Borrel.

Na afloop was er een borrel in een kroeg waar ik bij een vorige gelegenheid ook al was beland en die toch op een heel andere plek gelegen bleek te zijn dan in mijn herinnering, namelijk, vlakbij het park, naast het grote toegangshek dat nu gesloten was. Nu ja. Niet precies er naast, want er zit nog een woonhuis tussen, een woonhuis dat ik ook al ken, en zeker de witte houten deur waar ik twintig jaar eerder een meisje tegenaan had gedrukt terwijl we zoenden, de deur ook waardoor ik vervolgens alsnog niet naar binnen mocht en ook die deur bleek zich nu te bevinden op een andere plek dan voorheen, tussen die kroeg en het park dus, en ook zat er op de deur een brievenbus, geen gleuf, maar echt een box, er was helemaal geen ruimte om iemand tegen die deur aan te drukken, dat zou pijn doen of op zijn minst onhandig uitpakken maar dat had het helemaal niet gedaan, zoveel kan ik je wel verzekeren.
Eenmaal binnen dronk ik een paar biertjes. Het was warm, er waren mensen die ik kende en mensen die ik niet kende en mensen die ik kende die zich gedroegen alsof ik hen niet kende maar dat kan ook aan mij hebben gelegen, alleszins, ik ging er al snel en ongemerkt weer vandoor en eenmaal buiten – de kroeg, de deur, het hek uit het zicht verdwenen, en de koude beukend op mijn kaken, en mijn tong tastend naar een pijnlijk wondje aan de binnenkant van mijn wang – besefte ik dat ik die avond nog niks gegeten had.

Op tijd.

Ik was ruim op tijd en liep het perron op met de bedoeling nog een kwartiertje te lezen toen ik een dame die ik kende op een bankje zag zitten spelen met haar telefoon. Ik wist dat ze in Amsterdam werkte, al meer dan een jaar, maar in die tijd hadden we elkaar niet één keer gezien en ook nu zag zij me niet, volledig verdiept, en ik twijfelde of ik door zou lopen. Ik zou twee uur op de trein zitten en die tijd wilde ik gebruiken om de tegenwoordig weer verplichte duizend woorden per dag te tikken, twee uur voor duizend woorden, dat is best krap maar daar stond tegenover dat ik al de hele ochtend tijdens het oppassen op Lou, en het smeren van boterhammen en het bakken van pannenkoeken, en het beantwoorden van emails en het uitladen van de vaatwasser had nagedacht over wat ik tijdens die twee uur zou gaan tikken.
Ik stapte op haar af. We raakten aan de praat en ik merkte bij mezelf dat ik moeilijk op gang kwam. Ik was weliswaar het gesprek begonnen en toch gaf ik alleen maar korte, ontwijkende antwoorden. Pas na een tijdje realiseerden mijn lichaam en brein zich dat de situatie veranderd was, dat wij ons niet meer aan het voorbereiden waren op twee uur tikken maar ons in een gesprek bevonden dat aandacht en grapjes behoefde en dra ging de conversatie vlotten, kwamen de dame en ik beetje bij beetje in de oude modus terecht en nét toen alles weer als voorheen scheen te worden, arriveerde de trein. We namen afscheid, ik zocht haastig mijn plaats op, klapte de laptop open en toen begon het hele proces weer van vooraf aan maar dan omgekeerd.

Bril.

’s Avonds is het nu eindelijk bijna zo koud dat ik kan denken aan de voetbaltrainingen van vroeger. Kunstlicht in de mist, en de trainingsvesten die na een half uur dampend op elkaar langs de rand van het veld liggen. Sprintjes die je longen verbranden, partijtjes vier tegen vier, de grond vochtig en de opspattende aarde donker maar geen modder, nee, de modder ligt al achter de rug, de slidings zijn gemaakt, de zoden losgekomen, het gras wacht nog slechts, verminkt, op de vorst. Die komt volgende maand. Daarna: betonnen velden, rijm op gras of wat er van over is, oranje ballen die oncontroleerbaar hoog opspringen. Shoes zonder noppen – bah.
En ook denk ik aan affiches plakken, ’s nachts, de verdwenen IJzeren Brug op de Italiëlei, de muurtjes die daaronder stonden, de poster die een vriend had ontworpen: een zwart wit foto van een huilende, naakte baby die op de hoes van een van de eerste platen van de Pixies prijkte, en hoe de emmer met lijm in een kartonnen doos op mijn bagagedrager stond. De een smeren, de ander plakken, ondertussen uitkijken voor de politie, die kwam, de dolle race door de studentenbuurt, allemaal in diezelfde vochtige kou en daarna de kroeg, die warm was, en dáárna, misschien wel nu pas: de aandampende glazen van de bril waarvan ik in die tijd dacht dat ik hem nooit nodig zou hebben.

