Optisch geluk.

Vanochtend stond ik in mijn blote piemel voor de spiegel. Normaal gezien is dat een moment van zelfbevestiging. Maar vandaag was anders.

Het is waar. Het is waar wat iedereen zegt. Ik ben vermagerd. Ik kan mijn ribben weer tellen. Zoals vroeger, weet je nog vroeger? Toen de zomers nog ongestraft heet konden zijn? Ik bij mijn grootmoeder in de tuin grommend uit een teil water op rees? Met ingehouden adem en gebalde vuisten siste dat ik een monster was?

Een gestroopt konijn, ja. Zei mijn oma dan.

Ik ben vermagerd. Je denkt te veel na, zegt mijn schoonmoeder. Dan schept ze mijn bord vol verse fruits de mer, want dat is hoe mijn schoonmoeder en ik communiceren: zij koopt verse fruits de mer en ik eet ze op. Zo worden wij ieder voor zich op onze eigen manier gelukkig, ook al hebben wij er geen van beiden verdienste aan. Ja, wellicht is dat echt geluk - echt geluk is zonder verdienste.

Ik ben vermagerd. Wij moeten daar iets aan gaan doen, zegt Solo Loe. Maar ik denk niet dat het een door gezamenlijke actie op te lossen probleem betreft, wat jammer is, zou gezelliger zijn.

Het ding met mijn piemel is wel: hij lijkt nu nog groter. Dat is optisch geluk.





Lange Wapper.

Dat komt ervan als je nooit meer in je eigen stad komt, dan weet je dus ook pas veel te laat dat ze druk bezig zijn ze kapot te maken. Schuldbewust huilt mijn hart. Verder gewoon een top tune.





Ondertussen in Edegem, parel van de Antwerpse rand.

In het kader van dit project, ben ik enkele dagen in Edegem, parel van de Antwerpse rand.

Ik liep door de Doelveldstraat, in het centrum. Daar maakte ik een foto. Aan de overkant van de straat riep iemand mijn naam. De brouwer. Edegem is het soort gemeente dat een brouwer heeft.

Zo'n slordige 15 jaar geleden hadden de brouwer en ik, in mijn functie van eerbiedwaardige voorzitter van Vereniging Zonder Winstoogmerk Cafe Het Varken van St. Antonius, samen grote plannen. Wij zouden een concertzaal gaan bouwen achter het cafe. Een zaal voor maar liefst 250 man, waar de groten der aarde gefaciliteerd konden worden. Een zaal die Edegem zou opstuwen in de vaart der volkeren en eindelijk het gehate Cafe De Pomp uit Hove weer terug zou plaatsen waar het thuis hoorde: helemaal onderaan de Zuid-Antwerpse horecaladder, nog onder Cafe Het Boske als het even kon! Dit alles uiteraard ter meerdere eer en glorie van het cultureel-maatschappelijk klimaat en de bieromzet - voor minder deden we het niet. De brouwer ging die zaal betalen. Opzeker. Volgend jaar beginnen we eraan, riep de brouwer dan en daarna ging dat jaar voorbij.

Ik keek op en ik zag de brouwer staan aan de overkant van de straat. Ik stak over, schudde hem de hand. En dit was het eerste wat hij zei, hij zei: "Ivo. Volgend jaar beginnen we eraan. De papieren zijn getekend. Het wordt een erfpacht-constructie."

Hij was bloedernstig.

"De papieren zijn getekend."

Even overwoog ik hem te vertellen dat ik al 15 jaar niet meer in Edegem woon. Maar hij leek zo enthousiast.

Daarna ging de brouwer over tot enkele lichtvoetige filosofische denkoefeningen over de jeugd van tegenwoordig. "Ze willen allemaal zo graag zo uniek zijn, dat ze allemaal op elkaar gaan lijken. Het is collectief individualisme. Vooral in de discotheken. Die zaal moet er komen, Ivo. Dit jaar gaat niet meer lukken. Maar volgend jaar. De papieren zijn getekend. Zie je die boom? Daar klom ik vroeger in. Toen ik twaalf was, kon ik auto rijden. Tegenwoordig moeten ze allemaal naar de discotheken. Volgend jaar. Die zaal moet er komen."

