Winnaars.

Het was een typische vrijdag. Er gebeurde schijnbaar niets. ’s Middags ging ik naar de kapper, met verbluffend resultaat. Daarna fietste ik naar huis, dronk een biertje, rookte een sigaret, en ging hardlopen. 
Pas ’s avonds bereikte mij het nieuws dat dit een gloriedag was voor het feminisme. Lilliane Ploumen van de PvdA en Isabelle Diks van GroenLinks pakken een kamerzetel dankzij voorkeurstemmen, en dit ten koste van een man hoger op de lijst. Nu moet je altijd opletten wanneer je als man iets gaat zeggen over het feminisme. Kijk uit met grappen. Zeg bijvoorbeeld niet dat als de achtergestelde positie van de vrouw een mannenprobleem was, het al lang opgelost zou zijn. Niet doen. Ik ben zeer blij voor Isabelle en Lilianne. Goeie zaak.
Toch denk ik nu al uren aan Paul Smeulders en William Moorlag die hun plaats af moeten staan. William Moorlag. Wat een naam. Uit Winsum. We hebben het nu over het hoge noorden, koppen van graniet. Hij ging naar de Walfridusschool in Bedum. Daar werd hij verliefd op een meisje met glanzende zwarte haren. Ze zag hem niet staan. Toen ze 16 was, vertrok ze naar Amsterdam.
Op 18 juli 2012 zat Paul Smeulders op de veerboot die voor de kust van Zanzibar verging. Van de 447 opvarenden kwamen er 297 om. Ik ken die veerboot. Ik heb hem zelf eens genomen, in de zomer van 2006. Voor de terugkeer naar het vaste land kozen wij daarna vol overtuiging voor een propellervliegtuigje voor acht passagiers. Het toestel kwam al los van de grond toen de piloot nog rustig zijn sigaret afmaakte, en de peuk weg flikkerde door het open raam. Voelde veiliger dan die boot. Het eerste wat Paul Smeulders deed toen hij aan wal kwam, was een vriend sms’en om te vragen wat Helmond Sport had gedaan.
Kortom, dit zijn kerels. Zij sneuvelen voor de goede zaak. Wij moeten niet voor hen bidden, noch medeleven tonen. William Moorlag en Paul Smeulders kunnen dit aan. Ook zij zijn de winnaars van de dag.

De hele week schreef ik verhaaltjes bij de actualiteit van de dag, die ik voordroeg in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1. Dit was het verhaaltje van vrijdag.

Verloren.

De hele dag vroeg ik me af of ik nu gewonnen of verloren had. De zon scheen, het water fonkelde uitdagend en er was niet gebeurd wat ik maandenlang had gevreesd. Toch voelde ik gek genoeg een lichte teleurstelling over mij neerdalen. Een beetje hetzelfde gevoel als na een zwaarbevochten voetbalwedstrijd die je onverwachts gewonnen hebt van een sterker geachte tegenstander maar waarmee je niks opschiet in het klassement: kampioen spelen zit er gewoon niet in. 

Dus je trekt je shirt uit, verlost je verzuurde benen van hun scheenlappen, klopt de modder van je voetbalshoes en stapt onder de douche met je ploegmakkers. Die staan allemaal vrolijk te zingen. Onder luid gejoel komt de coach de kleedkamer binnen met een dienblad vol bier. Je zwijgt. Het warme water glijdt zachtjes langs je vermoeide lijf, alsof het je wil troosten, en dat maakt je weemoedig. Door je hoofd spelen beelden van lang geleden, het zachte kunstlicht dat over de velden viel tijdens een avondtraining. Fluo roze hesjes in een grote boodschappentas. Je herinnert je glashelder je eerste doelpunt, het voelde als het begin van iets groots. Nu moet je knokken voor je plaats in het tweede elftal. Ze zeggen dat je niet goed genoeg bent, dat je niet hard genoeg traint. Elke overwinning, elk doelpunt is een herinnering geworden aan het feit dat je leven een wedstrijd is die je nooit definitief zal winnen. Het gaat maar door, tot lang na het laatste fluitsignaal.
Afijn. Bij mij zat de sfeer er dus verdomd goed in vandaag. Dit neemt niet weg dat het lente is, en dat ik vanochtend al lichtjes verbrandde toen ik op een terras in de zon koffie dronk met een bloedmooie vrouw. Ook zij voelde zich een beetje verloren. Maar dat is een heel ander verhaal.

Stemadvies.

