Nu de ex van mijn vrouw onze platenspeler heeft hersteld – lang verhaal, don’t ask – heb ik de platenkast officieel als zijnde volledig beschikbaar ende vrijelijk te exploreren verklaard aan mijn beide dochters. Als ze zelf niet een maxisingle van Mudhoney of een best of van Jacques Dutronc opleggen, duw ik ze eigenhandig Lou Reed, The Clash of Hank Williams door de strot.

Ik was nooit schrijver geworden zonder Playmobil.

Van die laatste krijgt Lou Victoria iedere keer weer de slappe lach vanwege zijn ‘gekke stemmetje’ en op de koop toe heet hij Henk, dat is uiteraard helemaal om je te bescheuren. Je leest wel eens in interviews met muzikanten of kunstenaars dat ze opgroeiden in een huis vol boeken of muziek en dat het daarom komt dat ze bladibla enzovoort. Deze dagen vraag ik me steeds vaker af hoe mijn dochters mij zullen herinneren, wat voor vader ik ben en wat de doorslag zal geven: dat er altijd muziek op stond in hun huis, dat de woonkamer werd gedomineerd door een enorme kast met daarin tweeduizend vinylplaten waaruit ze vrijelijk mochten kiezen en aldus hele middagen doorbrachten met het opleggen van elpees en ruzie maken over wie het antistatisch borsteltje tegen de plaat aan mocht houden. Of: dat hun vader het merendeel van de tijd zat te lezen en elk mogelijk excuus verzon en benutte om niet mee te hoeven doen met de gezelschapsspelletjes die ze zo graag wilden spelen.

In een interview met Penelope Lively in Paris Review lees ik dat haar ouders geen lezers waren, en er in feite geen enkele aanwijzing was dat ze schrijver zou worden. Maar wel: ‘I suspect the obsessive internal storytelling does have something to do with ending up as a fiction writer…’ Dat geloof ik graag. En als het waar is, betekent het dat ik nooit schrijver was geworden zonder de Playmobil waarmee ik eindeloze uren vulde en met behulp waarvan de meest spectaculaire avonturen vorm kregen in mijn hoofd. Het was zonder twijfel in die jaren, alleen spelend op de grond in onze woonkamer, donkerbruin vast tapijt waaraan ik mijn knieën open haalde, dat mijn innerlijke stem zich ontwikkelde, een stem die nooit meer zou zwijgen, die mij vierentwintig uur per dag toespreekt, ja ook in mijn dromen, alsmaar doorgaat en mij met regelmaat tot waanzin drijft zonder dat iemand daar iets van merkt uiteraard, tot nader order geniet ik nog steeds de wijdverbreide reputatie van immer stabiel en te allen tijd volkomen rustig de zaken volledig onder controle hebbende. Maar als het waar is dat tal van apps op je telefoon stiekem gebruik maken van je microfoon om je gesprekken af te luisteren, dan beschikken bepaalde partijen ondertussen over uren aan monologen en discussies die ik, ijsberend door het huis of mijn werkkamer, met mezelf heb gevoerd over tal van zaken aangaande het leven en de liefde en zowat alles wat daarin zoal goed en verkeerd kan gaan en mag het een wonder heten dat ik in mijn timeline op Twitter of Facebook nog geen advertenties gepusht krijg voor antidepressiva of de zelfmoordlijn.

Dat verdomde leven dat maar door gaat, hoe wij allemaal onderweg zijn, de hele tijd, naar god weet waar.

Dit alles neemt niet weg dat mijn dochters momenteel helemaal niet al Mudhoney of Hank Williams zingend door het leven gaan maar wel al zingend. En dan met name het liedje Verleden tijd door Frenna & Lil Kleine, de bewerking van Onderweg, de grote hit van Abel waarvan niemand in Vlaanderen ooit gehoord zou hebben indien ik er mij niet tegenaan had bemoeid. Dat is gewoon een true story, weinig mensen weten dit, maar ik werkte indertijd bij PIAS, een super credibele platenmaatschappij met super credibele artiesten als Nick Cave, Soulwax en Laurent Garnier totdat een Nederlandse collega mij een cassette opstuurde met demo opnames van een nieuw bandje dat hij getekend had. Abel. Kan je daar wat mee in Vlaanderen? Nee, zei ik. Behalve met dat ene nummer. Want ik werd getroffen door een bepaalde sereniteit, die zeldzaam is voor Nederlandse artiesten, een gebrek aan het typische effectbejag en de holle bombast waardoor Nederlandse bands in die tijd zelden voet aan de grond kregen in Vlaanderen (hoi Bløf) en bovendien een liedje dat een oprecht verhaal leek te vertellen, zonder echt refrein maar met een verslavende melodie. Er is in de loop der jaren veel gelachen met de tekst maar wat mensen daarbij vergeten is dat de tekst van een liedje maar een ding moet doen en dat is de luisteraar het gevoel geven dat dit nummer over hem of haar gaat. Of dit op grammaticaal correcte wijze gebeurt, boeit niks. Ik doe de deur dicht. Straten lijken te huilen. Wolken lijken te vluchten. Ik stap de bus in. Negentig procent van de luisteraars herkent dit moment, weet meteen wat hier aan de hand is, en alles wat volgt: het verdriet, de eenzaamheid, en dat verdomde leven dat maar door gaat, hoe wij allemaal onderweg zijn, de hele tijd, naar god weet waar, terwijl we tegen beter weten in blijven verlangen naar momenten die al lang door de tanden van de tijd vermalen zijn. Heel simpel, heel mooi, en universeel.

Ze moeten ergens in mij schuilen, in de een of andere microcel, inclusief de wijze waarop de hemel die ochtend rood kleurde.

Uiteraard werd ik door mijn collega’s te Brussel collectief uitgelachen met mijn plan om dit nummer in Vlaanderen uit te brengen, hetgeen mij buitengewoon motiveerde, en bovendien had ik wel eens zin om platen te verkopen in plaats van alsmaar super credibel te zijn. Ik maakte een plannetje, betrok hierin enige handlangers via mijn oude netwerk uit de tijd dat ik nog roddeljournalist voor TV Story was – lang verhaal, don’t ask – en begaf mij in de wondere wereld van mainstream radio en televisie, en het plannetje werkte als een tierelier. Onderweg stond zeven weken lang op nummer 2 in Vlaanderen omdat een rare technodeun van een skatemannetje met dreadlocks ons de weg naar nummer 1 versperde. Dit alles vertelde ik gisteren aan mijn dochters en nu aan u, en mijn dochters waren niet in het minst onder de indruk, dat dient gezegd, en van u verwacht ik sowieso niks maar het is allemaal waar, het wordt, op dit moment, terwijl ik dit schrijf, allemaal opnieuw afgespeeld in dat arme, rusteloze hoofd van mij, als de oude Super 8 films van mijn vader waar ik deze dagen weer vaak naar zit te kijken terwijl ik me afvraag waar ze opgeslagen liggen, de woorden die ik geluidloos op lippen zie verschijnen, en die verdwijnen tussen de pixels, als strandzand door een zeef. Ze moeten ergens in mij schuilen, in de een of andere microcel, inclusief de wijze waarop de hemel die ochtend rood kleurde, de geur van opdrogende regen op het kleverige hars van dennenbomen, het knappen van een tak in de verte… Ik kijk en ik kijk. Film. Een techniek die aan de hand van bewegende beelden de illusie creëert dat dit alles ooit in de realiteit is gebeurd, dat deze mensen werkelijk hebben bestaan, in alle dimensies die in dit aardse voorhanden zijn en dat het allemaal waar is en dat ik het allemaal op moet schrijven.