Even later stond ik op het Gemeenteplein. Daar zag ik een meisje wiens naam ik nooit gekend heb, enkel haar sterrenbeeld en zij het mijne. Toen we elkaar kruisten zei ik: "Boogschutter".

"Kreeft.", antwoordde ze.





Oproep aan verlepte vrouwen.

We zitten op de Albert Cuyp. Jullie zitten tegenover me. Ik heb net thee besteld. Nu moeten jullie wat zeggen.

Ik zit hier te wachten tot jullie wat briljants gaan zeggen. Dat is geen gemakzucht. Je moet niet verwachten dat ik dingen ga verzinnen. Verhalen kan je sowieso niet verzinnen, alles is al gebeurd. De kunst is het verhaal te vinden. Sommige mensen roken een pijp en vangen in de kringen rook een verhaal dat in een hoek van de kamer hangt. Anderen lezen boeken en denken na, lopen rondjes hard, een verhaal achterna. Ik, ik doe bij voorkeur een beroep op verlepte vrouwen.

Dus daar zitten we, op de Albert Cuyp. Jullie zitten tegenover me. Ik heb net thee besteld. Nu moeten jullie wat zeggen.

Kom op, zeg wat briljants! Je haren zijn kapot, de nagels vallen bijna van je vingers. Er zijn ongetwijfeld tijden en ruimtes geweest waarin jullie uitblonken, de kleren van jullie strakke lijven vielen, opgezogen door 1000 kwade ogen. Welnu! Die tijden zijn voorbij! Die ruimtes zijn vervallen, verweerd, beschimmeld.

Kom op, ik heb jullie nodig, jullie zijn nep, van top tot teen, van je wimpers tot het leder van de laarsjes aan je voeten. Als je melk van siliconen en de liefde van je dromen - alles nep, alles nep en dat is wat ik zoek. Ik wil niet echt, ik wil niet oprecht, ik wil een nieuwe werkelijkheid.

Kom op, dit is jullie kans om samen met mij een nieuwe werkelijkheid te schapen, dat is uiteindelijk wat jullie welbeschouwd al zijn, een nieuwe werkelijkheid, een vleesgeworden wedersamenstelling van gemiste kansen en gemankeerd sjansen. Jullie zijn zo niet wat jullie waren en zo niet wat jullie hadden kunnen zijn - kom op, geef mij een nieuwe werkelijkheid, zeg iets, zeg iets briljants. Nu!

Maar het wilde er maar niet van komen.





Er moet gevochten worden. En hard.

Toen ik het eiland Sporenburg opreed, blies de airco op zulk een volle toeren dat zelfs Chiel Montagne er van onder de indruk zou zijn geweest. Er stonden kinderbadjes op straat en de jonge moeders dartelden vrolijk in het rond.

Zoetjes zoemde ik over de Panamakade. Aan mijn rechterhand het spoorwegbassin, aan mijn linkerhand een pleintje. De zon mepte er flink op los, alles en iedereen was traag. Totdat. Totdat daar aan de overkant van het plein, vanuit de Lampenistenstraat, met vastberaden tred kwam gelopen: een hele kleine ninja.

Geheel in zwarte, militaire klederdracht gehuld. U kent dat wel: niet te strak, niet te los, veel praktische zakken en gespen, broekspijpen in combat boots, zwarte hoofddoek, zwarte sjaal, het gezicht op 1 smalle streep na verborgen. U zegt: zo kleden ninja's zich niet. Ik zweer u: daar liep een hele kleine ninja.

Vastberaden marcheerde de hele kleine ninja het pleintje op als betrof het Tien-An-Mien zelf. Het was niet duidelijk waar hij heen ging of welk motief hem stuurde, maar er mocht geen twijfel over bestaan dat hij het doel zou bereiken.

Kijk, dacht ik. Weer een les. Ook wanneer de vrouwen hun handdoeken openvouwen op het strand en de mannen hun beste barbecue truuks demonstreren, ook dan. Ook wanneer onze zorgen zijn weggebrand en fonkelend goud rijkelijk vloeit, ook dan. Ook wanneer het kind in onze schoot verrukt opspringt bij de bel van de ijscoman en oranje hoop door miljoenen kelen giert, ook dan.

