Zeven kilometer.

Ik ga nu twee keer per week hardlopen. Telkens 30 minuten en iedere keer probeer ik verder te geraken. Vandaag liep ik zes kilometer en achthonderdnegentig meter, een nieuw record. Eindelijk, ruim zes maanden nadat ik hiermee begon, komt mijn eerste doel in zicht: zeven kilometer in een half uur. Geen idee waarom ik dat wou. Ik wilde eigenlijk alleen maar minder moe zijn ’s avonds, meer energie hebben zodat ik tijd kon winnen, en die gewonnen tijd kon ik dan weer investeren in schrijven. Dat lukt aardig. Het zou nog aardiger lukken als ik stopte met roken en drinken maar laat ons realistisch blijven.
Vrijdag sprak ik met de coach over de eerste afgeronde versie van de roman waar ik momenteel die gewonnen tijd in investeer. Ik heb een coach. Tenminste, zo noem ik hem omdat hij mij in zijn emails altijd aanspreekt met ‘Maestro!’. Hetgeen slim is. Maar het diende gecounterd te worden met een term die, wanneer van toepassing, dezelfde ironische lading kon krijgen. Overigens, wanneer wij elkaar live spreken, noemt de coach me nooit maestro. En ook dat is niet onverstandig.
Verder verlopen de dagen ontspannen en vrijwel geruisloos. Terwijl ik dit tik hoor ik de motor van de auto lopen voor de deur, wat betekent dat al mijn vrouwen weldra het huis zullen vullen met zang, lach en dans, want zo gaat dat hier dus veel tijd rest er mij niet meer om u te melden dat er ook verjaardagspartijtjes zijn en kinderen die zomaar, uit het niets, opnieuw met regelmaat in hun broek plassen, naast mensen die mij mixtapes opsturen, hetgeen ik toejuich, stuur mij mixtapes, i love it, en ook lees ik De Schimmen van Cesar Aira, een fabelachtig boek, en daarvoor las ik De Vegetariër van Han Kang en ook dat boek sloeg mij bij momenten met verstomming, ik onderhoud contact met diverse mensen over diverse projecten, bekijk omslagen voor de midprice heruitgave van mijn tweede roman Gelukkig zijn we machteloos in november, november, jezus, het is bijna november, weinig mensen hebben het in de gaten behalve Lou Victoria die niet kan wachten tot ze eindelijk naar school mag, haar grote voorlopige einddoel in het leven. Zelf hoop ik rond die tijd tegen de zeven kilometer en driehonderd meter aan te zitten.


Puin.

Ik lees een boek, op de bank. Door het raam kan ik de bestelwagens zien die langzaam door onze straat rijden en allemaal, zonder uitzondering, even halt houden bij de stapel op de stoep, opgebouwd uit de restanten van onze tuinkist en wat er in heeft gezeten. Soms stapt er iemand uit die voor de vorm iets opraapt, of zachtjes met zijn voet tegen de gesmolten hoge druk reiniger aan schopt. Maar de meesten rijden gewoon door.
Sinds een week ruik ik overal brandlucht. In de tram, in het park, wanneer ik de badkamer in stap om een douche te nemen. ’s Avonds, in bed, sluit ik de ogen en zie de manshoge vlammen uit de kist tegen de scheidingsmuur met de buren op springen. Drie brandweermannen in vol ornaat – zij droegen gouden helmen – komen de trap op en lopen het terras op. De grootste van de drie neemt onze tuinslang. Hij richt een miezerig straaltje op de vuurhaard en iemand zegt – ik? Of die brandweerman die mij vroeg mijn neus te snuiten om te zien of het snot zwart zag? – alleszins iemand zegt: ‘Heeft er iemand een fototoestel bij?’ En we lachen.
De meisjes sliepen overal doorheen: de sirenes, onze schoenen roffelend over traptreden, het grommen van de brandweerwagen voor onze deur. De volgende ochtend vertelde Lou dat ze van Paw Patrol had gedroomd, en Lola voorzag groot succes voor het verhaal op school. Ik fietste weg naar een theaterzaal en luisterde vier dagen lang naar wat mij werd verteld. De vijfde dag ruimde ik puin en dacht na. De conclusie was: niets is nog goed genoeg. Er worden nu andere dingen van mij verwacht.

Zeg het maar.

Het was tijdens het hardlopen dat ik aan deze plek moest denken en dat ik hier niet meer schrijf, sinds een tijdje, waarschijnlijk omdat ik elders des te harder schrijf. Tijdens het Das Mag Festival afgelopen zaterdag had ik een gesprek met iemand over het belang van plezier hebben in wat je doet zonder dat je het jezelf daarom makkelijk moet maken en de conclusie, kort door de bocht, was dat dit plezier nauw verbonden is met waarachtigheid. Iedereen zal je doorzien, altijd, en anders volstaat het wel dat er simpelweg iemand aanwezig is om ervoor te zorgen dat je jezelf doorziet – hetgeen nog erger is.
Afijn, ik liep hard, ik had op motregen gehoopt, een flinterdun laagje spikkelwater op mijn windjack en een zacht, regelmatig zuchten in mijn oren alsof iemand er grote zeeschelpen tegen aan drukte maar er was zon en de plas achter het Flevopark was glad en onverstoorbaar.
Pas veel later, aan een tafeltje in de stad, werd het koud en veel mensen vroegen mij: ‘En? Hoe zit het met jou? Wat doe je? Wat ga je doen?’
En ik zei: ‘Zeg het maar, zeg jij het maar wat ik moet doen.’
Niemand wist het.

