Het mysterie.

Weet je, ik hield van deze loodgieter. Maar nu staat hij hier en ik zie plots dat hij een buikje heeft. Op zijn hoofd een grijs restje wol, uit elkaar getrokken door een poes. Zijn blik op de grond gericht, de groeven in zijn gelaat diep, gevuld met stof. Zijn woorden – ooit glashelder, analytisch, van een welsprekendheid die zelden is vertoond in deze beroepsgroep – slepen zichzelf vermoeid uit zijn mond. Achter hem het balkon, één vlonder staat rechtop, naast het houten bankje waarop de asbak staat; de laatste tijd moet ik hem weer geregeld legen. Een stuk dakbedekking ligt open en bloot in de zon, een zielig plasje water zoekt beschutting in een hoek, onder de houten buitenbetimmering, vlakbij het mysterie. De loodgieter zucht. We kennen elkaar nu al een paar jaar. Ik heb vertrouwen gehad – en hij weet het.

Zachte lucht.

Er ligt een jongen op de grond, onder een struik, op een lichte glooiing in het terrein, een meter of twintig van de schuur. Hij kan niet veel ouder zijn dan achttien maar zeker wel achttien, anders krijg je die dingen niet – hoewel, er zijn altijd manieren. Hij heeft een helm op die zijn volledige gelaat verbergt maar ik weet vrij zeker hoe zijn ogen staan; leeg en strak en zonder emotie. Hij richt geduldig, hij wacht tot één van de anderen verschijnt. Het is niet de bedoeling om geraakt te worden maar geen enkele van zijn vrienden heeft zoveel geduld als hij. Hij ligt, hij richt, hij wacht, hij verlangt naar de geur van kruit. Hij is niet verrast dat Stijn de eerste is die verschijnt. Stijn is altijd onrustig. Hij wordt liever geraakt dan dat hij wacht – gebeurt er tenminste nog wat, Stijn wil iets om over te praten, onderweg naar huis, op de fiets. De jongen zegt liever niets. Hij ligt, hij richt, hij hoopt op de geur, de klap, de terugslag; hij schiet. Maar er gebeurt helemaal niets. Hij ruikt helemaal niets. Alleen de lucht. De geur van zachte lucht. Zelfs Stijn hoort hij niet.

Broodje.

Ik dwaal door mijn werkkamer, kijk naar de muur, waaraan papieren hangen, waarop woorden staan die ik niet langer begrijp. Rondvaartboten loeien, toeristen vrolijk blatend langs de gracht – iedereen doet maar wat, behalve ik. Ik bestudeer het vast tapijt. Het is een jaar geleden dat ik hier mijn intrek nam. Op de vensterbank ligt een flinterdun laagje stof. In de koelkast staat een lege tupperware doos; aan de overkant is een uitstekende broodjeszaak die ik vanuit mijn raam net niet kan zien. De dame van de broodjeszaak is platinablond, meestal steekt ze haar haren op en dan kan je de kleine, oosterse tatoeage in haar nek zien wanneer ze zich omdraait om een broodje uit de mand te nemen. Haar grote groene ogen bewegen mee op het ritme van haar snelle, kwieke woorden, ik denk dat ze praat zoals ze rent, ik kan ze zien rennen, giechelend door de duinen – de zee bruisend in de verte – met andere jongens, andere jongens dan ik. Straks zal ze naar me knipogen en een grapje maken terwijl ze de klant voor mij bedient, het zal waarschijnlijk een grapje zijn over writers block. Daarna zal ik terug naar hier komen. Bij de deur zal ik de twee verkeerd bestelde enveloppen zien liggen die ik niet terug op de post heb gedaan. Daarna zal ik op en neer lopen, mijn broodje eten, op en neer lopen, rondkijken, iets zoeken, het vast tapijt bestuderen – kruimels, kleine stukje gerookte zalm – niks vinden. Verderop in de gang werkt een modeontwerpster. Ik heb wel eens een stoel van haar geleend en ik geloof dat zij ook een stofzuiger heeft.

De liefde.

