Pastiche.

Om mij heen de rekken en blikken en flessen en de mensen en het licht, dat op mij drukt en de woorden die de mensen spreken, de verdichting van klanken, steeds meer klanken die mij verdrukken en waar ik mijn weg doorheen baan met dat karretje, onzeker metaal op dunne wankele wielen, de lege boodschappentas aan het haakje, bungelend, opgehangen als een dode kat en bij de kassa staat een vrouw met een mandje, een oranje mandje dat aan haar arm bungelt, ophangen, let op, hier ontstaat iets, een verbinding van enige soort en haar dochter staat naast haar, bleek, jong, verwijderd van haar moeder, ze staan vlak naast elkaar maar toch is er afstand, zie ik de afstand, de frisse jonge vrouw, de moeder met een gezicht, zo zwaar opgemaakt dat het aan haar schedel lijkt te zijn opgehangen, ze staat naast me maar niet in de rij en ze maakt een beweging naar voren, het is een manoeuvre, een bewegen naar de kassa toe waarboven pancartes hangen met reclame aan touwtjes, opgehangen, opgehangen, hier begint zich iets te formeren, er ontstaat een verbinding, de tas aan mijn karretje, het mandje aan haar arm, het gezicht aan haar schedel, de pancartes aan de touwtjes en de vrouw die me aankijkt en zegt: ‘Ik probeer niet voor te dringen hoor!’
En ik zeg: ‘Hoezo? Hoezo probeert u niet voor te dringen?’
Ze kijkt me aan, verbijsterd. Om ons heen komt alles tot stilstand. De mensen, het licht, de rekken, de blikken, de flessen, de klanken, de lippen. Niets kan de stilte overstemmen.

Vijand.

‘Zo, dus we hebben een nieuwe vijand?’ vroeg Liefje bij het ontbijt. Ik las de krant. Ik lees altijd de krant bij het ontbijt, al mijn hele leven, maar pas sinds ik het op een iPad doe krijg ik er af en toe een opmerking over. Nochtans is de krant lezen bij het ontbijt een grondrecht van de Westerse man, zoals iedereen weet. (En als de vrouwen het willen, kunnen ze het ook krijgen. Zo moeilijk ben ik in die dingen niet.) Dus ik zei: ‘Zo, ben je daar nu al achter?’
‘Nee hoor,’ zei Liefje. ‘Ik wist het al.’
Ik las verder in de krant.
‘Goed hé,’ zei Liefje.
Ik keek op.
‘Een vijand hebben. Goed toch? Daar worden de mensen gelukkiger van.’
‘Ga je nu bij het ontbijt zitten filosoferen?’ vroeg ik.
‘Nee hoor,’ zei Liefje.