Tekenen van herstel
Het was aan het begin van deze periode, geloof ik. Ik stond op de kade aan het water voor het Bellevue theater heus geen sigaret te roken, en slaakte een diepe zucht van het existentiële soort, zomaar, voor geen reden.
‘You allright?’
Ik had het goed gehoord maar was verrast, en draaide me om. Een jongedame, ergens in de twintig, een open gezicht, krulletjes misschien, zoiets, parkeerde haar fiets achter mij.
‘Sorry?’ vroeg ik.
‘Are you allright?’ vroeg ze.
‘Yes,’ loog ik, ook al was er toen nog niks gebeurd. ‘No problem!’
Ze glimlachte en zette haar fiets op slot.
‘Kind of you to ask,’ zei ik.
‘Of course,’ zei ze, draaide zich om, liep het theater in. Hoe vaak gebeurt dat nu? Iemand ziet je, denkt: gaat dat wel goed? Even checken hoor. Ik fleurde ervan op. Niet dat er toen al werkelijk iets aan de hand was, ben je gek, gewoon in de invallende duisternis wat in het water staren terwijl ik heus geen sigaretje rook, dat doe ik haast elke dag.
Schijnbewegingen die je moeiteloos ontwijkt, tot je neergaat.
Rare dagen van stilletjes voor je uitstaren. Uren die verglijden zonder een beweging te maken. Dan toch de trein instappen, dan toch naar die lunch gaan, toch twee uur geanimeerd converseren, daarna welgemutst een wandeling door de stad die ooit de jouwe was, de zon die haar stralen precies in het oude steegje werpt waar ooit je overgrootouders woonden, terwijl je glimlachend foto’s neemt van het statige pand waarin zij een winkel in koloniale waren dreven en waar nu een zaak in luxe beddengoed zit met smaakvol gekleed personeel dat geen idee heeft wat jij over hun werkplek weet, en in de verte de Schelde, glinsterend als een meer, en daarna, hop, een vélo op, prinsheerlijk pedalerend terug naar het station en wanneer je eenmaal in de trein naar huis zit: plots kapot moe, stil, leeg, anderhalf uur niets. Schijnbewegingen die je moeiteloos ontwijkt, tot je neergaat.
De volgende ochtend, tijdens het hardlopen, sloeg ik gewoon weer iemand in elkaar.
Vorig weekend voer ik met Lou in ons bootje naar het terras waar Lola in de bediening werkt. Lou zat vooraan, op de boeg, met haar voetjes in het water, en af en toe keek ze achterom, en ik vroeg me af wie ze daar zag zitten. Wat zou er van dit boottochtje, van alle boottochtjes, overblijven in haar hoofd? Wanneer ik zelf nadenk over mijn tienerjaren en hoe het leven toen thuis verliep, kan ik ontdaan raken door de vaststelling dat ik niet meer dan een paar onscherpe beelden boven kan halen. De algemene setting, een paar gewoontes, misschien een concrete gebeurtenis of drie, maar geen enkel gesprek, geen enkele gedetailleerde interactie met mijn vader of moeder vergelijkbaar met het moment waarop Lou mij erop wees dat er een politieboot naast ons was komen varen, en dat de agent mijn aandacht probeerde te trekken, me vroeg – toen ik eenmaal uit mijn dagdromen ontwaakt was – om aan te leggen bij de alcoholcontrole even verderop. Een alcoholcontrole op het water, nooit eerder meegemaakt in alle jaren dat we varen, en dat precies op de dag dat ik voor het eerst in alle jaren dat we varen geen bier mee had op de boot. We lachten erom, meerden aan, de agent vroeg of ik gedronken had, ik zei nee, ik blies, de agent keek op het apparaat en zei: inderdaad, en nu weten wij het ook.
Je kan nu wel met je ogen rollen maar straks, veel sneller dan je denkt, zal je me gelijk moeten geven. Wil je dat?
Are you allright? Deze dagen ben ik weer terug in het woeste Bretagne, waar ik ook was toen ik hoorde dat ze er stilletjes vandoor was gegaan. De eerste nacht sliep ik elf uur, onafgebroken, en tegen het ochtendgloren droomde ik een mooi slot voor mijn roman, dat ik ook nog eens onthield. Ik stond op, zette koffie, schreef het rustig op, las het even na, dacht: zo, wie gaat hier nog overheen? Overmoed, weinig mensen weten dit, is één van de eerste tekenen van herstel.
0 reacties