Verhaal.

Niet veel later sloot ik mijn werkkamer af en nam de lift naar beneden. Het was kort na de middag maar het leek wel alsof ik dagen na elkaar onafgebroken had gewerkt. Beneden opende ik de zware houten entreedeur en stapte naar buiten. Nog steeds viel het water in enorme hoeveelheden naar beneden. Binnen enkele seconden was ik doorweekt. Desalniettemin slaagde ik er vrijwel moeiteloos in een sigaret op te steken. Nergens viel een levende ziel te bekennen. De hele straat stond blank, het water likte aan de onderste treden van de trap die naar de stoep leidde.
Ik blies de rook uit. Een voor een landden mijn voeten op de volgende onderliggende trede, alsof ik ze liet vallen zonder er erg in te hebben. Daarna waadde ik langzaam naar de overkant van de straat. Bij de balustrade aan de rand van de Prinsengracht aangekomen, stond het water tot aan mijn knieën. Ik nam mijn smartphone, legde hem in mijn handpalm, tikte een paar keer op het scherm en zette het toestel aan mijn oor. Na drie lange, koude beltonen nam Liefje op.
‘Hey!’ zei ze
‘Hé,’ zei ik.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
Ik nam een trek van mijn sigaret, en volgde de rook die zich over het glanzende water om mij heen verspreidde. Daarna keerde ik me om, naar de gevel van het gebouw dat ik net had verlaten en vond de ramen van mijn kantoor op de tweede verdieping waarin ik twee roerloze schimmen meende te zien. Ik liet de telefoon even zakken, en zei: ‘Ik ging lunchen.’
‘Lieveling? Gaat het goed?’ vroeg Liefje. ‘Je klinkt ver weg.’
Ik zette de telefoon opnieuw aan mijn oor.
‘Ja, nee, gaat goed,’ zei ik.
‘Ben je naar buiten gegaan met dit weer?’
‘Nee, ja, valt mee hoor.’
‘Ze zeiden dat het een chaos zou worden. Waarom belde je eigenlijk?’
‘O, dat, nou ja,’ zei ik. ‘Ik weet niet, lieveling. Ik wilde je wat vertellen.’
‘Ja?’ zei Liefje.
‘Maar nu weet ik niet meer wat het was.’ Ik ging met de vingers van mijn vrije hand door het water, streelde het zachtjes, als een vacht.
‘Ach schattebout. Typisch weer.’
‘Ja,’ zei ik. Liefje begon te lachen en ik ook, omdat ik precies wist hoe ze erbij zat achter haar bureau, haar telefoon tussen haar kin en haar linkerschouder geklemd, terwijl ze ondertussen voort tikte.
‘Soms vraag ik me echt af wat er in jouw hoofd allemaal gebeurt,’ zei Liefje.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ook.’ En weer moesten we allebei lachen.
‘Heb je gewerkt?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei ik.
‘Geschreven?’
‘Ja.’
‘Aan het boek?’
‘Nee, nee,’ zei ik. ‘Ik had plots een idee, voor een verhaal, vanochtend op de fiets. Dat wilde ik eerst in de steigers zetten, je weet, voor ik het vergeten zou zijn.’
‘O, wat goed,’ zei ze. ‘Waar gaat het verhaal over of mag ik dat niet weten?’
Het water stond nu tot aan mijn heupen. Naast en in de gracht dreven auto’s, stuurloos en log als zeeschildpadden. Verkeersborden en straatlantaarns staken boven het oppervlak uit. Futuristische waterplanten. Ik keek opnieuw omhoog, naar de ramen van mijn werkkamer.
‘Lieveling?’
‘Ja, nee, natuurlijk mag je het weten,’ zei ik. Ik zweeg. Het water steeg. Ik voelde een behoefte om te drijven.
‘Mjaaaaa?’ zei Liefje en ze giechelde.
‘O ja het verhaal,’ zei ik. En ik vertelde waarover het ging. ‘Is niet autobiografisch hoor, deze keer.’ En weer begon ik te lachen en ook Liefje lachte en zo namen we afscheid, al lachend, en ik beloofde dat ik de kinderen die middag van school op zou halen en vroeg thuis zou zijn, en terwijl ik dat zei, voelde ik mijn voeten los komen van de grond. Ik liet het toe, kantelde in een reflex mijn bekken en al gauw dreef ik op mijn rug. De waterstralen sloegen neer op mijn gelaat. Ik stak mijn smartphone in mijn jaszak en rookte verder, met bedachtzame trekken. Na enige tijd dreef ik ter hoogte van de tweede verdieping van het gebouw en de ramen van mijn werkkamer, en nu zag ik ze glashelder staan: twee meisjes. Mijn lichaam werd gegrepen door een zachte stroming die mij langzaam deed wegdrijven alsof iemand me aan een touwtje voort trok maar zo lang ik kon, hield ik mijn ogen op die twee meisjes gericht. Het was een prachtig zicht. Twee, frêle, kwetsbare figuren achter het raam van míjn werkkamer. Ze waren volledig in het wit gekleed en – dat kon ik weliswaar niet zien maar ik wist het zeker – op blote voeten.