Lieve Nederlandse vrienden,

Op 27 mei 2017 zal het precies 15 jaar geleden zijn dat ik naar jullie mooie land verhuisde. Ik zal het nooit vergeten. De beambte van de vreemdelingenpolitie vroeg: ‘Via welke grens kwam u het land binnen?’ En nadat ze me de landkaart had laten zien, kon ik antwoorden: ‘De zuidgrens.’

Ik integreerde. Tenminste, ik juich niet meer wanneer Oranje een doelpunt tegen krijgt en mijn jongste dochter lust pindakaas. Wat kan je meer verwachten? 
Daarnaast heb ik uw land verrijkt met mijn eigen cultuur. Zo weten nu al 10 Nederlanders (ruwe schatting) dat je frieten twéé keer moet bakken (1 keer op 160 graden, 1 keer op 190 – en vergeet niet om ze na het snijden maar voor de eerste keer bakken in lauw water te wassen, om de overtollige meel te verwijderen, zodat ze niet gaan plakken). Pure winst. Daarnaast betaal ik netjes belastingen.

Dit alles, evenwel, heeft mij nog geen stemrecht opgeleverd.

Dus vanochtend, op school, lulde ik een moeder die op het punt stond Artikel 1 te gaan stemmen om naar GroenLinks. Zo heb ik toch nog gestemd. Niet dat ik iets tegen het programma van Artikel 1 heb, net zomin als tegen dat van de Partij van de Dieren of de PvdA. Maar deze verkiezingen gaan niet om programma’s, deze verkiezingen gaan om het verleggen van het initiatief, en wat mij betreft: het keren van het rechtse tij. Wie aan de linkerzijde vandaag op een partij stemt die in de Peilingwijzer op minder dan 15 zetels staat, gooit zijn stem weg want zorgt er in feite voor dat GroenLinks of SP niet de grootste kunnen worden waardoor het initiatief voor de coalitie bij ofwel de PVV ofwel de PVV-light (beter bekend als VVD) terecht komt.

Kortom, vergeet de programma’s, we weten allemaal dat die onuitvoerbaar zijn in een coalitie. Kijk naar het grote plaatje. Een linkse partij de grootste, tegen de internationale stroom in, het kan gewoon, sterker nog: het is zelden zo eenvoudig geweest. Nederland gidsland. Zo heb ik uw mooie land 15 jaar geleden leren kennen. Niemand gaat dat land aan u terug geven; u moet het zelf terug pakken.

Succes ermee!

Naar de overkant.

Die dag stonden we te wachten op de boot, zoals elke ochtend, de fiets aan de hand, de blik gericht op de overkant. Het ponton wiegde ons zachtjes heen en weer. De hemel grijs, slierten mist laag boven het water. In de verte kon je nog net de oude brug zien, en het rijtje huizen bij de sluis waar ik ooit zou gaan wonen. 
Plots, uit het niets, kwam een koppel meeuwen krijsend aanvliegen. Een ging bovenop de vlaggenstok aan de waterzijde zitten, terwijl zijn kompaan achter ons, op de kade, plaats nam op het dak van een bushokje. Enkele medereizigers keken op. Ze leken zich geen zorgen te maken maar ik had het onmiddellijk door: ze sloten ons in.
In de verte naderde de veerboot. De meeuw op de top van de vlaggemast merkte het schip op, en begon ons met onverholen minachting toe te schreeuwen. In rijen van twee! Doorlopen! Halfweg het dek de fiets omdraaien! Und kein geloel! Nu keken alle passagiers verbijsterd omhoog, maar het was te laat. Achter ons hoorde ik het monkelende lachje van de tweede meeuw. We konden geen kant op. 
De boot legde aan. Gedwee wachtten we tot alle passagiers aan wal waren gegaan. Daarna gingen wij aan boord, in rijen van twee, de hoofden gebogen, in een stilte die werd vormgegeven door het klotsen van het water, en het kwaadaardige grommen van de motor. De klep ging omhoog, de boot maakte zich los van de kade en iedereen keek de passagiers op de wal na, en ik kon zien dat sommigen onder ons zich nu pas realiseerden dat ze zonet van leven hadden geruild en dat ze waren bedrogen. En al die tijd keek de meeuw toe, vanop zijn vlaggestok. Hij zweeg, tevreden met zichzelf, en zijn kompaan op het bushokje klapperde met zijn vleugels ter goedkeuring, en het was haast geestig om te zien hoe snel de paniek zich over het dek verspreidde en ook ik wist natuurlijk dat dit de laatste keer was dat we naar de overkant gingen maar ik zal eerlijk zijn, jongen: ik was rustig, en opgelucht.