Ook dan moet er gevochten worden. En hard. Want je krijgt niets voor niets in het leven, ook al is dat wel wat er uiteindelijk van zal overblijven.

Daarna draaide ik onze straat in. Toen ik het hek open deed, liepen er twee hele kleine judoka's voorbij. Ze waren in het wit, op blote voeten.





Of ik al verteld had van die keer dat ik Bob Dylan tegen kwam op de Dappermarkt.

Ooit was ik in een huis, op een avond, in Amsterdam. Het gebeurt. Jaap Boots vertelde er een hilarisch verhaal over hoe hij ooit Bruce Springsteen was tegen gekomen op de Albert Cuyp en daarna zong hij daar een liedje over.

Toen het mijn beurt was om een liedje te zingen (want daarom was ik daar, dit verhaal situeert zich in mijn glorierijke verleden als chansonnier) begon ik gevat met een hilarische anekdote over hoe ik ooit Bob Dylan was tegen gekomen op de Dappermarkt. Makkelijk scoren, zo ken ik mij en zo heb ik mij altijd gekend - mensen veranderen niet, ze worden alleen steeds meer zichzelf.

Evenwel, zonet was ik op de Dappermarkt en u raadt nooit wie daar een tas op zijn fiets aan het binden was. Hij zag er slecht uit, onze Bob. Verwaaide krullen, een bleek jeans jasje. Uit de tas stak een preistok.

Toen kwam er een dame aan lopen. Een mooie dame. Ik vermoedde een tikje Balkan, met een snuifje Noord-Afrika. Ze gleed over het voetpad in een soort voorwaartse moonwalk. Haar kin in de wind, de billen strak tegen elkaar. Just like a woman.

Bob Dylan richtte zich op en bekeek de vrouw van top tot teen. Toen ze hem voorbij gleed, draaide hij zich om en bekeek haar nogmaals van top tot teen waarbij hij beduidend meer tijd spendeerde aan het gedeelte tussen middenrif en knie. Kortom, hij checkte haar uit.

Ik moet zeggen: dat valt dus echt op.





Papa.

De telefoon is gestopt met rinkelen. Ik durfde vanochtend het gordijn opzij schuiven en even naar buiten kijken. Dat voelde alsof ik een stap maakte. De straat zag er alleszins uit alsof er niets gebeurd was. Is dat niet altijd zo met lege straten? Het zijn stille getuigen, lafbekken, zo u wil, op wier gelaat geen emotie valt af te lezen.

Ik ging met de laptop aan tafel zitten wachten tot er emails binnen kwamen. Ze kwamen niet. Ook dat voelde goed.

Toen wees Lola Victoria met haar wijsvinger in mijn richting en zei: "Papa."

Tranen welden onweerstaanbaar op. Ik belde vrienden, familie en het ANP. Liefje had natuurlijk stilletjes gehoopt dat "Maman" de primeur zou krijgen. Maar Liefje is het beste liefje van de hele wereld en aldus deelde zij professioneel in de vreugde - ons kind ontdekte vandaag de kracht van het woord.

Daarna wees Lola Victoria met haar wijsvinger naar zichzelf en zei: "Papa."

Vond ik ook mooi.





U moet ook komen.

Als u zich soms afvroeg of de druk van het aanstaande schrijverschap mij een knoert van een writers block had opgeleverd, dan kan ik u antwoorden: geenszins. Maar momenteel ben ik even druk met de organisatie van onderstaande en u moet ook komen. Ok?





The Sore Bottom Boys USA 2007 (8): Weemoedig maar zonder spijt kijken de Boys terug.

Precies een jaar geleden vertoefden The Sore Bottom Boys in de US of A. Geluk was heel gewoon. Omdat het tegenwoordig zeer hip is om een film van je tour uit te brengen, bij deze alvast de trailer van de onze, featuring Mr. Twizt. Voor de fijnproevers, inderdaad.





De Olvarit blues.

Voor mij stond een man met een weelderige haardos die bij elk biertje dat hij neerzette luchtig opveerde. Een permanent. Waar en wanneer is de herenpermanent in onbruik geraakt? Het is donkere kennis die ons niets oplevert, maar soms vraagt een mens zich af.