Eenvoud.

Ik las een artikel over Snap Chat, de chat-app die je berichten na verloop van tijd weer verwijdert. Daarna downloadde ik de app en maakte een account aan. Ik checkte wie van mijn vrienden op Snap Chat zat. Weinig. Wel zag ik dat de 10-jarige zoon van een ex op haar nummer een account had. Dat strookte met wat het artikel me had verteld: Snap Chat is ontzettend populair bij heel jonge mensen, jonger dan 17 zeg maar. De journalist schreef: “If you grew up in a world where everything was public, having the option to make something private is an entirely new thing.”
Hij vertelde dat deze jonge mensen zich in toenemende mate bewust werden van de ‘eeuwigheidswaarde’ van online activiteiten, bijvoorbeeld op Facebook. Dat proberen ze dan op te lossen als volgt: X plaatst een comment bij een post van Y. Wanneer Y de comment ‘liket’, weet X dat zijn bericht is gezien. Vervolgens verwijdert X de comment. Ik vond het een vermoeiend edoch hoopvol voorbeeld.
Wat heel mooi is aan Snap Chat: de themakanalen waarin alle filmpjes rond een bepaald thema 24 uur lang in een compilatie online blijven. Gisteren was een Kite Festival in India. Allemaal blije Indiërs – kinderen, volwassen mannen – op daken van huizen en flatgebouwen in de weer met hun vliegers en de wind. Het deed me goed om zoveel mensen zoveel lol te zien hebben met iets eenvoudig.

Bocht.

De hele rit was voorspoedig verlopen. De meisjes hadden films gekeken, voorbeeldig sanitair gedrag vertoond, en ergens ter hoogte van Calais was mij een prachtig idee te binnen geschoten dat ik gedurende een uur of twee in mezelf bleef verfijnen tot Liefje het stuur overnam. In de uren die daarop volgden, tikte ik op de iPad een lange dialoog uit en daar had ik zoveel lol in, dat ik me afvroeg waar ik afgelopen najaar in godsnaam mee bezig was geweest.
Nu, in de laatste kilometers, was het donker geworden. Druppels spatten op de voorruit, ik had moeite om de juiste frequentie voor de ruitenwissers te vinden en ik had moeite om de juiste snelheid aan te houden; 130 leek te snel voor mijn ogen die trokken en traanden, en 110 werkte op mijn zenuwen want ik wilde nu eindelijk wel eens arriveren. Ook de meisjes waren het beu; Lou at zeurend een pak chips leeg, Lola haalde haar DS boven, maakte onafgebroken foto’s van de duisternis en zei: ‘Die zal ik straks wel verwijderen maar dan heb ik nu toch iéts te doen.’
En in de laatste bocht voor de uitrit die wij moesten hebben, voerde ik de snelheid op, kwam op dezelfde hoogte als een andere auto maar stak hem niet voorbij want durfde niet tot 130 meer te gaan, zo moe was ik, er was geen wegverlichting, alleen de koplampen van die auto en de onze, naast elkaar in die lange, lange, langzame laatste bocht, links van mij het spookachtige wit van de vangrail, rechts die duistere, dreigende silhouet en tussen ons in de stippellijn en om ons heen de bossen en de heuvels en de rotsen en pas helemaal op het eind van die bocht dacht ik fuck it en trapte het gas helemaal in en ’s nachts, lang nadat we waren gearriveerd, met de eerste portie oesters achter de kiezen, schrok ik wakker in totale duisternis zoals die enkel in Bretagne kan heersen en ik kon me niet meer voorstellen dat die bocht bestond, dat ik hem had genomen, dat ik hem ooit nog zou nemen.

Vrij.