Nieuw.

Bij het afscheid voor de draaideuren van de bibliotheek viel me opnieuw op hoe rank en smal haar hand was en hoe beslist ze de mijne schudde, en ik wenste haar een fijne avond, draaide me om en liep naar het station terwijl ik nadacht over wat Jeroen Vullings me tijdens het interview had gevraagd, namelijk: waarom jonge mensen in alle vier mijn romans de hoofdrol spelen. Het komt regelmatig terug in de besprekingen van Billie & Seb, wellicht omdat lezers na een boek of vier de behoefte voelen om een lijn te zien. Er wordt wel eens geroepen dat elke schrijver maar één thema heeft. Dat heb ik altijd onzin gevonden. Misschien vond ik het onzin omdat ik het niet door had. 
Wellicht daarom ook dat ik momenteel werk aan een collectie verhalen die allemaal draaien rond dezelfde man van middelbare leeftijd: uit pure recalcitrantie. Maar ook deze man lijkt zich steeds vaker af te vragen hoe het allemaal zo gekomen is, en denkt al te vaak terug aan zijn jeugd in plaats van in de wereld te staan en iets te ondernemen. Ik vermoed dat het allemaal te maken heeft met mijn onverklaarbare hang naar nieuwe mogelijkheden, de vreugde die ik nog altijd kan voelen – en die een goede vriend ooit ‘terminaal puberaal’ noemde – wanneer ik vaststel dat iets nog lang niet af of klaar is, maar nieuw en vol mogelijkheden, zoals een jeugd.
De wandelboulevard was leeg. Kille nieuwbouw, halogeen licht, en ik versnelde mijn pas, het station kwam in zicht. Eerder die avond had ik me ook al over deze boulevard gehaast maar dan in de omgekeerde richting, omdat ik iemand had gezien die ik niet wilde spreken en waarvan ik plots had vermoed dat hij me zou achtervolgen en nu liep ik weg van iemand met wie ik graag langer had willen praten, iemand nieuw, daar had je het weer, en ik merkte dat zelfs toen mijn rechtstreekse trein naar Amsterdam een Sprinter bleek, ik desalniettemin de hele terugreis lang in mijn nopjes bleef.

Energie.

Lou Victoria (5) lag op haar rug op de bank en ze drukte haar vingers op een bepaalde manier tegen haar oren. 
‘Hey Lou, wat ben je aan het doen?’
‘Ik luister naar mijn energie.’
‘Je energie?’
‘Ja, mijn energie zegt mij wat ik moet doen.’
‘O.’
‘Maar soms wil ik het niet maar dan moet ik het toch doen van mijn energie.’
‘Zoals wat bijvoorbeeld?’
‘Zoals bijvoorbeeld dat ik stiekem een snoepje moet pakken.’
‘Aha. En wat moet je nu doen van je energie?’
‘Ik moet vragen wie het eerste dood gaat: Lola of ik.’
‘Nou, da’s wel een beetje een gekke vraag.’
‘Ja, want dat kan je helemaal niet weten toch, wie eerst dood gaat?’
‘Precies.’
‘Behalve jij. Jij gaat eerder dood dan Lola en mij.’
‘Ik hoop het wel. Zeg, hoe doe je dat eigenlijk, naar je energie luisteren?’
Lou legde me de vernuftige wijze uit waarop je verschillende vingers in verschillende standen tegen je oor en slapen moet drukken, en er diende ook nog het een en ander te gebeuren met de oorlelletjes.
‘En? Hoor je hem?’ vroeg Lou.
‘Ik hoor niets. Jij?’
‘Ik hoor hem.’
‘Wat zegt hij?’
‘Mmmm. Deze keer zegt hij: kazipuwasadihadikuw.’
‘En wat betekent dat?’
‘Dat betekent niks. Soms kan ik mijn energie helaas niet zo goed verstaan.’
'Jammer zeg.'
‘O wacht nee, papa, ik kan hem tóch verstaan!’
En ze kwam recht, sprong van de bank, en maakte een sierlijke pirouette waarbij ze in één vloeiende beweging de afstandsbediening greep, en de televisie aanzette.

Niet helemaal lekker.

