Monster.

Vannacht werden we wakker gehouden door kleine Lou die urenlang jammerde en huilde zonder dat duidelijk werd waarom. Ze draaide en keerde met haar hoofdje, de ogen gesloten, reageerde niet op onze vragen, haar lippen trilden en produceerden een geluid dat ik niet kende, nooit eerder had gehoord, een lang, monotoon weeklagen dat de hele kamer vulde alsof ze in contact stond met iets, met iemand, maar niet met ons.
Rond half drie werd het stil. Vanochtend om acht uur stond ze te springen in haar bedje en ging alras weer met haar familie baby’s aan de slag, baby’s die sinds we het jongste zoontje van een vriendin gingen bewonderen, allemaal Noam heten en bovendien hadden alle Noams vanochtend in hun broek gepoept, druk druk druk.
Liefje en ik zaten aan tafel en keken ernaar. We waren moe. Een soort vermoeidheid die we waren vergeten, samen met de geur van luiers en de textuur van natte doekjes, en die het meest verwant is met stoned zijn – stoned maar toch alert. Nauwgezet volgden we elke beweging die ze maakte, luisterden naar haar stem, glimlachten wanneer ze ons iets vroeg of vertelde, zochten naar dat ene moment van onoplettendheid of nonchalance waarmee het monster zichzelf zou verraden. Maar het kwam niet.

Oorlog.

Uiteindelijk belandden we toch in het restaurant. We waren de laatsten. Het gesprek ging over een onderwerp waar ik het al veel te vaak over heb gehad dus ik besloot te zwijgen maar voor ik het wist had ik alweer het hoogste woord – of misschien had ik dat niet, maar voelde het zo in mijn hoofd precies omdat het onderwerp mij te veel bezig houdt en niet los wil laten. Nochtans zou dat beter voor me zijn. Daarom zal ik het onderwerp nu niet benoemen.
Na het eten liepen we gezamenlijk naar de zaal waar meer mensen op ons zaten te wachten dan wij hadden verwacht. Ook nu kwam het onderwerp ter sprake maar ik bleek in staat mezelf te beheersen, schetste enkel in grote lijnen hoe ik een en ander zag terwijl ik dacht aan het feest, de volgende avond, waar ik met geen goed fatsoen naartoe zou kunnen gaan, ook al werd dat betwist door mensen die ik doorgaans vertrouw en had ik me al aangemeld, maar daar ging het niet om, ik kon prima naar dat feest, natuurlijk, het was per slot van rekening een soort van familiefeest, het zou allemaal liefdevol zijn, en indien niet dan was er grote kans dat ik onopgemerkt zou blijven, urenlang onderaan een trap met een gin tonic in de hand goede gesprekken zou staan voeren, dat was allemaal goed denkbaar, daar ging het niet om, er was in wezen niéts of niemand die mij tegenhield, behalve ikzelf en dat geweten van mij dat ik deze dagen zo enorm vervloek. Vervolgens schrok ik wakker van de volgende vraag. Daarna moest ik voordragen. Ik bleek de enige die een leesfragment had gekozen dat niets te maken had met het onderwerp van het debat.
Na afloop vroeg een man of ik zijn exemplaar van Gelukkig zijn we machteloos wilde signeren. Ik nam een pen en hij hield mij een verkreukeld papiertje voor waarop hij in potlood enkele zinnen uit het boek had opgeschreven; een klein, onzeker handschrift.
‘Wil je dit erin schrijven?’ vroeg hij. En hij wees op de zin die ik zelf ook al in gedachten had: Familie is oorlog.

Thee.

We parkeerden schuin tegenover de Academie en we wilden naar de Zirkstraat lopen maar we vergisten ons, we liepen – café het Lastig Portret aan onze linkerhand – de  verkeerde straat in, een straat die ik goed ken omdat een goeie vriend daar jaren heeft gewoond toen hij aan de Academie studeerde. Ik herinner me de brede trappen, de kamer die hij huurde en waar hij nachten doorhaalde om zijn ontwerpen te voltooien en ook herinner ik me de grote, zware, houten voordeur waar we nu langs liepen en dat is gek want het was precies in die periode dat die vriend en ik elkaar even uit het oog waren verloren terwijl ik nauwelijks een paar honderd meter verderop studeerde. En ook ken ik die straat vanwege een meisje dat die vriend en ik allebei kenden, uit zijn studententijd, maar het voorval dateert van jaren later. Het was een mooi meisje, niet erg toegankelijk en haar ogen stonden altijd een beetje droevig – alsof ze zelf ook liever wat toegankelijker was geweest – en er was haar stem die altijd op het punt van breken stond, als die van een oude vrouw, ook wanneer ze een grap vertelde, vooral wanneer ze een grap vertelde en niemand lachte, zoals verwacht, of toch minder hard dan zij hoopte, alleszins, op een avond bracht ik haar thuis en ze vroeg me mee naar boven, dat was ook in deze straat, een ander pand, een andere deur, een andere trap, een vrij groot appartement, een lage glazen salontafel, een bank waarin ik iets te ver weg zakte – bij mijn weten de enige keer dat ik mee naar boven ging met een meisje en dat zij vroeg of ik een kopje thee wilde en dat ik ‘Ja’ zei en dat zij daarop in de keuken verdween en enige tijd later weer tevoorschijn kwam met een dienblad waarop een dampende theepot en twee kopjes stonden en ik na het opdrinken van de thee weer naar huis ging.

