Om half tien werd ik wakker in een kleine kamer, op een luchtmatras, onder een dik en warm donsdeken in vaal ochtendlicht. Dat was niet de bedoeling geweest. Om zeven uur had ik gedacht: nog een uurtje.

Geen gelanterfant, geen uitstelgedrag, niet facebooken, niet nog effe zus, niet nog effe zo.

Maar mijn lijf en geest hadden anders besloten en ik begreep het ook wel, de voorbije weken zijn zo snel gegaan en er is zoveel in gebeurd en ik heb er zo weinig van onthouden en er nog minder van begrepen omdat ik zelfs geen tijd had om erover te schrijven, of beter, die tijd had ik mezelf niet gegund omdat ik over andere zaken schreef – dus ja, daar wordt een mens moe van, van al die opgekropte verhalen die in je lijf zitten opgesloten en niet naar buiten mogen en de hele tijd in je blijven sudderen tot er niks meer van overblijft dan flinterdunne flarden van beelden in een stoofpotje van herinneringen.
Een stoofpotje van herinneringen? Gaat het nog, Victoria? Ah well.

De voorbije dagen werkte ik in Gent aan een filmtreatment voor Billie & Seb, de eerste keer in al die jaren dat ik samen met iemand aan een tekst schreef, letterlijk, naast elkaar gezeten aan een tafel, praten, denken, tikken, schrappen. Wat goed is aan met twee schrijven: geen gelanterfant, geen uitstelgedrag, niet facebooken, niet nog effe zus, niet nog effe zo, maar gewoon knallen want het moet af. Misschien zou het beter zijn als ik ook mijn romans met twee zou schrijven, of gewoon met iémand die naast mij zit en de hele tijd met mij in discussie gaat en ervoor zorgt dat ik blijf zitten en blijf tikken, ja, dan zou dat verdomde boek al lang af zijn maar daar zal die dekselse editor-in-chief wel weer geen tijd voor hebben.

Roerloos en onaangedaan, niet geïnteresseerd in wat dan ook laat staan in mijn leven.

Speaking of which: terwijl ik dit tik, zit ik in de trein op weg naar huis. Dat betekent dat ik op weg ben naar het boek en dat ik daar dadelijk weer zal zitten, aan mijn bureau, alleen, tegenover dat scherm, tikken en knippen en plakken – maar goddamnit er is zoveel gebeurd de voorbije weken, dingen die ik ben vergeten, dingen die ik niet begreep, dingen die ik droomde en bij het ontwaken opschreef en die toen plots niet meer briljant bleken te zijn (Wat dacht u van de zin: ‘Het is niet duidelijk waar wij beginnen, net zomin als het duidelijk is waar wij eindigen.’? Dat was in de betreffende droom echt een waanzinnige en buitengewoon belangrijke vondst maar nu moeten we toch vaststellen dat het niet hetzelfde aplomb heeft als ‘een stoofpotje van herinneringen’, vindt u niet?) zoveel gebeurd dus dat ik het idee heb dat ik helemaal niet meer weet waar ik in dat boek was gebleven en wat ik er mee van plan was. Het enige wat ik me nog herinner is dat ik mezelf kort voor vertrek naar Gent op de gedachte betrapte dat het binnen een week of twee wel eens gewoon een boek zou kunnen zijn. Nog geen boek dat af is, maar wel een dat gelezen kan worden. Daaruit volgde de angstaanjagende conclusie dat dit inderdaad was wat er op niet al te lange termijn moest gaan gebeuren: iemand moet dit gaan lezen. Dat zal die dekselse editor-in-chief wel weer worden, daar kan je donder op zeggen. Maar misschien ook wel iemand anders, iemand die mij niét kent, een doodgewone lezer zeg maar; kandidaturen mogen via de email worden gesteld.