Afgelopen weekend vierde ik tweemaal de liefde. De eerste keer in het decor van de slotscène uit een Amerikaanse romantische komedie, met een ceremonie op het gras, badend in het licht, hertjes huppelend in de achterliggende weilanden en een vrolijke hond, op zoek naar schapen. Een lange rij houten tafels op de binnenplaats van de boerderij, een varken aan het spit, gasten die op stonden en zingend zwaaiden met lichtblauwe servetten. Ja, ik heb gedanst.
De tweede keer op een balkon van een flatgebouw in de felle avondzon. We keken uit op wuivend groen, beneden dreef een vervallen boot op zand, een kat liep over een muurtje van stenen dat was gestapeld in de vorm van een omega, wat verderop liepen mensen in en uit barakken. De borstwering was hoog genoeg om niet bang te zijn, maar de neiging bleef. Een van de geliefden streelde mijn arm en ik zei haar dat hij er gelukkig uit zag.
Onderweg naar huis, op het pontje, keek ik uit over het water. In de verte gloeide de stad. Een meisje in een gele jas leunde over de reling, ze steunde op haar armen, tuurde naar beneden in het donkere water, waar het monster schuilt, slaakte korte gilletjes wanneer druppels haar gezicht raakten. Een keer kwamen allebei haar voeten – regenlaarsjes – los van de grond.

Rituelen.

Deze week lees ik Rituelen van Cees Nooteboom. Ik ben nu ongeveer op drie kwart van het boek. De hoofdpersoon bevindt zich in een flat met ene Philip Taads. Die flat is volledig wit, en kaal, en die Taads praktiseert een bepaald soort Zen of Tao en daar praten ze over. Het is niet echt een verhaal, of beter: het verhaal is een excuus om omstandig te filosoferen – tenminste, zo lees ík Rituelen – en daar is in principe uiteraard niets op tegen. Bij die scene in die flat moet ik denken aan het appartement van een schrijver waar ik eens belandde na een feest, rond een uur of vier in de ochtend. Dat appartement was allesbehalve leeg of wit maar wel was over alles wat er zich bevond nagedacht en ook de ontvangst in die vroege ochtend was haast formeel en leek te verlopen volgens bepaalde tja rituelen. Er zaten kunstige meisjes op de grond rare dingen te zeggen, en twee andere meisjes, met een meer sensuele uitstraling, lagen op de sofa alsof de schrijver hen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid had uitgekozen en aangeschaft en na lang wikken en wegen uiteindelijk had besloten hen op die bank te draperen. Het resultaat, toegegeven, mocht er zijn. Ik ging zitten in een uitzonderlijk comfortabele fauteuil en de vriend met wie ik was ging recht tegenover mij zitten. De rest van de gasten liepen langzaam op en neer en wees dingen aan. Er speelde klassieke muziek, een hoge, androgyne stem gleed door de ruimte. De gastheer vroeg aan iedereen, een per een, wat men wenste te drinken en keerde telkens terug naar de keuken om het drankje in kwestie te prepareren en vervolgens hoffelijk aan te bieden.
Mijn vriend en ik zeiden niets, we zaten simpelweg tegenover elkaar, keken elkaar recht in de ogen en ik kon zien dat we allebei helemaal niets van deze situatie begrepen. Ofwel waren wij in een kunstwerk beland, een perpetuum mobile, dat voor eeuwig en altijd zo zou blijven bestaan en waar wij in en uit konden lopen zonder enig verschil te maken. Ofwel wachtten alle anderen in deze flat tot wij zouden vertrekken waarna de boel onmiddellijk zou ontaarden in een vreeswekkende orgie. Na een uurtje, precies op het moment dat onze gastheer een zeldzame soort artisanale worst in fijne plakjes sneed, vertrokken we. Kortom. We zullen het nooit weten.

Zo ongeveer, maar niet helemaal, lees ik Rituelen.


De val.

Voor mij rijdt een man op een scootmobiel, zijn rechterhand in de rug van zijn vrouw op de fiets naast hem. Haar zijden, roze blouse bolt op in de wind, haar goudkleurige haren zijn hoog opgestoken. Op de achterkant van de scootmobiel zit een sticker waarop een muzieknoot staat afgebeeld. Zijn kruk steekt uit het bagagevak als een preistok.
Voor ons wordt het licht groen. Een fietser zet af, zwalkt even van links naar rechts. De scootmobielman toetert en geeft zijn vrouw een extra zetje zodat ze langs de fietser kan zweven, zonder een trap te geven, de scootmobiel erachteraan, zijn arm alweer uitgestrekt, zijn handpalm gespreid, een dikke gouden zegelring blinkend in de zon, en dan weer verder, samen.
Ik denk aan mijn eerste grote liefde, de Honda Camino die ik toen had, haar hand op mijn schouder, op weg naar huis van een feestje. De val, de schaafwonden over de volledige rechterzijde van mijn lichaam en hoe het hare onverklaarbaar volmaakt gaaf was gebleven. Daarna de borrel die haar vader mij gaf, om te bekomen, waarna hij weer naar bed ging en wij samen in de woonkamer achterbleven en in stilte uitkeken over het terras waarop we het weekend ervoor nog hadden gelegen, haar rug schurend over de ruwe stoeptegels, boven ons het raam van de ouderlijke slaapkamer dat zachtjes kreunde.