De Witte Duivel.

Een nieuw Vlaams tijdschrift voor de betere voetbalverhalen is geboren: De Witte Duivel. Het eerste nummer is vanaf vandaag te downloaden en bevat onder meer een herwerking van mijn verhaal 'Het verraad van Vitosha' dat ik eerder publiceerde in Hard Gras. Check het HIER.

Fauser.

Afgelopen zaterdag werd op het Nijmeegs Boekenfeest de graphic novel Fauser voorgesteld. Een uitgave van Literair Productiehuis Wintertuin, over een hedendaagse antiheld, waarbij voor elk hoofdstuk een schrijver aan een tekenaar werd gekoppeld. Ik deed het met Chiel te Bokkel. Ook van de partij: Maartje Wortel, Henk van Straten, Anton Dautzenberg, Erik-Jan Harmens, Walter van den Berg en uiteraard de legendarische Vele Anderen. Info en bestellen HIER.

(Op die boekpresentatie kon ik helaas niet aanwezig zijn omdat ik het Boekenbal in zowel fysiek als mentaal opzicht nog lang niet had verwerkt. Vandaag gaat het (iets) beter, met name fysiek.)

Silke.

Deze week schreef ik elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Dit is het laatste verhaal van de week, gebaseerd op een bericht over Prins Laurent en een over de spooksuper van Soesterberg.

De slagbomen van de spoorwegovergang hangen voor Sebs neus die op zijn beurt boven het fietsstuur zweeft waarop zijn armen rusten, gekruist. Links van Seb ligt de oude begraafplaats. Aan de overkant van de spoorweg: ’t Ouwe Dorp, zoals ze zeggen. Een kleine verzameling zwijgende huizen met norse gevels, hun bewoners al zo lang dood en begraven dat de zerken zijn verzakt en het station haast opgelucht lijkt dat het is gesloten na veel te lang open te zijn gebleven terwijl er niemand meer kon vertrekken of naar hier wilde komen. Een plek die alleen doordeweeks nog door de Superette in leven werd gehouden, omdat zoveel mensen er langs moeten, op weg naar de dorpen en steden landinwaarts, mensen voor wie deze streek vertier is terwijl iedereen die hier woonde er juist van droomde om te vluchten. En nu is ook de Superette dicht.
De trein komt eraan. Seb legt aan met een denkbeeldig geweer en richt op de muur van rammelende wagons die voorbij dokkert, laat zachtjes de schoten tussen zijn lippen ontsnappen.
Hij steekt over, fietst langs de twee perrons, met onkruid bedekt, en het station - dichtgetimmerde ramen, een dode klok - tot voor de Superette, die dof en gesloten het ochtendlicht weerstaat. Seb komt tot stilstand, zet beide voeten op de grond en sluit de ogen. Iedere keer wanneer hij hier is wordt hij overvallen door het allesomvattende van deze plek, omringd door eindeloze weiden, onder de oeverloosheid van staalblauwe lucht. Alsof iemand twee werkelijkheden heeft genomen en in elkaar heeft geschoven. En te midden van dat alles: Silke, achter de kassa. Ze leest een tijdschrift en wit licht valt op haar, als ijs. Silke, gevangen in glas en rekken gevuld met producten waarvan de vervaldatum is verlopen. Silke, die hem een pakje Kent toeschuift en zegt: ‘Jij rookte toch rode Gauloise?’ Silke, roerloos oplichtend in de duisternis van zijn hoofd.
Het kost hem allemaal zo weinig moeite het te zien. Te weinig moeite. En dan zet Seb zijn rechtervoet op de rechtertrapper, duwt hem hard naar beneden, en opent de ogen.

Twintig frank.

Deze week elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over de Belgische frank nav de kredietsoap rond Griekenland.

We waren in Artis en Lola wilde in zo’n karretje. Ik zei dat ze daar niet meer in paste. Het is waar. Lola hield vol. Ik zei dat ik geen stuk van twee euro had maar Lola herinnerde mij eraan dat ze haar portemonnee in mijn tas had gestoken. IJverig rommelde ik door de Albert Heijn-munten, Dollarcenten en Lowlands 2001-muntjes die samen het kapitaal vormen waarmee wij onze oudste dochter op speelse wijze de basisbeginselen van het kapitalisme trachten bij te brengen en plots ontwaarde ik een muntstuk van twintig Belgische franken.