Bij de kassa naast ons stond een mooie jongedame. Zo. Daar was niks mis mee. Ze was slank en groot en een strak geel-zwart gekleurd motorjek accentueerde het goede werk van moeder natuur. Ze keek me aan. Zo. Dat kon niet missen. Die keek me dus echt duidelijk aan, let op, dat werd koekenbak. Vrank en vrij keek ik terug. Hoe oud zou ze zijn? Wat deed dat ertoe? Mijn uitstraling kent wet noch gebod.

Mooi toch, dit soort toestanden en dat op mijn leeftijd. Blakend van zelfvertrouwen pakte ik in. Ik kon het niet laten even te checken. Ja hoor. Dat zag er weer goed uit. De weerspiegeling van een potje Olvarit liegt nooit.





Ik hou er niet van te doden.

Ieder gezelschap kent haar experts. Dat is mooi. Het is fijn een expert te zijn. De kunst is overmoed te vermijden. De jongen was in zijn omgeving een expert in technologie. Nu bevond hij zich in onze omgeving. Op tragische wijze vroeg hij of we wel eens van de Wii gehoord hadden. Dat was een "next step thing", namelijk. Wij keken hem aan als een ballotagecommissie. Een ballotagecommissie op een slechte dag.

Daarna voorspelde hij het LED-licht een duistere toekomst.

Ik vroeg me af wat het beste was. Hem een abonnement op Bright Magazine aanbieden. Of hem doden. Ik ben er nog niet uit.

Ik hou er niet van te doden, maar nog minder hou ik ervan mensen te confronteren met de vele teleurstellingen die de toekomst voor hen in petto heeft. En ik probeer mijn leven vol te maken zonder allebei gedaan te hebben. Daarnaast streef ik ernaar om arrogant gedrag tot een strict noodzakelijk minimum te beperken.

Het is de combinatie die het zo moeilijk maakt.





Onbeschoftheid is een beslissing.

Men vertelde mij dat de bediening in de Weense koffiehuizen van zulk een onbeschoftheid is, dat Oostenrijkers collectief de gewoonte hebben aangenomen elke zin die zij tot het bedienend personeel richten te beginnen met "Entschuldigung, ...". Daarbij dient men aarzelend de hand op te houden en de gepaste terughoudendheid in acht te nemen. Anders is er geen beginnen aan. En dan nog.

Ik haalde de schouders op. Ik woon in Amsterdam. Namelijk.

Dat mocht dan wel zo zijn, maar het verschil was: Amsterdamse obers doen het uit onkunde. Weense obers zien het als hun missie. In de Weense horeca is slechte service een keuze, geen onbeholpenheid.

"Daarom kan ik voor Amsterdamse obers geen respect opbrengen.", besloot ze.





De korte inhoud van een etentje.

Iemand vertelde hoe ze ooit vol in een rode peper beet. Daarna mocht iedereen om beurt zijn beste pikant verhaal vertellen.

Aan het eind van de avond was ik dronken.





Rust, vriend.

De rust is weergekeerd, als een oude vriend. Met grijze haren, vermoeide blik en grappen waar wij vroeger samen om lachten. Dag rust, dag vriend, het is goed je weer te zien. Bij statcounter dachten ze de voorbije dagen dat ik in gratis Russische vrouwen deed. Of anders wel in pokeren zonder verliezers. Dat vond ik niet erg, maar ik ben blij je weer te zien. Koffie?

Nee, zegt de rust, geen koffie. Zo lang kan ik niet blijven.





Dus.

Aanstaande dinsdag, Vandaag, zo rond half twaalf 's middags, ben Afgelopen dinsdag was ik te gast in Mezzo op de Belgische Radio 1. Daar doe deed ik nog een keer het verhaal uit de doeken. Daarna Nu houden we erover op en ga ik lekker off line een mooi boek schrijven, en blijf ik lekker on line obligate egostukjes plegen. Beloofd!



U bent Belg. Het kan gebeuren.

U bent Belg, u hebt vandaag De Standaard gelezen. Of Het Nieuwsblad. Of vorige week de Gazet van Antwerpen. Het kan iedereen overkomen, ook de besten. Veel plezier op mijn blog, kijk rustig even rond en kom nog 'ns terug, ja, kom vooral nog eens terug en laat me weten hoe het daar is. Want ik blijf hier.