Ik had me voorgenomen deze griep als een onverwachte bonus te beschouwen, en eens lekker wat te lezen en misschien wel een film of drie te kijken.
‘Jij mag ook wel eens ziek zijn,’ had Liefje gezegd en goddamnit had ze gelijk of niet? Dit was een dagje vrij, of twee, gedwongen weliswaar maar dat wilde niet zeggen dat het niet even lekker kon voelen als een dagje vrij dat je zélf nam, in een onbesuisde bui. Ik neem verdorie nooit een dagje vrij. Weinig mensen weten dat maar schrijvers zijn altijd aan het werk, ook wanneer ze over straat lopen, of op toilet zitten of hun kinderen naar school brengen, wat zeg ik, misschien wel vooral als ze hun kinderen naar school brengen. Maar nu kon ik niet werken want ik voelde me simpelweg te miserabel. Ook te miserabel om van mijn dagje vrij te profiteren trouwens, merkte ik al snel. De hele dag had ik het koud en het merendeel van de tijd lag ik onder een warm donsdeken. Tegenvallertje. Pas ’s avonds, toen Liefje al naar bed was, en ik nog niet kon slapen omdat ik dat al de hele dag had gedaan, zette ik een film op: Atame! van Pedro Almodovar, een film die ik al zeker twee keer heb gezien, maar waar ik plots weer zin in had en het zal zeker niks met Victoria Abril te maken hebben gehad, o nee.

Prik.

Ik krijg, als bescheiden astmapatiënt, al jaren elke herfst een griepprik aangeboden maar pas sinds ik van dat aanbod gebruik maak, word ik elke winter rond deze tijd van het jaar geveld door een knoert van een griep.
’s Ochtends was ik nog gaan hardlopen. Er stond een ijzige wind tegen, en in de eerste minuten werd mijn lichaam in koude verpakt. Maar aan het eind van de sessie was ik helemaal warm en voldaan en mijn virtuele coach feliciteerde mij met mijn prestatie. (Ik ben niet zo gevoelig voor complimentjes, heb de neiging ze achterdochtig weg te wuiven, behalve als degene die ze geeft niet echt bestaat.)
Na het douchen ging het in snel tempo mis. Ik koelde niet meer af, maar bleef het warm hebben dus ging ik door het huis lopen in een t-shirt waarna ik werd overvallen door afschrikwekkende niesbuien en tot slot kwam er bezoek en probeerde ik, zoals zo vaak, een en ander de kop in te drukken door middel van alcohol. Nadat het bezoek weer vertrokken was, capituleerde ik met een glas calvados in de hand.
De nacht verliep onrustig. Ik kwam in een aantal dromen terecht waarvan ik vrijwel zeker meen te weten dat zij onderdrukte verlangens waren die nu vrij spel kregen, bij gebrek aan weerstand. Meer dan twaalf uur later stond ik op, sleepte mezelf naar boven, en ging aan tafel zitten. Het huis was stil. De tafel was leeg. Op het balkon, naast twee lege bierbakken, zat een roze konijn. Kortom. Het was me onmiddellijk duidelijk wat voor dag dit ging worden.

Beweging.

Quimper zelf is best mooi maar de buitenwijken zijn hartverscheurend lelijk met brede wegen en grote rotondes waar hordes auto’s zich nietsontziend op storten, elke keer als we hier zijn is er één moment dat ik zo’n rotonde te aarzelend neem en bijna omkom maar nu reed ik even nietsontziend als de Fransen, van rotonde naar rotonde, langs winkelcentra en garages, allemaal grijs en levensmoe, en uiteindelijk draaiden we een wijk in met slecht asfalt, huizen met de ramen dicht getimmerd, verlaten bedrijven opgesloten achter hekken en we kwamen bij een spoorweg uit en naast die spoorweg ligt de oude fabriek van Armor-Lux.
In de fabriekswinkel stonden dames met permanentjes en verontwaardigde lachjes op hun gelaat gebeiteld achter de kassa, dezelfde dames als altijd. We liepen naar de bakken met marcellekes en ik viste er een stuk of zes uit – Armor-Lux maakt de beste marcellekes ter wereld, weinig mensen weten dat – en terwijl Liefje nog wat verder zocht naar pyama’s en sokken en kamerjassen voor de meisjes, liep ik langs de grote ramen die de winkelruimte scheidden van de fabriekshal. Ik bestudeerde de enorme breimachines die daar stonden. Er was geen mens te zien, niemand die ze bediende maar toch waren er enkele van die machines aan het werk. Het zijn een soort kermismolens maar dan met grote spoelen wol in plaats van idiote wagentjes en vanaf die spoelen lopen de draden naar een holle as en het is de as die rond draait, niet de spoelen, en binnen in die as komen de draden samen en maken daar iets, ik kon niet zien wat precies, geen marcellekes vermoed ik, die zijn van katoen, en boven de as staken een drietal kleine ventilatoren uit, bevestigd aan dunne stalen stangen, en die draaiden en bewogen in cirkels boven de machine, ze bliezen naar beneden, alsof het de bedoeling was dat die ventilatoren de geweven stof droog zouden blazen maar ik kon nergens water zien, vroeg me af of het dan nat was daarbinnen, anders maakten die ventilatoren zichzelf behoorlijk belachelijk, maar wellicht bewogen ze meer voor de vorm, voor mensen zoals ik, die geen idee hadden, van niets, maar zich graag concentreerden op beweging en de illusie dat er altijd ergens iets wordt voort gebracht.