Ik herinner mij nog goed de introductie van het muntstuk van twintig frank, in het gezegende jaar 1980. Toen de euro nog slechts een droom was, en Griekenland een onbezorgd vakantieparadijs. Daarvoor had je alleen maar muntstukken van 25 centiem, één, vijf en tien frank en vanaf twintig frank begonnen de briefjes. Om te verdoezelen dat twintig frank in 1980 echt geen briefje meer waard was, hadden de ontwerpers er een prachtig glanzende goudkleurige munt van gemaakt. De eerste maanden na de introductie spaarde mijn moeder stukken van twintig frank. Het stond rijk: een pot vol goud, gewoon op het aanrecht bij je thuis.

Ik liet de munt door mijn vingers glijden. Hij was dof geworden van de jaren in eenzaamheid en duisternis. Ik liep naar Lola toe en stak ‘m in de gleuf van het karretje. Paste precies. 
Kortom. Als de euro straks verdwijnt, volstaat de herintroductie van het twintigfrankstuk om alvast te vermijden dat alle winkelkarretjes van Nederland en Vlaanderen verbouwd dienen te worden. Sterker nog, het lijkt mij verstandig om het twintigfrankstuk in heel Europa in te voeren. Twintig frank, dat is een halve euro. Denk aan hoe het zal voelen – een pot vol goud op het aanrecht terwijl buiten de depressie woedt.

Lola stapte in het karretje. Ook dat paste nog net. En zo werd het al bij al een uitermate geruststellende middag te midden van tal van exotische dieren die verder ook geen idee hadden.

Vreugde.

Deze week elke dag een fictieverhaal naar aanleiding van de actualiteit, dit in opdracht van het VPRO Radio 1-programma Nooit meer slapen. Uitzending om 01.00h 's nachts, en daags nadien na te luisteren via de podcast, of na te lezen op deze plek. Vandaag een verhaal over de onredelijke vreugde van de voetballer, n.a.v. de Champions League, die weer van start is gegaan.

De laatste man en de keeper stoomden op tot aan de middenlijn. Achter hen lonkte een leeg doel. De stand was 2-2. Tien seconden op de klok. We hebben het over zaalvoetbal.

Hij dacht: ik ga doorjagen. Hij wist niet waarom. Het was niet zijn stijl, doorjagen. Hij was meer het type dat aan het doel stond te wachten tot iemand hem een intikkertje aanbood. Maar nu legde de keeper de bal breed op de laatste man en hij joeg door. Daar had de laatste man duidelijk niet op gerekend en in wat Johan Cruijff zou omschrijven als een klassiek oeh-ah-moment (de bal klemde tussen hun beide rechtervoeten en dreigde – oeh! – over zijn wreef heen te wippen totdat hij hem met een uiterste krachtinspanning – ah! – onverwachts in zijn voordeel via zijn scheenbeen wegduwde) ontfutselde hij de bal. Nu ja. Onfutselde. De bal was weliswaar niet meer in het bezit van de laatste man maar ook nog niet in het zijne. Tergend langzaam dreigde hij over de zijlijn heen te rollen. Terwijl een onzichtbare kracht het bloed uit hun kuitspieren zoog, sleurden en trokken de laatste man en hij elkaar tot bij de bal alwaar hij erin slaagde hem met een wel zeer onzaalvoetbalachtige sliding een fractie van een seconde eerder te raken. 
Daar lagen ze, de laatste man en hij. Samen keken ze een bal na die over een afstand van zo’n 20 meter in de richting van het lege doel zweefde, recht op de linkerpaal af, een half metertje boven de grond, totdat een speling van het lot dat laatste zwiepertje gaf waardoor de bal alsnog de paal ontweek en tegen de netten sloeg.
Hij keek op en zag de laatste seconde wegtikken op het elektronische scorebord. Meteen daarna barstte een verpletterend gejuich los en zag hij zichzelf met gebalde vuisten richting zijn ploegmaats lopen.
En toen gebeurde het. 
Hij ervoer vreugde. 
Het was een akelige vreugde, met een ongepaste intensiteit, het was een oerknal van geluk, zonder reserve, zonder nijd, het soort van vreugde dat alleen maar gevolgd kan worden door spijt.

En terwijl heet water in harde stralen op hem neersloeg, vroeg hij zich af wanneer hij voor het laatst zo blij was geweest. Hij kon niet meteen een moment verzinnen. Een geboorte, een huwelijk, een overwinning op tragisch onrecht na jaren. Dát waren momenten die zo’n vreugde rechtvaardigden, dat was zeker, maar vreugde is niet rechtvaardig, ze kiest zelf haar momenten, niet gehinderd door enige mate van redelijkheid of proportie. Vreugde is een bitch.

Het was schaamtelijk. Hij dacht aan de geboorte van zijn oudste dochter. Hij overwoog het moment waarop hij besefte dat zijn vrouw zijn vrouw was. Was hij toen zo blij? Het was mogelijk. Maar hij durfde het niet zeker zeggen. Het was slechts mogelijk. 
En aan die mogelijkheid klampte hij zich vast.