Dromen.

We waren een half uur te vroeg, best bijdehand wanneer je naar een toneelstuk gaat kijken dat De Laatsten heet maar daar staat tegenover dat als we wél op de tram hadden moeten wachten, we maar net op tijd waren geweest – daar hoor je nooit iemand over. We bestelden twee glazen witte wijn en liepen naar buiten. Voor het theater was een terrasje voor de rokers, gewoon op de stoep. Daar gingen we zitten en we staken ieder een sigaret op en keken naar de lichtreclames en de kerstverlichting en het glanzende water en de mensen die langs ons heen liepen en iemand die we kenden sprak ons aan, schoof een stoel bij, vroeg of hij een sigaret mocht bietsen – dat mocht – en speelde vervolgens minutenlang met die sigaret tussen zijn wijsvinger en duim en dat bleef hij doen ook nadat ik mijn aansteker vrij nadrukkelijk voor hem op het tafeltje had neer gelegd. Kortom, het was koud maar verder niet wezenlijk anders dan in de zomer.
In de aankondiging stond dat de voorstelling ging over waar jonge mensen voor willen strijden en daarom had ik kaartjes gekocht maar in werkelijkheid ging de voorstelling over dromen. Dat valt me op: steeds vaker lees ik en hoor ik over dromen. Nieuwe utopieën. Voorlopig hebben alleen de verkeerde mensen zin om ervoor te strijden.
Verder was ik mijn notitieboekje vergeten maar toch noteerde ik één zin: ‘Niets kan zo ontbreken als een boom.’

Voorbeeld.

We zaten in de tram onderweg naar de voorstelling en eerst ging het nog over fietsenmakers en meteen daarna ging het over vertrouwen. Dan is het altijd opletten geblazen.
‘Je weet, vertrouwen is heel belangrijk voor mij,’ zei Liefje. ‘Als ik iemand niet kan vertrouwen…’
‘…dan is het schluss voor jou,’ zei ik.
‘…dan is het schluss voor mij,’ zei Liefje.
‘Daar heb ik anders nog niet veel van gemerkt,’ zei ik. Hetgeen overmoediger klonk dan ik het bedoelde.
‘Hoezo?’ zei Liefje. ‘Geef eens een voorbeeld?’
Ik gaf een voorbeeld.
‘Goed voorbeeld,’ zei Liefje.
We reden verder. Er stapten twee jonge kerels op. Een ervan had een baard en een zwarte baseball cap waarop stond afgedrukt: Krew Kills. Ze leken me niet onderweg naar een leuke avond maar zulke dingen vallen moeilijk in te schatten tegenwoordig, het zijn per slot van rekening vreemde tijden.
Ik zei: ‘Heb je wel eens iemand totaal en radicaal gedumpt omdat hij of zij onbetrouwbaar bleek?’
‘Zeker,’ zei Liefje. Daarna begon ze na te denken. ‘Even kijken. Nou. God. Vast wel. Wacht even hoor.’
Ik wachtte.
‘Nou ja,’ zei Liefje. ‘Ik geloof natuurlijk ook in kansen geven.’
‘Zeker,’ zei ik. ‘Kansen geven is belangrijk.’
‘Ja,’ zei Liefje. ‘Maar vertrouwen ook. Neem nu mijn kapper.’
‘Jouw kapper?’
‘Ja,’ zei Liefje. ‘Ik heb heel lang moeten zoeken voordat ik in Amsterdam een goeie kapper vond.’
Het viel niet te ontkennen: dát was een heel goed voorbeeld.

Vergeten.