Ik fietste naar een Classical Rave – don’t ask. In de verte weerklonk een sirene. Het regende of dat leek het te willen doen maar echt veel kwam er niet van terecht. Desalniettemin greep ik mijn stuur stevig vast en trok mijn schouders op hetgeen niet mag wanneer je een lichaam hebt zoals het mijne waarin zowat alles kraakt en piept en schrijnt, ja nu reeds, na nauwelijks 45 miezerige jaren. Ik heb altijd gedacht dat ik niet veel ouder zou worden dan 65 maar de laatste tijd bekruipt mij het gevoel dat ik wel eens de tachtig zou kunnen halen. Nog minstens 35 jaar piepen, kraken en schrijnen. Waarschijnlijk ben ik volledig demonteerbaar tegen de tijd dat ik die laatste adem dan eindelijk uit mag blazen. 
Alleszins, lekker weer dus, en ik trapte stevig door. Bij een kruispunt werd ik plots afgesneden door een wagen die rechtsaf ging terwijl ik rechtdoor moest – hij wist net op tijd te stoppen en ik wist hem net te ontwijken en reed er omheen terwijl ik opzichtig mijn hoofd schudde zoals geroutineerde Amsterdamse fietsers horen te doen, met precies genoeg minachting om onuitstaanbaar te zijn en zonder oogcontact te maken uiteraard. Achter mij schreeuwde de chauffeur door zijn open raam: ‘Ik ging verdomme aan de kant voor een ambulance!’. En ik stak mijn hand op zonder om te kijken, gewoon stug doorfietsend. 
Had ik nu excuses gemaakt? Formeel gezien wel, dus formeel was dit opgelost. Maar ik had niet omgekeken, en geen oogcontact gemaakt, sterker nog alles in mijn krakende, piepende, schrijnende lijf had uitgestraald dat ik de chauffeur in kwestie nog steeds een lul vond en daarbij was er in de hele wijde omgeving geen ambulance te zien, en geen sirene meer te horen dus misschien had hij wel een fout gemaakt, gedacht dat die sirene een ambulance was, aan de kant gegaan, fietser afgesneden, woedend geworden om het minachtende hoofdschudden en toen maar snel dat raampje opengedraaid en mij nageschreeuwd om zichzelf te verantwoorden. O mijn god, dacht ik, dit is net het huidige maatschappelijke debat en kut zeg ik maak er deel vanuit. 
Daarna natuurlijk gewoon naar die Classical Rave gefietst of wat dacht je? Er speelden twee progrock bandjes, waarin jonge hippe mensen met waarachtige intenties op blokfluiten speelden voor een publiek van al even jonge en hippe mensen. Verdomd dacht ik, hier zit ook al iets niet helemaal lekker.

Vrouwen.

Voor de tweede opeenvolgende nacht werd ik wakker om 3:16. Ik dacht: als dit een roman van Murakami was dan ging nu de telefoon en kreeg ik een mysterieuze vrouwenstem aan de lijn die mij in de grootst mogelijke moeilijkheden zou brengen op een rustige en vanzelfsprekende manier. Maar dat gebeurde niet. Ik ging op mijn rug liggen en dacht na over de dromen waaruit ik beide keren was ontwaakt.
Gisterennacht bezocht ik de Euromast, samen met een dame. Rotterdam spreidde zich uit aan onze voeten maar ik keek helemaal niet naar de stad, ik keek om me heen en ik zei de hele tijd: ‘Kijk, we zijn alleen.’ En telkens wanneer ik dat zei legde ik mijn hand op haar onderrug en telkens wanneer ik dat deed, loste ze op in de lucht. 
Afgelopen nacht stond ik met de buurman te praten op de stoep, die tevens de oever van het IJ bleek te zijn geworden. Het sneeuwde. Even later kwam de lievelingstante van de kinderen aangevaren met onze boot, Lola stapte in, en ze begonnen rondjes te varen op het IJ terwijl de buurman en ik toekeken. ‘Nou,’ zei ik. ‘Wel fijn om te zien dat de motor het nog doet, ondanks de kou.’ Net op dat moment accelereerde de boot zo snel dat het voorsteven omhoog schoot, en het achtersteven volledig in het water verdween. Een seconde later was de hele boot gezonken. De buurman en ik doken het water in en zwommen ernaartoe. De lievelingstante kwam al snel boven maar Lola niet. Ik speurde rond in paniek, en plots zag ik onder mij een rode vlek en ik wist dat zij het was en ik dook – en werd wakker.
U hoeft het me niet te vertellen. Dit draait inderdaad allemaal om vrouwen die op vreemdsoortige wijze verdwijnen terwijl ik ze het liefst dichtbij me wil houden. Story of my life.