Wennen.

Ik zat aan tafel met koffie en klikte de krant open. Op pagina 3 stond het bericht over Steven Sotloff. Ik wist het nog niet. Nochtans wel gewoon online geweest gisteren, en ook televisie gekeken. Kijk, dacht ik. Het begint al een beetje te wennen.
Twee kinderhanden trokken zich op aan de tafelrand en het bijpassende hoofdje kwam meegluren. Snel scrolde ik de foto buiten beeld.
‘Papa, ga jij ook naar dansles?’ vroeg Lou Victoria (bijna 3) die vanmiddag voor het eerst op dansles mag.
‘Nee toch,’ zei ik. ‘Ik ga toch niet naar de dansles van Lou?’
‘Neehee.’ Ze giechelde. ‘Papa gaat naar dansles voor de mensen, toch?’
‘Maar ik weet niet waar de dansles voor de mensen is’ zei ik.
‘Dan moet je dansles voor de mensen zoeken.’
En weg was ze. Ik las verder. De volgende wordt een Brit, stond er. Goed voor voorpagina’s in Groot-Brittanië. Hier? Pagina 4, of 5. Het valt niet uit te sluiten – want dit zal nog lang doorgaan, er zit nog een tiental Westerlingen vast – dat het op een bepaald moment berichten in de marge worden. Een moment waarop wij niet meer onder de indruk zijn. Daarna zal IS mogelijk iets nieuws verzinnen. Iets nog wreder. Daar zullen wij opnieuw aan wennen en zo verder tot we nooit meer onder de indruk zullen zijn van wat dan ook. We zullen blind zijn, dacht ik. Blind omdat we het ware gezicht van de mensen hebben gezien, en als we eenmaal blind zullen zijn, zal er geen verschil meer zijn tussen hen en wij, tussen niemand eigenlijk, elke tegenstelling die nu nog iets lijkt te betekenen zal haar relevantie hebben verloren en dáárna zullen wij, als alle aardse dingen, oplossen en verdwijnen in het grote zwarte niets. Kortom.
Lou Victoria tikte op mijn schouder. Ik keek op. Ze had een roze tutu aan, zette haar voetjes tegen elkaar en plaatste de vingertoppen van haar beide handjes boven haar hoofd tegen elkaar. Daarna draaide ze een rondje.

Reactie.

Gisteren zag ik op Twitter een bericht van iemand die zei: 'Lees veel defensieve reacties op Elly’s Choice. Dan zal het wel een succes worden.’ Dat bericht werd dan weer gefavorited door mensen betrokken bij Elly’s Choice.
Nu voelde ik me niet aangesproken want volgens mij had ik een best genuanceerd stukje geschreven maar dit gezegd zijnde is defensief reageren natuurlijk in het algemeen heel populair op sociale media. Er is maar één soort reactie populairder en dat is de bovenstaande variant die eigenlijk zegt: ‘Wat reageer je defensief, hier ga ik inhoudelijk niet op reageren.’
Kortom. De defensieve vicieuze cirkelreactie. Je ziet ze vaker. Eerst was de Ice Bucket Challenge tof, daarna was hij overdreven ego-gedoe, daarna kwamen de ‘zeur niet zo over dat ego-gedoe’-tweets, daarna de ‘zeur niet zo over dat zeuren over dat ego-gedoe’-berichten en nu moet ik me al sterk vergissen als we de laatste 48 uur niet alweer begonnen zijn aan de herwaardering van de Ice Bucket Challenge want moet je zien hoeveel geld hij heeft opgeleverd. In al dat gekakel las ik hooguit 1 of 2 relevante artikels die hun best deden om iets zinnig te zeggen over waar de Ice Bucket Challenge-hype uiteindelijk, zij het ongewild, wérkelijk over gaat namelijk: welke overwegingen zijn van belang wanneer je kiest welk goed doel je steunt en welk niet (want kiezen moeten we, helaas). Sociale (media) druk lijkt me het minst wenselijke argument, zowel waar het de Ice Bucket Challenge betreft, als waar het gaat om enthousiast doen over Elly’s Choice ‘omdat zij tenminste iéts ondernemen.’ Rustige rationele redeneringen daarentegen.
Ik ben altijd een groot fan van sociale media geweest en ik heb veel aan het fenomeen te danken. Maar steeds vaker bedenk ik dat het een goeie zaak zou zijn als wie zijn mening gehoord wil krijgen, daarvoor weer eens wat meer moeite zou moeten doen. Zoals vroeger. Krijg je die gedachte nu pas, Victoria? Ja. Eigenlijk wel. En ze is even simplistisch en naïef als de gemiddelde defensieve reactie, dat weet ik ook wel.