Op Facebook vroeg ik naar behandeltips voor de tenniselleboog waar ik sinds augustus mee kamp, en hernieuwde RSI-klachten. Ik kreeg grofweg twee soort antwoorden. Nederlanders: Yoga! Osteopathie! Fysio! Massage! Accupunctuur! Belgen: laat een cortisonespuit zetten. Het zou ons te ver leiden om uit te leggen op hoeveel niveaus precies hier het verschil tussen Belgen en Nederlanders duidelijk wordt. Maar het spreekt vanzelf dat ik nu graag een cortisonespuit wil.

Is het zo gek dat ik hevig naar een flinke spuit vol ouderwetse chemicaliën verlang?

 Ik vecht al meer dan tien jaar tegen allerhande klachten aan schouders, rug, pols, armen met behulp van fysio-, osteo-, yoga-, en mensendieck-therapie en dat hielp wel maar nu niet meer. Wel ben ik ongelofelijk soepel. Zo soepel dat ik vermoed dat ik in sneltempo het punt nader waarop ik op eenvoudige wijze gedemonteerd zal kunnen worden. Maar pijnvrij, ho maar. Niet één dag sinds het allerprilste begin van de klachten. En natuurlijk zal het best zo zijn dat het beter is voor spieren en pezen om op natuurlijke wijze te genezen en sterker te worden maar wat al die therapieën vergeten is dat er ook zoiets als mentale vermoeidheid bestaat, en dan zit ik daar, bij weer een nieuwe fysiotherapeut die opnieuw allemaal zaken zit te vertellen die ik al lang weet en mij oefeningen voorschrijft die ik 7 jaar geleden bij de Mensendieck ook al kreeg en is het dan zo gek dat ik op zulke momenten hevig naar een flinke spuit vol ouderwetse chemicaliën verlang? Jamaar jamaar, zeggen ze dan, die medicijnen helpen wel op korte termijn maar op lange termijn… We kunnen het hier lang of kort over hebben maar misschien moeten we eens stoppen met te focussen op de lange termijn. Ik vulde zonet een online enquête in en ik viel in de leeftijdscategorie 45 – 54, oké? In de komende dertig jaar kan ik best een handvol cortisonespuiten verdragen en als dan op mijn 76 blijkt dat mijn elleboog definitief kapot is: so what? Dan heb ik er toch maar mooi gebruik van gemaakt en hopelijk nog een boek of tien mee geschreven. Kortom. Geef me gewoon die spuit of die pillen en geen gezeik. (Deze litanie steek ik in gedachten af tegen de volgende Nederlandse huisarts of specialist die ik hierover ga spreken.)

Zo. Verder alles goed. Ik schrijf hier minder vaak dan ik zou willen. Dat komt omdat ik aan een boek schrijf dat ik liever niet zou schrijven maar zoals een lieftallige collega van me zei: ‘Jij hebt helemaal geen keuze, mannetje. Schrijf het nu maar op, hoe lelijk het ook is.’ Dus dat doe ik dan maar. Evenwel, ik doe het niet zonder eerst elke ochtend een paar uur te lanterfanten en uitstelgedrag te vertonen. Hoezeer ik me elke ochtend bij het ontwaken ook voorneem: geen mail of social media checken, gewoon recht naar kantoor en hop meteen beginnen schrijven, dat is het beste! En dat is het ook, alleen, het lukt me niet.
Dat heeft ook te maken met het feit dat het boek waaraan ik werk een mix dreigt te worden van hardcore autobio en hardcore fictie. Ik twijfel over dat autobio-gedeelte. De laatste weken denk ik vaak aan een uitspraak van de Vlaamse bard Frank vander Linden in een interview onlangs. Hij zei: ‘Een goed liedje gaat over wie ernaar luistert, niet over wie het zingt.’
Ik denk dat dit ook geldt voor goeie romans of verhalen. Ik heb de voorbije tijd met verschillende mensen uit het boekenvak gediscussieerd over de vraag waarom de verkoopcijfers van literaire fictie zo dramatisch zijn de laatste tijd. (Ja, laat u niks wijs maken door hype quotes, longlists, herdrukken, zelfs niet door debuten die opduiken in de bestseller 60: de cijfers zijn dra-ma-tisch. Weet ik. For a fact. Geloof me nou maar.)

Dat zijn dus boeken die gaan over wie ze schrijft, niet over wie ze leest.

 Een overweging die je nooit hoort maar die ik telkens in zo’n gesprek poneer is de mogelijkheid dat de lezer simpelweg te vaak is teleurgesteld. Te veel romans, te veel middelmatige romans, te veel romans die gingen over wie ze schreef in plaats van wie ze ging lezen. Romans die werden aangeprezen door uitgevers en pers op totaal ongeloofwaardige wijze. Het publiek is niet dom. Soms zie ik weer een uitgever of auteur roepen: vierde druk! Maar een korte blik in de database van GFK leert je dan al snel dat het hooguit vier mini-drukjes kunnen zijn geweest. Ik kan dit niet hard maken maar ik zeg u: het publiek wéét dit, onderhuids. Het publiek is niet gek. Als iets echt goed is, als het de lezer echt raakt, dan merk je dat en ook het publiek merkt dat. Als iemand loopt te blaten weet het publiek dat ook.

Geen wonder dat een deel van dat publiek zich nu afkeert van literaire fictie en zich richt op ‘waar gebeurd’. Er wordt vaak denigrerend over gedaan maar er zijn een paar kenmerken aan non-fictie die veel literaire romans ontberen: verhaalkunst, met name. De beste non-fictie boeken of we het nu hebben over Michel van Egmond of Joris van Casteren, leiden de lezer binnen in een wereld die hij/zij niet kent en in die wereld bevindt zich een hoofdpersonage dat geconfronteerd wordt met dilemma’s, verlangens, twijfels die alle lezers hérkennen en door de beslissingen en vergissingen die het personage maakt leert de lezer iets over deze persoon, over die wereld maar vooral ook: over zichzelf en over dé wereld.
Daarom willen mensen verhalen. De Nederlandstalige roman geeft hen die verhalen niet meer, of niet in voldoende mate, of ze geeft introverte, middelmatige versies ervan. De lezer is teleurgesteld. Je kan bijvoorbeeld veel beweren over Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman, ik heb dat boek met veel plezier gelezen, ik was geïntrigeerd en vol bewondering voor haar slimheid maar een goed verhaal is het niet. Het is eigenlijk gewoon geen verhaal. Niks op tegen, integendeel, maar dat zijn dus boeken die gaan over wie ze schrijft, niet over wie ze leest. Ik ben niet onschuldig in deze. Ik denk dat mijn laatste roman Billie & Seb in zekere zin te introvert was, te veel over mij ging zonder dat ik dat tijdens het schrijven door had. Dat ga ik proberen recht te zetten in het filmscenario. Maar nu werk ik aan een boek over iets dat in mijn privé-leven gaande is, en in dat van de levens van vele andere mensen. De uitdaging is nu om het zo te vertellen dat dit verhaal over al die mensen gaat, en niet over mij.

Goed. Ik ga nu verder met lanterfanten, of ik ga weer eens wat lelijks opschrijven, of ik ga naar de huisarts en een cortisonespuit afdwingen. We gaan het zien.