’s Ochtends las ik het boek-in-wording waarover ik, na een lange, moeizame beginfase, sinds een maandje of twee een prima gevoel had. Dit draaide uit op een drama. Waar was ik in godsnaam mee bezig geweest? Hoe kon ik niet gezien hebben hoe slecht dit allemaal was?

Ik had nooit eerder in mijn slaap gehuild.

Ik dacht aan de mensen – drie in totaal – die een tijdje terug binnen een tijdsbestek van vijf dagen, onafhankelijk van elkaar, hadden opgemerkt dat ik een dikke kop had gekregen. Nu ja, misschien formuleerden ze het niet alle drie letterlijk op die manier maar daar kwam het wel op neer. Dat zat me niet lekker dus ik had per direct het aantal hardloopsessies opgevoerd, en op mijn voeding gelet, en minder bier gedronken. Met onmiddellijk resultaat, mag ik wel zeggen. Maar nu dacht ik: dat zal het zijn geweest. Ik had gewoon een te dikke kop om te zien welk een enorme hoeveelheid stront ik aan het produceren was.

Woedend ijsbeerde ik door mijn werkkamer. Dit hield ik vol tot kort na het middaguur. Daarna gaf ik toe aan een oude gewoonte: ik reed naar huis en tikte drie biertjes naar binnen, en vijf sigaretten. Tegen de tijd dat mijn vrouw thuis kwam, zat ik aan de witte wijn.
‘Wat is er dan zo slecht aan?’ vroeg ze.
Zeer tegen mijn gewoonte in, begon ik haar uitgebreid over het boek te vertellen. Ik zette de structuur uiteen, de verschillende verhaallijnen, het idee erachter, ik raakte zo enthousiast en bevlogen dat ik het manuscript erbij pakte en haar stukjes voordroeg – iets was ik ook al nooit doe. Ik zag hoe ze luisterde, en glimlachend knikte, alsof ik een liedje zong en zij werd meegevoerd door het ritme, en ik droeg er zorg voor om te eindigen met mijn allerbeste stukje. Een stilte viel waarin ik haar hoopvol aankeek.
‘Tja,’ zei ze. ‘Dat is weer van die literatuur.’
En ook: ‘Misschien moet je wat meer aan de lezer denken en wat minder aan jezelf.’
Kortom. Dat hielp allemaal enorm.

Is het niet plausibel te veronderstellen dat de realiteit zich in haar dromen heeft verscholen?

Om tien uur ging ik naar bed. Vrijwel onmiddellijk viel ik in slaap, fysiek en mentaal uitgeput. Rond een uur ’s nachts werd ik wakker. Er liepen tranen over mijn wangen. Ik had nooit eerder in mijn slaap gehuild. Verdrietig ging ik naar toilet en dacht na. Ik kon me niet herinneren wat ik had gedroomd. Was het omwille van het boek, of was het weer een van die goeie ouwe angstdromen geweest waarin mijn dochters op gruwelijke wijze het leven laten, door mijn schuld? Het viel niet te zeggen. De tranen droogden op. Ik trok door, kroop weer in bed, staarde nog wat naar het plafond.

Er is een passage in het boek waarin de verteller over het slapende hoofdpersonage zegt: ‘Moge zij de werkelijkheid dromen. Zou dat niet mooi zijn? Sterker nog. Zou het niet kunnen dat dit is wat er gebeurt – ik kan dit niet wetenschappelijk onderbouwen maar het is even moeilijk om het te ontkennen – is het niet plausibel dus, te veronderstellen dat de realiteit die zich zo laf uit haar dagen heeft teruggetrokken, zich in haar dromen heeft verscholen? Dat ze nu, in die vervloekte schemerfase van haar leven, waarin de dagen zich gedragen als onvoorspelbare wanen, elke nacht opnieuw de exacte werkelijkheid aan haar geestesoog voorbij ziet trekken, in het volle begrip van wat er daar gebeurt?’

Kijk, daar kon je van vinden wat je wilde. Misschien was het niet mijn allerbeste stukje ooit, maar het was alleszins een acceptabele passage, kom op, iets waar de gemiddelde schrijver en lezer toch wel wat mee kon, kortom, zeker niets waar een volwassen man om zou moeten huilen, tenzij hij het zelf is die het overkomt.