Ik zie hem al staan wanneer ik het eiland afrij, op de afgesproken plek. Langzaam nader ik de stoplichten. Het is rood, gelukkig. Af en toe trekt hij de schouders op, en wrijft in zijn handen, zijn blik zoekend. Dan zet hij een hand horizontaal boven zijn ogen en speurt het kruispunt af, als een indiaan, en ik vraag me af waarom hij dat doet; het is winderig en bewolkt, de zon zal zich vandaag niet meer laten zien, begrijpelijk, ik laat mezelf liever ook niet zien met dit weer maar ík heb verplichtingen. Er wacht een lange autorit, de file zal beginnen op het moment dat wij de A2 op draaien en pas oplossen voorbij Gorinchem. Het wordt groen. Hij staat er nog steeds, precies op de afgesproken plek, hoewel ik toch vaag genoeg ben geweest, en ook weet hij niet wat voor auto ik rij. De hele route zal donker zijn, en nat, ideale omstandigheden om rustig na te denken over dat idee dat in de voorbije maand plots zoveel groter is geworden dan ik had verwacht. Ik zou mijn gedachten kunnen ordenen of ze fijn laten uitwaaieren over de grote duistere vlakken met sterretjes erin aan weerszijden van de weg. Langzaam rij ik het kruispunt op. Hij staat op de plek waar ik vaak sta te wachten met de fiets om over te steken, op weg naar huis, de plek waarvan ik al meermaals heb voorspeld dat er ooit een bus zal komen, bij ijzelweer, die uit de bocht die ik nu neem zal glijden, over die plek heen, maar dat kan hij niet weten. Hij zwaait, ik zwaai terug, en daarmee is het pleit beslecht, hij gaat mee, er zal geconverseerd worden, de rit zal er korter van worden, nu doorrijden zou ronduit vervelend zijn, net had het nog gekund, ik had de bocht kunnen nemen, hem op centimeters kunnen passeren, en daarna zou hij uit het zicht zijn verdwenen, ik zou me uitgebreid excuseren aan de telefoon, en bij de organisatie, zulke dingen gebeuren nu eenmaal en daarna zou alles snel vergeten zijn, zoals zoveel problemen verdwijnen omdat ze worden vergeten.

De Aanslag.

Ik was nooit eerder iets gaan kijken in dat theater maar toen ik de straat in fietste herkende ik het autoverhuurbedrijf dat er schuin tegenover is gelegen. Daar had ik ooit een bestelwagen gehuurd. Maar wanneer? Waarvoor? Ik was te vroeg dus ik fietste verder, langs het theater, de straat uit. Ik dacht een blokje om te doen maar aan de overkant van de Ceintuurbaan zag ik café Sarphaat en ik besloot over te steken, ik herinnerde me op het terras van dat café te hebben gezeten met een meisje. We waren er via één van de achterliggende straten naartoe gewandeld. Maar wanneer? Waarvoor? Ik meende te weten in welke straat we langs zo’n boekenkastje waren gelopen met zo'n blik waar je wat muntgeld in kon doen als je een boek meenam maar dat bleek helemaal niet in die straat te zijn maar in de straat van Sarphaat zelf. Ik stopte bij het kastje, keek wat ze hadden liggen, uiteraard niet De Aanslag van Mulisch, dat zou wel heel vreemd zijn geweest en ik fietste verder, stak terug over, arriveerde opnieuw bij het verhuurbedrijf, dacht: wellicht voor de verhuis van de laatste meubels uit Antwerpen, wellicht voor de verhuis van onze spullen uit Noord naar Oost, alleszins lang geleden, het is sowieso al lang geleden dat ik iets groot moest vervoeren, wellicht wordt het tijd eindelijk eens die piano te kopen, eindelijk weer eens lekker die vingers over de toetsen te voelen gaan. Hoe lang zal het duren voordat het net zo soepel gaat als dertig jaar geleden?
Tijdens de voorstelling zei een actrice dat we onze ogen moesten sluiten, onszelf onze droom in moesten beelden, en dan datgene wat het realiseren van onze droom in de weg stond, en daarna dat we die hindernis moesten laten verdwijnen en dat deed ik, maar toen ik mijn ogen opende, bleek ik nog steeds gewoon in de zaal te zitten.

Ochtend.

Het was een schitterende ochtend en iedereen leek mij te kennen, met name niet onaantrekkelijke dames van mijn leeftijd wierpen mij glunderende blikken toe als waren zij de meisjes op wie wij in vroeger dagen wachtten op de hoek van de straat na het uitgaan van de school en wier herinneringen aan die vrolijke, giechelende jaren nu werden weerspiegeld in de frisse, tintelende ochtendlucht, er zijn van die dagen, slierten paarse wolken tegen een helblauwe hemel, een popelend verlangen naar het begin van de dag, alles en iedereen in beweging, niet moeizaam maar soepel en alert, het water dansend, de fietsbellen rinkelend van geluk, alles opgewekt als een kinderstem, en bij de toegangsweg naar de parkeerplaats bij de school stond een ouder naast zijn auto die hij in de berm had geparkeerd met de vier pinkers aan, te schelden op de agent die hem een boete gaf.
’s Avonds zit ik aan de houten tafel in de woonkamer. De meisjes liggen in bed, de vrouw is uit huis, er glijden regendruppels langs de ramen, op de stereo zingt Willy Mason ‘My mind is a nation with al of these divisions, show me the way to go home’ en voor mij ligt een boek dat te veel concentratie vergt.