Vechten.

Ik arriveerde op kantoor, klikte Twitter open en zag wat er net was gebeurd. Buiten was het koud en zonnig. Perfect hardloopweer en dat was ik enkele uren eerder in alle vroegte gaan doen, over de kade naar de kop van Java en toen ik me daar omkeerde was ik kinderlijk blij geweest om het uitzicht over het IJ in een schitterende ochtendgloed, de bruggen, de torens in de verte, het blinkende water, blij dat ik hier mocht lopen.
Nu zat ik voor een computerscherm en ik volgde de stream van berichten, bekeek video’s waarvan ik bijna moest kotsen, las de eerste columns, de wijsneuzen, de haters, de redelijken, vaak dezelfde woorden die de ene keer serieus en de andere keer cynisch werden geuit, mensen die nuanceerden, mensen die andere mensen verweten te nuanceren en dat ging zo maar door, urenlang en ik bleef er de hele tijd naar kijken terwijl ik zelf ook niet veel beters wist te doen dan een omslag van CharlieHebdo te tweeten en die tweet werd heel vaak geretweet en ik bleef bekijken wie dat allemaal deed en ik dacht: wat is dit? Wat betekent dit? Wat betekent mijn tweet eigenlijk? Wat betekenen al deze woorden? Wat betekent dat eigenlijk als je zegt dat dit ‘alles met de Islam te maken heeft’; ik betwist het niet maar wat bedoel je daar eigenlijk mee, wat denk je bij te dragen, wat wil je ermee bewerkstelligen, heb je een plan, zet het ons op weg, wat betekent het als je zegt ‘dat het oorlog is’, weet je dan wat dat is, oorlog? Wat is je plan? Hoe ga je die oorlog voeren dan? Alles wat ik las oogde even machteloos.
En ik moest denken aan een jonge Jihadstrijder, enkele maanden geleden, die postte: wij gaan dit winnen, want jullie koesteren het leven en wij koesteren de dood. En ik moest denken aan een Vlaamse jongen van achttien die ik ken, die met vrienden in het weekend, met airsoft replica's van Kalashnikovs en AK-47's voor de lol op elkaar schieten.
En nu, met die stroom berichten voor mijn neus waarin iedereen probeerde iedereen gek te maken, werd ik plots bang dat dit jaar niet voorbij zal gaan voordat de eerste blanke, Westerse idioten zich bereid zullen tonen te sterven, en dán heb je oorlog, inderdaad, een burgeroorlog. Dat zullen wellicht niet de mensen zijn die het verstandigst nadenken over waarvoor we moeten vechten. Dat zijn het nooit, dat zijn juist meestal de mensen op wie ze het gemunt hebben.

Buzz.

In een noodtempo las ik de eerste tweehonderd bladzijden van Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, een boek waarover ik de voorbije jaren veel had gehoord en dat ik uiteindelijk had gekregen en al snel begreep ik waarom die persoon mij dat boek had gegeven want zij schrijft zelf ook een beetje als Johan Harstad, maar ook schrijft die Harstad soms een beetje als ik, het is te zeggen, zoals ik zou willen, er zit een melodie in zijn proza – af en toe betrapte ik mezelf erop dat ik met mijn voet mee tikte op het ritme van zijn zinnen.
Daarna begon een en ander te irriteren, ik denk dat het een veellezer-syndroom is, ik begon voor mezelf te voorspellen wat er ging gebeuren en iedere keer kreeg ik gelijk, alleen duurde het te lang. Zo staat er op pagina 181 een zinnetje over een personage in de voltooid verleden tijd terwijl de rest van het verhaal in verleden tijd geschreven is en ik dacht zo die gaat er dadelijk aan maar het duurde nog meer dan 200 bladzijden voordat de begrafenis was. Daar kan ik heel slecht tegen.
Uiteindelijk eindigde het boek erg mooi en vergeet niet dat dit slechts geneuzel is van een beroepsidioot en dat ik op dat moment in een streek vertoefde waar álles trager gaat, het zonlicht zich elke dag moeizaam door de wolken knaagt, de voeten van de mensen loodzwaar zijn, hun koppen uit steen gehouwen, hun woorden alleen begrijpelijk voor wie ze opneemt en daarna achterstevoren afspeelt, een streek waar alle jonge meisjes roken, en auto’s met mannen erin soms urenlang zomaar langs de kant van de weg staan, en ik verder niet veel anders te doen had dan te lezen en naar buiten te kijken. Op het moment dat ik deze woorden optikte bijvoorbeeld, landde er een grote zwarte vogel op een van de kale takken van de enorme Amerikaanse eik die midden in de tuin staat.