Mooie dingen.

Ik weet nog precies waar ik zes jaar geleden was. In die tijd had ik nog een papieren agenda. Ik heb alle jaargangen bijgehouden.
27 januari 2006. Ik was van plan naar een tentoonstelling te gaan van een meisje, een kunstenares-in-opleiding die ik enkele jaren voordien na afloop van een optreden met het bandje waarin ik speelde in Rotterdam had leren kennen. Er was nog geen sprake van Liefje en het is fair to say dat zij mij interesseerde maar op de één of andere manier had het contact nooit een concreet vervolg gekregen. Wel bleef ik haar werk volgen, en die dag, op 27 januari 2006, zou ik naar een tentoonstelling gaan. Maar dat heb ik niet gedaan. Dat weet ik nog omdat ik me al vaak heb voorgenomen om naar een expositie van haar werk te gaan en het is er nog nooit van gekomen, dus ook toen niet, en dat is jammer want ze maakt hele mooie dingen.
In plaats daarvan sprak ik af met een vriend in Antwerpen, die biefstuk met friet en salade had gemaakt en daarna trokken we naar De Nachten, een mooi festival dat niet meer bestaat en als je me toen had gezegd dat ik er drie jaar later zou optreden als schrijver van een roman, dan had ik daar best een paar flessen champagne op durven verwedden als in: no way.
Daaraan moest ik allemaal denken toen ik las dat er een topcrimineel op vrije voeten kwam. Al weken gonsde het in de media en vandaag is het zover en in alle berichtgeving proef je een onuitgesproken verontwaardiging, een Henk&Ingrid-achtige subtext die ook veel zogenaamde kwaliteitsmedia geruisloos heeft vergiftigd de voorbije jaren en die in dit verhaal zegt: schandalig, veel te kort.
Er spelen uiteraard nog andere beschuldigingen, het is een complexe zaak, oké.
Maar op zes jaar tijd kan dus veel gebeuren en ik vraag me af hoe ik me nu zou voelen, wanneer al die agendavullingen, die ik met een elastiekje eromheen heb opgeborgen in een kartonnen doos die in de kast staat van de werkkamer waar ik elke dag mag doen wat ik wil, ja, hoe zou ik me voelen als al die bladzijden leeg zouden zijn?

Bladel.

Ik werd opgehaald op station Eindhoven en vandaar reden we naar Bladel. Ik weet niet of u Bladel kent. Het ligt vlakbij Eersel.
Toen we het dorp binnen reden zag ik twee mensen fietsen met gele fluo hesjes aan. Daarna een voetganger met een oranje hesje. Even verderop nog een. En toen mijn gastvrouw de wagen voor het gemeenschapshuis parkeerde stond er bij de fietsen een man te roken met een geel hesje aan.
Ik stapte uit, de lucht was koud en vochtig maar ook: volkomen stil. Niets in Bladel bewoog. De rokende man was een standbeeld. Mijn gastvrouw zweefde bewegingloos naar de entree, en ik volgde, keek om me heen, genoot van hoe alles en iedereen in Bladel er haast achteloos in scheen te slagen de rust te bewaren terwijl er toch heel wat aan de hand is zou je zeggen, en ik wou dat Rob Waumans dit had kunnen zien.
Toen we binnen kwamen stond de organisator op ons te wachten bij de bar. Door twee open deuren zag ik een vrij grote zaal die helemaal vol zat, met voornamelijk vrouwen die per vier koffie dronken aan tafeltjes.
‘Ja,’ zei de man. En hij zuchtte. ‘Je hebt concurrentie van Hella van der Wijst.’
En dat was alleen nog maar het begin van een mooie avond.

Prachtige ochtend.

Het was opnieuw zo’n ochtend met lange, horizontale strepen oranje licht in de lucht.
Dat soort ochtenden heb je steeds vaker de laatste tijd – of ben ik de enige die deze indruk heeft? Niets zo gevaarlijk als vertrouwen op de perceptie van een individu, vooral wanneer je zelf dat individu bent.
Toen ik nog voor een groot festival werkte, had je elk jaar, onveranderlijk, de posterdiscussie. Die ging als volgt: ik boekte een postercampagne in Amsterdam; frames en grote zuilen. De leverancier bezorgde mij foto’s van alle locaties waar ze hingen en vervolgens was het wachten op de eerste collega die kwam klagen dat ze niet hingen.
‘Nee,’ zei ik dan. ‘Ze hangen wel. Alleen: jij ziet ze niet. Evenwel, out there wordt het gewenste publieksbereik gerealiseerd.’
‘Jamaar,’ zei die collega. ‘Als ik ze niet zie, dan ben ik vast de enige niet. En ik sprak die en die, en die hadden ze ook niet gezien.’
Vervolgens haalde ik de foto’s boven van de plekken waar ze hingen maar zelden heb ik zo’n discussie op dusdanige wijze weten te beëindigen dat beide partijen er zich voldaan uit terug konden trekken.
Wij vinden het niet fijn wanneer onze perceptie niet strookt met de werkelijkheid. En de werkelijkheid op haar beurt, trekt zich van ons niks aan. Wat daarbuiten gebeurt, gebeurt ook zonder dat onze ogen erop gericht staan. Ook wij zijn het meest onszelf wanneer niemand ons kan zien.
Kortom, een prachtige ochtend; je ziet ze steeds vaker, de laatste tijd.