Goed verhaal.

Zaterdagavond was ik alleen thuis en ik stelde mezelf voor een hartverscheurende keuze: doorlezen in Portnoy’s Klacht van Philip Roth of een jointje blowen en Reservoir Dogs herbekijken.
Na een half uurtje lezen draaide ik alsnog een jointje en zette Reservoir Dogs op. Leer mij mezelf kennen. Het was 21 jaar geleden dat ik die film had gezien. Voor mij is hij onlosmakelijk verbonden met C’est Arrivé Près De Chez Vous. Beide films keek ik binnen het tijdsbestek van een week in een bioscoop in het centrum van London. Beiden bevatten gewelddadige scènes die in die tijd voor opschudding zorgden. Ik studeerde in London, woonde vlakbij Finsbury Park en ging tijdens mijn verblijf drie keer naar Arsenal kijken in het oude Highbury stadion. Tevens kwam ik een kilo of vijf bij (pizza & kebab) en probeerde ik mijn toenmalig lief te bedriegen; iets waarin ik deerlijk faalde. Verder herinner ik me niet zo gek veel van dat verblijf, net zomin als ik me veel kon herinneren van Reservoir Dogs. Of nee, het is precies andersom. Ik herinner me veel meer van Reservoir Dogs dan die film bij het herbekijken bleek te zijn: hij bestaat slechts uit een handvol scènes (ik dacht meermaals: dit is geen film, dit is een toneelstuk) en al die scènes zijn gebaseerd op kennis van feiten die de kijker niet of nauwelijks tot zijn beschikking heeft. Toch denkt de kijker – nu ja, ik in ieder geval – zich die feiten meer dan 20 jaar later nog steeds te herinneren. Zo vertel je een goed verhaal.
Onlangs deed zich de kans voor om naar London te verhuizen. Dat ging uiteindelijk niet door. Ook een goed verhaal, en lekker kort.

Pieten.

De grote meisjes stonden op de dranghekken, hielden hun plastic tassen klaar met beide handen terwijl kleine Lou tussen benen en tralies door naar de overkant keek en een vriendinnetje van de crèche ontdekte. Wij, volwassenen, hielden ons op de achtergrond en bespraken de actualiteit. Er fietsten heel wat politieagenten over en weer over het traject. Af en toe een motor. Na een half uurtje wachten zagen we de gepantserde wagens van de ME naderen. Meteen daarna kwamen de rolschaats-Pieten. De politieagenten fietsten evenwel nog steeds over en weer, dwars door de opstartende optocht heen. We begonnen er een sport van te maken de ‘stille’ Pieten te ontdekken. Eentje had een oortje. Eentje had een portofoon. Eentje stond lang en ingetogen te luisteren naar wat een agent tegen hem zei terwijl achter zijn rug het vriendinnetje van Lou om aandacht schreeuwde. De eerste feestwagens kwamen in zicht, steeds meer Pieten – de grote meisjes hingen nog steeds over de hekken maar lieten nu af en toe met een hand hun tas los om te high fiven met een Piet, en dan waren er nog de pepernoten. Sinterklaas zelf ging vrijwel onopgemerkt voorbij.
Toen we naar huis fietsten zag ik nog een turkoise Piet. Ik wees de buurman erop.
‘Ja,’ zei hij, ‘Maar hij heeft wel oorringen.’
Dat was waar. Kortom, er bestaat momenteel een enorme diversiteit aan Pieten, dat is zonneklaar. Het zou me verbazen als het ooit anders is geweest.

Hangmat.

Sinds enige tijd heb ik op mijn werkkamer de beschikking over een hangmat. De opzet was dat ik in deze hangmat zou kunnen lezen. (Ik heb geen goede leesstoel op kantoor, ik heb sowieso slechts 1 stoel op kantoor, een uitstekende, ergonomisch verantwoordde en veel te dure bureaustoel die ik begin 2008 kocht, bij aanvang van mijn zelfstandigenbestaan, een investering in de toekomst en mijn gammele rug waar ik nooit spijt van heb gekregen edoch een goede leesstoel? Nee.) Daarnaast: films bekijken op de iPad, en belangrijkst van al: een middagdutje doen. Middagdutjes zijn cruciaal. Wij zouden in een heel andere wereld leven als iedereen kort na de lunch een middagdutje zou doen, dat is mijn overtuiging.
Nu heb ik die hangmat sinds een week of twee en ik heb er hooguit al een keer of drie in gelegen, kort, niet langer dan enkele minuten tijdens dewelke ik overdacht welk een grandioos idee het is geweest. Meestal zit ik aan mijn bureau en denk ik: ik doe nog even snel dit of dat en dan ga ik in de hangmat liggen. En wanneer ik dan dit of dat heb gedaan, denk ik aan iets anders dat ik nog even snel ga doen voordat ik in die hangmat ga liggen en voor ik het weet is het alweer tijd om naar huis te gaan. Kortom. Een grandioos idee indeed, en zo krijgt een mens op een dag heel wat gedaan.

