Vorige week had een aardige uitgeverijdame mij gemaild dat Thomas Heerma van Voss meende dat mijn schrijven door F.B. Hotz beïnvloed was en zij zouden een bloemlezing van die Hotz gaan samenstellen. Of ik iets wervends wilde zeggen over Hotz?

Ook ontving ik van haar talloze uitnodigingen om Candy Crush te spelen.

Nu is het zo dat wanneer Thomas iets over mijn schrijven zegt, ik dit onmiddellijk geloof. Onmiddellijk en zonder voorbehoud. Ook wanneer ik, in dit geval, nog nooit een letter van F.B. Hotz gelezen heb, sterker nog, ik ga nu even onbevreesd door het stof: ik had nog nooit van die hele F.B. Hotz gehoord. Dit mailde ik aan de aardige uitgeverijdame en sindsdien heb ik niets meer van haar vernomen. Desalniettemin bestelde ik ogenblikkelijk een verhalenbundel van F.B. Hotz. Die viel dinsdag op de mat. Ik begon met het verhaal De tramrace, het eerste verhaal dat Hotz ooit publiceerde, zo had Wikipedia mij geleerd. Dat verhaal was zo ijzingwekkend goed, en ook zo vreselijk hartverscheurend, dat ik voor het eerst in mijn leven diende te twijfelen aan woorden van Thomas Heerma van Voss.

Woensdag ging ik met de trein naar Antwerpen. Aangekomen op Berchem-station belde ik mijn moeder en kondigde aan dat ik binnen een half uur voor haar deur zou staan. Dat was goed. Ik nam een velo en begon te fietsen. Ik dacht aan een lieve tante die overleden was, een zus van mijn vader – en een van de trouwste lezers van dit blog, zo meen ik te weten – en van dit overlijden ging ik mijn moeder tijdens de lunch op de hoogte stellen. Mijn vader groeide op in koloniaal Congo, in een gezin met zes kinderen. Daarvan leven er nu nog twee. Langzaam verdwijnt een heel stuk van mijn jeugd. Eindeloze zomerdagen in Zemst met name, waarop iedereen samenkwam, en ik kampen bouwde, voetbalde en zwom met neven en nichten die ik tot mijn beste vrienden rekende maar wier levens uiteraard heel anders uitpakten dan het mijne en die ik aldus nauwelijks nog spreek of zie. Zo gaan die dingen. Zo gaan die dingen. Bladibla. Wanneer likete deze tante voor het laatst een Facebookpost van me? Nog niet lang geleden, hooguit een week. Ook ontving ik van haar doorheen de jaren talloze uitnodigingen om Candy Crush te spelen.

Zo gaan die dingen. Zo gaan die dingen. Bladibla.

Toen ik bij mijn moeder arriveerde zat ze in haar zetel in de woonkamer, met haar ogen gesloten, en ze zei dat ze vandaag maar ‘half gebakken’ was. Tot zover alles normaal. Ik deed boodschappen. Brood, beleg, Jupiler 0%. Ze at een kom soep en een boterham met kaas. Daarna lichtte ze op – hetgeen je haast letterlijk mag nemen, het zit ’m in haar ogen die plots groter lijken te worden, en transparant, waardoor ik heel even het meisje meen te kunnen zien dat gevangen zit in het lichaam van een oude vrouw – en ze had weer praat voor tien. Ik vertelde haar over het overlijden van tante, nieuws dat haar zichtbaar trof, en samen probeerden we uit te rekenen hoe oud ze geweest moest zijn, en mijn moeder diste enige anekdotes over deze tante op waarvan er een paar verdacht veel leken op de anekdotes die ze bij vorige gelegenheden over andere mensen had opgedist, zonder dat de kwaliteit van de anekdotes hieronder leed, eerlijk is eerlijk.
Van de broers en zussen van mijn vader leven nu enkel nog mijn peetoom – die mij mijn tweede voornaam en aldus het eerste deel van mijn auteursnaam geschonken heeft – en een jongere oom die ik ooit op fenomenale wijze met tennis versloeg. Dat zal hij vast nog weten. Deze zomer tenniste ik weer eens, voor het eerst in twintig jaar, met Lola Victoria, op het terrein van een Chambre d’hôtes waar wij verbleven in de omgeving van de Chateaux des Loire. Toen we klaar waren, bleef ik nog even alleen achter op het veld, en ik herinnerde me die wedstrijd tegen mijn oom. Ergens in Boechout was het. Ik was een jaar of veertien en hij, tja, wellicht eind dertig, begin veertig? Alleszins, ik probeerde nog eens die service uit waarmee ik hem die dag tot wanhoop gedreven had, die ene met effect, die John McEnroe-gewijs wegdraait in de uiterste hoek van het servicevlak. En guess what, het lukte me van de eerste keer. Maar, toegegeven, daarna niet meer. Zo gaan die dingen. Zo gaan die dingen. Bladibla.

Het meisje achter haar ogen zal nooit meer tevoorschijn komen en toch moet ik die roman schrijven.

Thuisgekomen zag ik op Facebook het overlijdensbericht. Vijfenzeventig, zag ik. Ik belde mijn moeder, die hier enigszins gerustgesteld op reageerde. Daarna werd er gegeten, en voetbal gekeken, en daarna las ik nog wat verder in die bundel van F.B. Hotz terwijl mijn gedachten geregeld afdwaalden naar hoe de dag verlopen was, een dag waarop ik niet voor het eerst had moeten vaststellen dat er zich achter de ogen van mijn moeder iemand anders verschuilt, iemand die ik beter zou willen leren kennen, als een personage uit een roman die ik onmogelijk kan voltooien zonder dit personage volledig te doorgronden, alleen weet ik dat het meisje achter de ogen van mijn moeder nooit meer tevoorschijn zal komen en moet ik die roman toch schrijven.

Nu zit ik aan de houten tafel in onze woonkamer te ontbijten. Beneden slaapt Lola Victoria, die ons vannacht kotsend wakker maakte. Lou Victoria vertelt aan mama over wat er gisteren in Oss is gebeurd. Mama, die nooit het nieuws volgt of de krant leest, het waarschijnlijk pas na een maand of zeven door zou hebben als de derde wereldoorlog in volle gang was. Lou vertelt het nauwgezet, precies zoals ze het gisteravond op het Jeugdjournaal heeft gezien, toen ze met traantjes in de ogen bij mij op schoot was gekropen, alleen vertelt ze het verdacht opgewekt en heeft ze het de hele tijd over een tram en niet over een trein, en bewaart ze – zoals dat hoort – de dramatische afwikkeling voor het laatst. Daardoor begrijpt mama nog niet wat de ernst van de zaak is. Gedurende een moment overweeg ik om Lou af te kappen, en het zo te laten.
Ik denk aan dat verhaal van F.B. Hotz, De tramrace. Je schrijft over een groot ongeluk dat zal komen en de volgende dag gebeurt het iemand anders, en je voelt je schuldig, alsof je het groot ongeluk hebt wakker gemaakt, hetgeen belachelijk is al mogen we nooit vergeten dat een schrijver tot alles in staat is, net zoals ieder ander mens.