Niet leuk.

Alle fietsrekken voor de Albert Heijn waren vol dus ik moest mijn fiets neerzetten om de hoek, achter de fitness, op de kade tegenover de boot van de zeilschool waar ik ooit drie lessen gevolgd heb – die rekken zijn altijd vrij.
Het waaide en het regende net niet of net wel, dat soort weer.
Ik had het IJ nog niet vaak zo gezien. Woest als een zee, schuimkoppen die tegen de woonboten bij de brug naar KNSM kapot sloegen. Ik zette de fiets vast, liep naar binnen en bestelde sigaretten bij de balie. Het was hetzelfde frêle Surinaamse meisje als altijd. Ze wilde het briefje van vijf euro in ontvangst nemen en de sigaretten geven in één keer, met dezelfde hand, en ik probeerde daar in mee te gaan maar het ging natuurlijk mis, het was allemaal een beetje onhandig, haar slanke gespierde vingers raakten verstrengeld in de mijne, het briefje viel op de balie en voor het eerst in al die tijd dat zij mij sigaretten verkoopt, lachte ze me toe en ik lachte terug en zei dag.
Toen ik buiten kwam regende het, deze keer echt. Ik zag een vrouw die haar fiets van het slot haalde en naast haar stond een jongen van een jaar of vijf, op zijn fiets, te wachten en hij zei: ‘Dit is toch niet leuk? Of wel soms?’

Alles.

Ik stapte uit de douche en de spiegel van het badkamerkastje was bedampt. Dat gebeurt anders nooit dus ik moet er lang onder hebben gestaan; ogen gesloten, handen in de nek. Lola werd snel en vrolijk wakker. We liepen naar boven, maakten ontbijt en we aten het op. Daarna mocht ze nog even spelen, terwijl ik snel een ideetje optikte, een beeld van de avond ervoor.
We reden in de auto door de regen naar de school, we waren lekker vroeg. In de klas speelden we nog een hele tijd een memoryspel en Lola speelde vals dus aan het eind was het gelijk. Op weg naar huis belandde ik in de file. Beide bruggen naar het vaste land stonden helemaal vol en zo schuifelden we een kwartier lang, bumper aan bumper, en ergens halverwege de sliert ook nog de tram, totdat ik linksaf ons eiland op kon rijden.
Bij thuiskomst was het nog steeds stil en donker beneden. De katten waren rustig terwijl ze nog geen eten hadden gehad want dat is op. Ik sloop naar boven, nam een sigaret, ging roken op het balkon in de regen en ik sloot de ogen en al die tijd speelden door mijn hoofd: de schemering van een huiskamer, de verwijtende lach van een kind, een zachte gloed die zijn weg over hoge, trotse jukbeenderen vindt.
Er was veel anders dan anders vanochtend. Zo niet: alles.

Zet 'm op.

De volgende maandagochtend zag ik de Welshe moeder opnieuw. We stonden naast elkaar voor het raam van de klas, te zwaaien naar ons nageslacht.
Ze keek me aan. Een lach op haar gezicht brak door, als de zon en ze vertelde me hoe het was gegaan.
‘Wauw,’ zei ik.
‘Ja,’ zei ze.
‘Echt geweldig,’ zei ik.
‘Ja, hé. Zoveel meer dan ik had gedacht,’ zei ze.
Het was half negen en ze was geschminkt. Dunne lijntjes mascara. Een ogenblik lang leek het alsof er in de spiegeling van haar oogvocht een regenboog gloorde.
‘Nou,’ zei ik. ‘Goed hoor. Zet ’m op!’
En ik zwaaide weer naar Lola, en zij zwaaide naar haar zoon en zo stonden we daar allebei te zwaaien, en ik kon zien dat ze hem eigenlijk helemaal niet zag en zelf was ik de vermoeide drager van een verkrampte lach en ik merkte hoe ik mijn ogen samenkneep, niet omdat ik zelf mijn dochter niet kon zien maar wel omdat het de enige manier was om ze open te houden.

