Lou Victoria (‘Bijna 7’) zat op de bank met de iPad en zei: ‘Papa, papa, ik kijk een film en die mensen bouwen zelf een huis.’ Lou Victoria heeft een voorliefde voor de meest vage films die op YouTube te vinden zijn. Daartoe heeft ze een handige zoekstrategie ontwikkeld. Ze schakelt stemherkenning in en zegt – in dit geval: ‘Huis.’

Zie mij fietsen, zie mij nu door de stad fietsen, kort nadat het groot ongeluk gekomen is.

Even later zit ze dan ofwel naar een vlog over slijm maken ofwel naar beelden van een open hart operatie ofwel naar een gezin te kijken dat, zo op het eerste zicht, inderdaad zelf hun huis in elkaar aan het timmeren was.
‘Die mensen praten Russisch,’ zei ik. ‘Dat kan jij helemaal niet verstaan.’
‘Dat maakt niks uit,’ zei Lou. ‘Als ik het maar kan zien.’
Daar viel iets voor te zeggen. Ik liep naar de keuken en bakte op haar verzoek ‘een plat eitje’. Terwijl ik dat deed, dacht ik wat ik vaak denk op zulke momenten van klein geluk: er zal een groot ongeluk komen. Het overkomt iedereen, vroeg of laat.

Wellicht zullen ze me bellen terwijl ik door de stad fiets. Vreemd genoeg denk ik daarbij altijd aan de Sarphatistraat, ter hoogte van de Athenaeum Boekhandel Roeterseiland. Mijn telefoon zal in mijn tas zitten, die op haar beurt in mijn kratje zal liggen en ik zal het niet horen, omdat mijn telefoon altijd op stil staat, totdat ik bij het Weesperplein voor het rode licht zal staan en mijn telefoon even uit de tas haal om Facebook te checken en dan zal ik al die gemiste oproepen zien en ik zal het meteen weten. Ik zal terugbellen en ze zullen het zeggen en ik zal schreeuwen, mogelijk half in elkaar stuiken, door omstanders geholpen worden, of ik zal totaal onbewogen luisteren en iets heel praktisch zeggen zoals: waar spreken we af? Daar zal ik dan naartoe fietsen onderwijl denkend: het is gebeurd. Misschien zal ik zelfs eventje glimlachen of in mezelf iets heel geks denken of iets beschouwends als: zie mij fietsen, zie mij nu door de stad fietsen, kort nadat het groot ongeluk gekomen is, dit is leven, dit gebeurt, iedereen ziet mij en niemand die het weet – en misschien zal ik dan zelfs in lachen uitbarsten in een soort van euforie, een sentiment veel nauwer verwant aan wanhoop dan de meeste mensen denken, omdat het leven zich met zo’n verwoestende kracht op mij heeft gestort. Pas wanneer ik aankom en haar gezicht zou zien, zou ik denken: het is écht gebeurd en wat nu?

Allebei gevaarlijke gekken maar áls ik zou moeten kiezen.

Ik serveerde het platte eitje aan Lou en las de weekendkrant, inclusief alle bijlagen tot en met de laatste pagina van de Volkskrant Magazine aan toe. Op die pagina heeft Arnon Grunberg sinds een paar weken een nieuwe rubriek, een mailwisseling die over seks en erotiek zou moeten gaan maar in werkelijkheid enkel holle aforismen en flauwe pedanteriën voortbrengt. Ik tweette er wat over, en alras belandde ik in een een-tweetje met Paul Baeten Gronda, en we lachten er wat om. Maar toen ik later die dag voor de boekenkast stond, op zoek naar vers leesvoer, werd ik zowaar een beetje verdrietig toen mijn blik op het rijtje stukgelezen ruggen viel van Tirza, De Joodse Messias, De azielzoeker, Gstaad 95-98 en De geschiedenis van mijn kaalheid. Onlangs tekende Frank Heinen, als ik me niet vergis, nog ergens haarfijn op hoe wij, als publiek zijnde, nu wel voldoende als een stel idioten behandeld zijn door o.m. de NPO en diverse andere media maar nu was het one of us, bedacht ik me plots, die onze intelligentie gewoon op wekelijkse basis en niet onbezoldig mocht beledigen. Het maximale wat je ervan kon zeggen was dat het niet van ons belastinggeld gebeurde. Waar moet het dan naartoe met de wereld, he, ah, wel, nou? Afijn, geen man overboord, geen man overboord, en ik koos De man die werk vond van Herman Brusselmans en begon dat te lezen. Steengoed. Shit. Dertig jaar geleden las ik dat boek voor het eerst en ik weet nog dat ik er toen erg van onder de indruk was, ik zal een jaar of zeventien geweest zijn, het was misschien wel het laatste boek dat ik las voordat ik tien jaar lang niet meer las en pas zo rond mijn zevenentwintig weer een roman vastpakte, dat was Girlfriend In A Coma van Douglas Coupland, nog altijd een van mijn lievelings maar dit alles terzijde want wat ik toen nog niet doorhad zal ik hier nu eventjes keihard poneren: De man die werk vond is de Vlaamse De avonden maar dan wel – hup, hier heb je mijn geloofwaardigheid, doe ermee wat je wil, ik heb er nooit veel aan gehad – nogal een pak béter dan De avonden.

Geen zorgen: ook mijn persoonlijke leven komt er uitgebreid in aan bod, geheel conform de hedendaagse literaire trends.

Het mooie aan Brusselmans is dat hij het altijd méént, misschien niet alles wat hij schrijft maar wel het schrijven zelf, en daar gaat het om. Ik heb een zwak voor mensen die het ménen. Het is de reden waarom ik, als ik verplicht zou worden te kiezen tussen Wilders en Baudet, altijd voor Wilders zou kiezen, ook al zou je misschien kunnen beweren dat zijn standpunten nog verderfelijker zijn dan die van Baudet maar Baudet is een idioot die zich verduiveld snel uit de voeten zou maken naar het een of andere lucratieve bestuursbaantje of denktank als hij een leven zou moeten leiden als dat van Wilders. Baudet is een player, Wilders offert zijn leven op voor iets waarin hij klaarblijkelijk gelooft. En allebei verfoei ik ze – voor alle duidelijkheid – het zijn gevaarlijke gekken, allebei, maar goed, ik zei dus: áls ik zou moeten kiezen.
Kortom, waar gaat dit over? Over een verschil maken. Over eigenhandig je eigen huis in elkaar timmeren. Over een minimaal respect voor de geestelijke vermogens van de mensen tot wie je je richt. Over iets ménen. Over een groot ongeluk dat ons allemaal zal overkomen. En laat dáár nu net eens mijn nieuwe roman over gaan zeg, over dat allemaal, je gelooft het niet, maar het is waar en geen zorgen: ook mijn persoonlijke leven komt er uitgebreid in aan bod, geheel conform de hedendaagse literaire trends. Kortom, bedankt voor uw tijd, maar ik moet nu als de wiedeweerga aan het werk.