Maar wat was er dan, wat gebeurde er dan, hoe verliep het een en ander? Welnu, ik herinner me feestjes, ik herinner me een lang verstild gesprek in bed, starend naar het plafond, ik herinner me dat ik zong, ik herinner me een bos en hoe we daar doorheen liepen, ik herinner me boten in water naast meeuwen in water en hoe ze op precies dezelfde wijze dreven, roerloos en onaangedaan, niet geïnteresseerd in wat dan ook laat staan in mijn leven, én ik herinner me – O ja! Haha! – een collega met wie ik stond te praten. Ik was midden in een zin toen Beau Ervens van Dorens de ruimte betrad en zij zich – alsof ze hem rook – zonder mij verder een woord of blik te gunnen omdraaide, de volledige honderdtachtig graden tot ze met haar rug naar me toe stond, om hem uitbundig te begroeten. (Er zijn jaren geweest dat ik fan van Beau was, toen ik pas in Nederland woonde en hij RTL Boulevard presenteerde maar in die tijd was ik zo jong dat ik nog ongestraft op ironische wijze van flauwekul kon genieten, hetgeen me nu wederom doet denken aan F.B. Hotz, de schrijver door wiens werk ik al beïnvloed was nog voordat ik het gelezen had, en die Hotz schreef: ‘Alles eindigt in ironie. Als we twintig zijn believen wíj ironisch te doen; als we oud zijn is het leven het.’ Touché, Hotz.)

Eerst je flauwekul afmaken, en pas dáárna door naar de volgende flauwekul.

Vroeger was ik blijven staan, had waarschijnlijk gedurende een kwartier staan grijnzen en knikken tegen de rug van die collega voordat ik het had aangedurfd me stilletjes te verexcuseren en het gesprek waaraan ik niet deelnam te verlaten, hetgeen niemand zou hebben gehoord of opgemerkt, maar deze dagen ben ik hier heel gemakkelijk in: zodra ik zag wat er gebeurde, ging ik ervandoor. Niet beledigd of misnoegd, maar ook niet gek. Ik weet best hoe dat soort feestjes werken, het is zien en gezien worden, maar de laatste tijd hecht ik er steeds meer belang aan om mijn tijd, zélfs op feestjes, te besteden aan mensen die ook werkelijk iets te vertéllen hebben en de moeite nemen je daarbij langer dan tien minuten in de ogen te kijken. Jezus Christus, ik zit acht uur per dag alleen in een kamer tegenover een computerscherm enorm te kutten op een boek dat me gek maakt, áls ik dan eens onder mensen kom, dan graag onder mensen die in iets anders geïnteresseerd zijn dan in de weerspiegeling van hun eigen ego. Kortom, mijn geduld is op, daar lijkt het op, de tijd dringt, er valt nog veel te doen, ja, misschien is dat het, misschien is dat wat er gebeurd is, keer en keer opnieuw in de voorbije weken, misschien wel maanden, mijn vrouw zei het onlangs nog: je bent veranderd. Nu weten kenners van mijn oeuvre – een woord dat ik ook op zevenenveertigjarige leeftijd nog steeds niet zonder ironie weet te bezigen – dat ik niet geloof in mensen die veranderen, ik geloof enkel in mensen die steeds meer zichzelf worden, maar toch zei ze het, enigszins droevig, alsof ze me miste, terwijl ik me zelf aanweziger voelde dan ooit.

Alleszins, ter geruststelling van mensen die mij nog op feestjes tegen zullen komen: dit alles betekent niet dat ik niet graag meer flauwekul verkoop. Natuurlijk niet, ik hou nog steeds enorm van flauwekul, zolang die flauwekul niet op ironische wijze maar wel met liefde en aandacht geserveerd wordt en ik beloof plechtig dat als ik met u op een feestje flauwekul sta te verkopen, ik me echt niet midden in uw flauwekul met de rug naar u toe ga draaien, ongeacht wie er de ruimte binnen komt. Eerst je flauwekul afmaken, en pas dáárna door naar de volgende flauwekul, dat is hoe ík ben opgevoed.