Zwijgen.

Ik stond te roken voor Athenaeum en ik keek naar het plein waar wat jongens op een bankje zaten en onophoudelijk ‘Je weet toch’ zeiden. Toen ik me weer omdraaide naar de etalage, stond ze daar.
‘Hé, ik ken jou,’ zei de vrouw.
Ik knikte.
‘Jij bent de papa van Lola,’ zei ze. ‘Ik ben de moeder van Dylan.’
Dat kon ik niet ontkennen.
Ze keek achter zich, alsof ze nu pas zag dat ze voor een boekenwinkel stond en zei: ‘Ik sta te wachten.’
Ik zweeg. Zwijgen is de beste manier om mensen te doen praten. Zeker in Nederland. Nederlanders zijn ondernemend en slim. Ze hebben land gewonnen op zee, en hun handelswaar gaat al eeuwen de hele wereld rond. Maar tegen de stilte zijn ze machteloos. Blijf zwijgen, en voor je het weet praat de Nederlander uit pure wanhoop zelf zijn eigen prijs naar beneden.
Toen de vrouw was uitverteld, haalde ze verlegen de schouders op. Ik glimlachte en dacht aan vroeger tijden. Zo staan wachten, ik vond haar te benijden. De vrouw bekeek de platenhoezen van Bob Dylan die in de etalage hingen, als decor bij het boek van Daan dat even daarvoor in de winkel was gepresenteerd.
‘Mijn zoon heet Dylan vanwege Bob,’ zei ze. ‘En vanwege Dylan Thomas. Ik ben Welsh.’
Ik knikte opnieuw. Daarna zwegen we allebei.

Hartelijk.

Ik stond bovenaan de trap te praten. Mijn gesprekspartner stond een trede lager - ik had het overzicht.
Het was een schrijversfeestje. Ik heb ondertussen door: je moet goed opletten wat je doet op een schrijversfeestje. Het eenvoudigst is om iedereen hartelijk te groeten dus dat probeer ik altijd te doen.
Om de een of andere reden zijn er mensen bij wie dat steevast mis gaat. Buiten mijn wil om vergeet ik hen te groeten, groet ik hen niet hartelijk genoeg of ontstaat er een andere vorm van ongemak en ik kan er maar niet de vinger op leggen. Ik haat deze mensen niet, sterker nog, ik sta welwillend tegenover hen en toch gaat het keer op keer mis. Dit kan mij bezig houden.
Nu had ik al enige tijd zo’n individu in de gaten en ik wist dat deze persoon weldra de trap zou bestijgen en mij zou passeren en dat het zaak was om de juiste, hartelijke begroeting te realiseren om voor eens en altijd af te rekenen met het sociale ongemak dat ons tot op heden van elkaar scheidde.
Het gesprek dat ik voerde was erg interessant en ik probeerde op rechtvaardige wijze mijn aandacht en blik te verdelen tussen mijn gesprekspartner en de bewuste persoon daar beneden.
Op een bepaald moment zag ik dat de beklimming van de trap was begonnen en ik zette me schrap. Al snel kon de begroeting niet langer meer dan enkele treden uitblijven, en tot mijn vreugde zag ik dat de welwillendheid wederzijds was en dat ook de tegenpartij zich voorbereidde op spontane hartelijkheid. En net toen, echt nét op het moment dat de eerste toenaderende beweging werd in gezet en onze ogen zich in elkaar vasthaakten, vroeg mijn gesprekspartner me iets – want dat gesprek ging gewoon door terwijl alles wat hierboven staat zich voltrok, nee serieus – en ik had geen enkele andere keuze, u moet mij geloven, echt geen en-ke-le andere keuze dan hem te antwoorden: ‘Nee, dat hoeft niet.’
Terwijl ik dit zei, keek ik recht in de ogen van diegene die op mijn hoogte was aangekomen en de armen liefdevol spreidde maar bij het horen van mijn woorden deze hartelijke beweging bruusk onderbrak en ontzet met gebogen hoofd verder liep en het feest betrad.
Ik keek nog om. Ik riep ‘Hey!’, en lachte, wanhopig veinzend dat ik me niet had gerealiseerd wie het was. Maar ik wist het. Ik wist het goed genoeg. En nu werd ik verteerd door spijt terwijl mijn bedoelingen eerzaam waren geweest, al die tijd.