Stakkers.

We zaten in een restaurant aan de Marnixplaats op het Antwerpse Zuid, een van die vele hippe tentjes die ik nooit heb gekend toen ik zelf nog hip was. Voor het eerst in lange tijd ging ik uit eten met een goede vriend en er was veel gebeurd en er viel veel te bespreken. Na een half uurtje of wat viel de verlichting uit. Ik dacht dat er iemand jarig was en wachtte tot de ijsjes met sterretjes op kosten van de zaak zouden gaan verschijnen. Er gebeurde niets. Iedereen at door bij kaarslicht terwijl een jongen van de bediening zich naar buiten haastte en het licht weer aan ging waarna die jongen weer binnenkwam. Dit ging zo een keer of vijf gedurende de rest van de avond. We grapten dat dit wellicht een oefening was om het clientèle voor te bereiden op de stroomloze winter die België te wachten staat en zo kwamen we ook te spreken over de betoging, en de besparingen, en de redelijkheid of onredelijkheid ervan, en daar waren we het niet over eens. Waar we het wel over eens waren was dat veel mensen die op de huidige Belgische regering hebben gestemd nu door die regering keihard worden genaaid en dat de oude politiek, het ons-kent-ons, het houdingkje van wie-doet-ons-wat-laat-die-stakkers-toch-even-uitrazen helemaal terug van weg geweest is en dat dit een buitengewoon kwalijke manier van politiek bedrijven en besturen is en ik merkte dat ik me steeds meer opwond en de stroom viel uit en het licht ging weer aan en ik sprak de hoop uit dat de protesten zouden aanhouden, dat ik wilde zien wat die mannetjes zouden doen als die stakkers gewoon bléven razen, maandenlang, en de stroom viel uit en het licht ging weer aan en dat hun arrogante houding het verdiende om te worden afgestraft door iets waar ze totaal niet op hebben gerekend namelijk: dat de stakkers zélf gaan geloven dat ze een verschil kunnen maken.
En mijn vriend knikte ingetogen en het gezin naast ons at in stilte voort en de stroom viel uit en het licht ging weer aan.

Oetlul.

Toen ik de trein opstapte zat er schuin tegenover de voor mij bestemde stoel een kalende man in een beige jasje een boek te lezen. Ik kon niet zien welk boek maar toen ik mijn spullen op mijn stoel neerzette, keek hij op, keek me recht in de ogen, en glimlachte op een manier alsof hij mij herkende of minimaal doorhad wat voor type ik was. Ik zal niet beweren dat het een minachtend glimlachje was maar het kon ervoor doorgaan, het hing af van de interpretatie en als je de interpretatie aan mij overlaat dan pakt dat voor zo’n glimlachje zelden gunstig uit. Kortom, ik vertrouwde de zaak niet. Op de stoel naast de mijne lag een grijze rugzak en een zwarte jas in een regenbestendige stof zoals veel van die North Face jassen hebben, typische backpacker jassen maar dan niet voor van die zweverige types maar verstandige, down to earth-backpackers met geld. Na een minuut of vijf kwam de conducteur. Ik wees hem op de spullen en zei dat ik niet wist waar de eigenaar was. En ook de conducteur lachte op eigenaardige wijze, keek naar de spullen en zei: ‘Die zal wel in de bar zitten. Hoop ik.’
Daarna liep hij verder, en je zal wel begrijpen dat ik de zaak daar niet méér van ging vertrouwen. De statistische kans is klein, dat weet ik ook wel, en ook geloof ik dat alles wat moet gebeuren uiteindelijk zal gebeuren, en ook las ik onlangs dat je nooit voor je angst moet weg lopen, maar dat je angst moet zien als het teken dat je de essentie van je leven nadert, en ook las ik onlangs dat onze angst voor de dood niet meer is dan de angst van het kind om de rand van het zwembad los te laten omdat het nog niet gelooft dat het water haar kan dragen, allemaal mooie gedachtes die ik graag wilde omarmen maar dan liever een andere keer, met name de keer waarop het honderd procent zeker zal zijn dat ik niet de oetlul ben die precies naast de bom is gaan zitten.